Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0727

Datum uitspraak1996-06-26
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers94/01479
Statusgepubliceerd


Uitspraak

BELASTINGKAMER Nr. 94/1479 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren/ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen zijn aanslag in de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen voor het jaar 1991. 1. Ontstaan en loop van het geding. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 251.421,--. Na tijdig bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak tijdig en regelmatig in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. De zaak is behandeld in raadkamer ter zitting van het Hof van 12 februari 1996. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Partijen hebben ter zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's wordt geacht hier te zijn ingevoegd. Belanghebbende heeft ter zitting zonder bezwaar van de wederpartij de in zijn pleitnota genoemde bijlage overgelegd. Het Hof heeft op 26 februari 1996 mondeling uitspraak gedaan. Afschriften van het proces-verbaal daarvan zijn op 1 maart 1996 met ontvangstbevestiging aan partijen verzonden. De Inspecteur heeft tijdig verzocht om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. 2. Feiten. 2. Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende betwist, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende oefende in het onderhavige jaar samen met een collega in maatschapsverband het beroep van dierenarts uit. Voorts handelde belanghebbende in het onderhavige jaar, in strijd met het verbod van artikel 2 van de Diergeneesmiddelenwet, in clenbuterol en/of clenbuterolhoudende stoffen. De opbrengst van die handel is in de maatschap gevloeid en voor zijn aandeel in de maatschapswinst gerekend tot belanghebbendes winst uit onderneming. 2.2. Belanghebbende is voor de in 2.1 bedoelde handel en de daarbij gepleegde valsheid in geschrift strafrechtelijk vervolgd. In dat kader heeft de Officier van Justitie onder meer tot een bedrag van ¦ 300.000,-- ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel geëist. De rechtbank te Breda heeft belanghebbende in mei 1993 veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete. 2.3. Belanghebbende heeft voor zijn verdediging, waaronder de afwering van de in 2.2 bedoelde eis van de Officier van Justitie, kosten van rechtsbijstand gemaakt. In het onderhavige jaar bedroegen die kosten ¦ 16.925,--. 3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen. 3.1. Tussen partijen is in geschil of de in 2.3 bedoelde kosten aftrekbaar zijn als bedrijfslast. Belanghebbende verdedigt dat en de Inspecteur betwist dat. 3.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de van ieder van hen afkomstige stukken. De Inspecteur heeft ter zitting zijn stelling dat belanghebbende uitsluitend in zijn hoedanigheid van privépersoon is vervolgd, ingetrokken. Verder hebben partijen ter zitting geen nieuwe stellingen of argumenten aan hun standpunten toegevoegd. 3.3. Belanghebbende heeft ter zitting geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 234.496,--. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak. 4. Beoordeling van het geschil. 4.1. De onderwerpelijke kosten van rechtsbijstand houden voldoende verband met de ondernemingssfeer om aftrekbaar te zijn als bedrijfslast. Immers, die kosten zijn gemaakt in verband met de vervolging van belanghebbende voor een verboden handel, waarvan de opbrengsten tot de winst van belanghebbende en zijn compagnon zijn gerekend. Bovendien zijn die kosten mede gemaakt ter afwering van de eis van de Officier van Justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en in zoverre tot behoud van de opbrengsten van de verboden handel. 4.2. Het gelijk is derhalve aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval is niet in geschil dat het belastbare inkomen ¦ 234.496,-- bedraagt. 5. De proceskosten. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende bij de oproeping voor de zitting door middel van de daarbij gevoegde bijlage is gewezen op de mogelijkheid van een proceskostenvergoeding doch daarom niet heeft verzocht. 6. De beslissing. Het Hof vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 234.496,-- en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ¦ 75,--. Aldus vastgesteld op 26 juni 1996 door P.J. van Amersfoort, voorzitter, A.J. van Soest, en P.J. Wattel, in tegenwoordigheid van C.A.F.M. Stassen, waarnemend-griffier, en op die dag in het openbaar uitgesproken. Met ontvangstbevestiging in afschrift aan partijen verzonden op: 26 juni 1996