Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF1650

Datum uitspraak2002-06-27
Datum gepubliceerd2004-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers20.001100.01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor afpersing, meermalen gepleegd en medeplegen van de voorbereidingen van afpersingen; het handelen in strijd met de WWM en het deelnemen aan een criminele organisatie.
Bewijsverweren: instructie bij fotoconfrontatie; geen opzet tot uitvoering.
11 jaar gevangenisstraf.


Uitspraak

parketnummer : 20.001100.01 uitspraakdatum : 27 juni 2002 tegenspraak; GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 3 mei 2001 in de strafzaak onder parketnummer 01/029020/00 tegen: [verdachte], geboren te [plaats], op [datum] 1973, thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting P.I. De Geniepoort te Alphen aan den Rijn, overigens zonder bekende woonplaats hier te lande. Het hoger beroep De verdachte heeft tijdig tegen genoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1, 3, 4, 5, 6 en 7 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Het onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de eerste rechter, in strijd met het bepaalde in artikel 36f, zesde lid, juncto artikel 24c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, met betrekking tot de schademaatregelen van ING-bank NV en de Coöperatieve Rabobank Venlo e.o. U.A., als vervangende hechtenis meer dan het maximum van een jaar heeft opgelegd. De tenlastelegging Het hof neemt hier uit het beroepen vonnis de weergave van de -gewijzigde- tenlastelegging over. De bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1 primair, sub 3 primair, sub 4 subsidiair, sub 5 meer subsidiair, sub 6 en sub 7 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 6 maart 2000 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (met een totaalbedrag van f 338.950,- of daaromtrent), toebehorende aan ING-bank, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader - die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een vuurwapen, hebben/heeft voorgehouden en - een vuurwapen, op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben/heeft gericht en gericht gehouden en - die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de woorden hebben/heeft toegevoegd “schiet op, of ik schiet” althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en - met dat vuurwapen hebben/heeft geschoten; 3. hij op 22 maart 2000 te Venlo tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (met een totaalbedrag van f 403.375,- of daaromtrent), toebehorende aan de Rabobank, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader - die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] een vuurwapen, hebben/heeft voorgehouden en - dat vuurwapen, op die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben/heeft gericht en gericht gehouden en - die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] de woorden hebben/heeft toegevoegd “ik schiet je kapot” althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en - met dat vuurwapen hebben/heeft geschoten; 4 subsidiair. hij meermalen, in de periode van 15 april 2000 tot en met 19 april 2000 te Venlo en/of Eindhoven en/of Alphen aan de Rijn en/of Bodegraven en/of elders in Nederland, tesamen en in vereniging met een ander, telkens, ter voorbereiding van de misdrijven/het misdrijf afpersing (artikel 317 van het wetboek van Strafrecht) en/of diefstal met geweld (artikel 312 van het wetboek van Strafrecht), opzettelijk een personenauto kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad; 5 meer subsidiair. hij op 26 april 2000 in Nederland, tesamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van de misdrijven/het misdrijf afpersing (wetboek van Strafrecht, artikel 317) en/of diefstal met geweld (artikel 312), opzettelijk - zwarte, althans donkere, kleding en/of - een vuurwapen, en/of - een personenauto, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad; 6. hij op 26 april 2000 te Geldrop een wapen van categorie III, te weten een revolver (Smith en Wesson, kaliber 357 Magnum), en munitie van categorie III, te weten 5 patronen (MRP 357 MAG), voorhanden heeft gehad; 7. hij in de periode van 15 januari 2000 tot en met 26 april 2000 te Eindhoven en/of Venlo en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsver- band van personen, bestaande uit (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meer anderen en verdachte, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het – al dan niet met gebruikmaking van (een) vuurwapen(s) – plegen van afpersingen en/of diefstallen met geweld. Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen De door het hof gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering; deze aanvulling is aan dit arrest gehecht. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd. Elk bewijsmiddel wordt slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. Door de raadsman van de verdachte is, op de gronden als vermeld in zijn pleitnota- ten aanzien van het sub 1 ten laste gelegde aangevoerd, dat bij de fotoconfrontatie met de getuige [getuige] in strijd is gehandeld met de zogeheten RAC-richtlijnen, nu uit het proces-verbaal niet blijkt wat de instructie aan de getuige heeft ingehouden, doch slechts is volstaan met de mededeling dat de procedure van de confrontatie door de verbalisant is uitgelegd. Nu deze inhoudelijke uitleg niet is vastgelegd door verbalisant moet de betrouwbaarheid van de confrontatie als onvoldoende worden aangemerkt, en zou de confrontatie van het bewijs moeten worden uitgesloten, aldus de raadsman. Het hof overweegt daaromtrent, dat het niet in het proces-verbaal vermelden van de instructie als door de raadsman bedoeld, nog niet met zich brengt dat deze ook niet is gegeven. Indien de verdediging daaromtrent meer zekerheid had gewenst, had het op haar weg gelegen daaromtrent getuigen te (doen) horen. Het enkele gegeven echter dat de richtlijnen van de Recherche Advies Commissie, niet integraal in acht zouden zijn genomen, brengt nog niet met zich mee dat daardoor het recht zou zijn geschonden en het daaruit verkregen bewijs als zijnde onrechtmatig verkregen terzijde zou moeten worden gesteld. Het beroep moet dan ook worden verworpen. Door de raadsman is, op de gronden als vermeld in zijn pleitnota, met betrekking tot het sub 1 en sub 3 ten laste gelegde nog aangevoerd dat, nu slechts zeer selectieve Foslo-confrontaties hebben plaats gevonden het gebruik van dit bewijs in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Het hof overweegt hieromtrent dat het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat is gehandeld in strijd met enig beginsel van een goede procesorde op grond waarvan zou kunnen worden gezegd dat de rechten van de verdachte op enigerlei wijze zouden zijn geschonden. Het beroep dient dan ook te worden verworpen. Het hof heeft de bewijsmiddelen met betrekking tot het sub 1 en het sub 3 ten laste gelegde, in onderling verband en samenhang bezien en mede op grond van die samenhang geoordeeld, dat verdachte zowel de hem sub 1 als de hem sub 3 ten laste gelegde overval heeft gepleegd, zoals hiervoor bewezen is verklaard. De verdachte en diens raadsman hebben ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot de sub 4 en 5 ten laste gelegde feiten een aantal bewijsverweren gevoerd, waaraan de stelling ten grondslag ligt dat verdachte de in de telastelegging gemelde handelingen uitsluitend heeft verricht om [derde], -aan wie hij, verdachte nog een geldbedrag schuldig zou zijn, welk te betalen bedrag uit de opbrengst van een te plegen overval zou moeten komen- rustig te houden en dat hij zo realistisch mogelijk te werk moest gaan om die [derde] de indruk te blijven geven dat de overvallen daadwerkelijk plaats zouden gaan vinden, terwijl verdachte geenszins het voornemen zou hebben gehad ook werkelijk overvallen te plegen. Het hof overweegt daaromtrent dat, nu uit het onderzoek ter terechtzitting, geen enkele serieuze aanwijzing voor de juistheid van verdachtes verklaring als voormeld te vinden is, gelet ook op de inhoud van de overige bewijsmiddelen en gelet op de omstandigheid dat het hof bewezen acht dat de verdachte de hem sub 1 en sub 3 ten laste gelegde overvallen, waarin van een nagenoeg identieke modus operandi blijkt, heeft gepleegd, de mogelijkheid dat verdachte slechts de schijn wilde hooghouden, dat overvallen gepleegd zouden worden, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kan worden gesteld. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit. Het bewezen verklaarde onder 1 primair en 3 primair is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, tweede lid, onder 2, juncto 317, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezen verklaarde onder 4 subsidiair en 5 meer subsidiair is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 46, eerste lid, junctis de artikelen 47, eerste lid, aanhef en onder 1 en 312 en 317, van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezen verklaarde onder 6 is voor wat betreft het wapen voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), tweede lid, aanhef en onder a, van die wet en voor wat betreft de munitie voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld bij artikel 55(oud), eerste lid, van die wet. Het bewezen verklaarde onder 7 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het moet worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met een aantal omstandigheden. In dat verband is het navolgende van belang: - de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd; - het persoonlijke leed, dat de feiten teweeg hebben gebracht. Het is een feit van algemene bekendheid, dat overvallen als de onderhavige aan de slachtoffers psychische schade, soms zelfs aanzienlijke schade toebrengen. De bestraffing kan de slachtoffers helpen het gebeurde te verwerken; - het gewelddadig karakter van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten, waarbij het gebruik van vuurwapens niet is geschuwd; - de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister reeds eerder terzake van vermogensdelicten en en geweldsdelict en een wapendelict is veroordeeld. Misdrijven als deze brengen een aanzienlijke maatschappelijke onrust teweeg, die niet genegeerd kan worden indien men de burger zijn vertrouwen in de rechtsstaat wil laten behouden. Het geijkte middel daartoe is een duidelijke strafrechtelijke reactie. De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan of voorbereid. Het hof overweegt -evenals de eerste rechter- ten aanzien van het Breitling-horloge dat dit horloge blijkens het onderzoek ter terechtzitting is ingezet als onderpand voor een schuld betreffende de verdeling van de door de bewezenverklaarde feiten verkregen gelden, aan verdachtes mededader. Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. De ING-bank, [getuige], [benadeelde 1], de Cooperatieve Rabobank Venlo, [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. De benadeelde partijen [getuige] en ING Bank NV hebben gepersisteerd bij vergoeding van hetgeen aan hen in eerste aanleg is toegewezen,. De benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], die hebben gepersisteerd bij hun in eerste aanleg gedane vordering. Deze vorderingen strekt tot vergoeding van geleden schade. Het hof verenigt zich met hetgeen de eerste rechter omtrent deze vorderingen heeft overwogen en beslist, met dien verstande dat, voorzover de eerste rechter de vorderingen van [getuige], [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] bij wijze van voorschot heeft toegewezen tot een bedrag van F.5.000,--(€ 2.268,90), respectievelijk F.2.500,--(€ 1.134,45) het hof deze vorderingen niet als zodanig zal benoemen en het meer of anders verzochte zal afwijzen. Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partijen ten behoeve van hun voeging in deze strafzaken gemaakt als na te melden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, ING-bank NV, Bijlmerplein 888, 1102 MG Amsterdam als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.338.000,--,(€ 153.377,71) exclusief wettelijke rente. Het hof stelt de materiële schade op F.338.000,--.(€ 153.377,71 Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.338.000,--(€ 153.377,71 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [getuige], [adres getuige] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.5.000,--(€ 2.268,90), Het hof stelt de immateriële schade op F.5.000,--(€ 2.268,90),. Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.5.000,-- (€ 2.268,90),te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde 1], [adres benadeelde 1], als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.5.000,--(€ 2.268,90). Het hof stelt de immateriële schade op F.5.000,--(€ 2.268,90). Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.5.000,-- (€ 2.268,90),te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, Coöperatieve Rabobank Venlo e.o., Peperstraat 9, 5911 HA Venlo als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.403.375,--(€ 183.043,59). Het hof stelt de materiële schade op F.403.375,--(€ 183.043,59). Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.403.375,--(€ 183.043,59) te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [benadeelde 2], [adres benadeelde 2], als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.5.000,--(€ 2.268,90). Het hof stelt de immateriële schade op F.5.000,--(€ 2.268,90). Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.5.000,--(€ 2.268,90) te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat, [benadeelde 3], [adres benadeelde 3] als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde, schade heeft geleden tot een bedrag van F.2.500,--(€ 1.134,45). Het hof stelt de immateriële schade op F.2.500,--(€ 1.134,45). Verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van F.2.500,--(€ 1.134,45) te betalen ten behoeve van het slachtoffer, (met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd). Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen). Bij gelegenheid van het laatste woord van de raadsman en de verdachte heeft de raadsman de mogelijkheid geopperd, dat de benadeelde partijen ING-bank en de Cooperatieve Rabobank Venlo, wellicht verzekerd zouden zijn tegen schade ten gevolge van gewapende roofovervallen als voormeld geleden, waardoor toewijzing van hun vorderingen niet zou kunnen volgen. De raadsman, de verdachte en de advocaat-generaal hebben voorgesteld om na sluiting van het onderzoek navraag te doen bij de desbetreffende benadeelde partijen en de uitkomst daarvan bij de beraadslaging te betrekken. De griffier van het gerechtshof heeft van beide benadeelde partijen een schriftelijke reactie ontvangen, waaruit van een -voldoende- verzekering als voormeld niet blijkt en welke brieven in het dossier zijn gevoegd. De raadsman heeft bij pleidooi verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren gezien de hoogte van de vorderingen in verband met het totale gebrek aan draagkracht bij client. Het hof overweegt daaromtrent dat een gebrek aan draagkracht bij verdachte aan toewijzing van de vorderingen niet in de weg staan en dat een niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen op voormelde grond geen steun vindt in het recht. Bovendien heeft de raadsman in dit betoog buiten beschouwing gelaten de mogelijkheid, dat verdachte in elk geval zich bij de bewezen verklaarde feiten heeft meester gemaakt van zeer grote sommen geld. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn overigens geen feiten en/of omstandigheden gebleken welke de niet-ontvankelijkheid van enige benadeelde partij met zich mee zou brengen. De toegepaste wettelijke voorschriften De strafoplegging is gegrond op de artikelen: 10, 24, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 46, 47, 57, 140, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 26, 55(oud) en 56 van de Wet wapens en munitie. B E S L I S S I N G: Het hof: Vernietigt het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht. Verklaart, zoals hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het sub 1 primair, sub 3 primair, sub 4 subsidiair, sub 5 meer-subsidiair, sub 6 en sub 7 primair ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert: sub 1 primair:"Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen"; sub 3 primair:"Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen"; sub 4 subsidiair:"Medeplegen van voorbereiding van afpersing en/of diefstal met geweld, meermalen gepleegd"; sub 5 meer subsidiair:"Medeplegen van voorbereiding van afpersing en/of diefstal met geweld"; sub 6:Ten aanzien van het wapen: "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie III"; sub 6: Ten aanzien van de munitie: "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie"; sub 7 primair:"Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven". Verklaart de verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van elf jaren. Beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht. Verklaart verbeurd de volgende, onder verdachte inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: - een horloge, merk breitling, meerkleurig, serienummer B3531265283; - twee witte pennen; - vier sleutels; - een Nokia GSM verpakking; - twee portemonnees met pasjes, kleur bruin; - een Siemens GSM S25 doos; - een zwarte jas; - een zwarte jas met capuchon, merk Nike; - een zwarte baseballpet, merk Nike; - een zwarte baseballpet, merk Reebok; - een zwart/groene trui met vlekken op achterzijde (wit omrand), merk Fila; - een blauw regenjack met opschrift Ferre op blinkend plaatsje met capuchon; - een lege verpakking van een horloge, merk Breitling, serienummer 335653425; - een copie kentekenbewijs deel I betreffende kenteken […]; - een wit-blauw gestreepte draagtas met poppetje erop; - een zilverkleurig GSM telefoontoestel, merk panasonic, type EB-GD-90; - een blauwkleurig GSM telefoontoestel, merk Nokia, type 6110; - een blauwkleurig GSM telefoontoestel, merk Nokia, type 6250; - een zilverkleurig GSM telefoontoestel, merk Nokia, type 8810. Gelast de teruggave van de volgende, onder verdachte inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten - een hoeveelheid geld van F.243,75; - een horloge, merk Storm, kleur zilver, serienummer 1374971; - een koopcontract, kleur groen, betreffende de inruil van een auto, merk BMW en de koop van 2 auto's, merk Mercedes, aan: [verdachte] voornoemd. Wijst de vordering van de benadeelde partij ING-bank NV, Bijlmerplein 888, 1102 MG Amsterdam, toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 153.377,71, exclusief wettelijke rente, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer ING-bank NV, Bijlmerplein 888, 1102 MG Amsterdam voornoemd, te betalen een bedrag van € 153.377,71 (zegge: honderddrieenvijftigduizend driehonderd zevenenzeventig euro en eenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van driehonderdvijfenzestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Wijst de vordering van de benadeelde partij [getuige], [adres getuige], toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 2.268,90, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [getuige] voornoemd, wonende te [adres getuige], te betalen een bedrag van € 2.268,90, (zegge: tweeduizend tweehonderd achtenzestig euro en negentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1], [adres benadeelde 1], toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 2.268,90, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] voornoemd, wonende te [adres benadeelde 1], te betalen een bedrag van € 2.268,90, (zegge: tweeduizend tweehonderd achtenzestig euro en negentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Wijst de vordering van de benadeelde partij Coöperatieve Rabobank Venlo e.a., Peperstraat 9, 5911 HA Venlo, toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 183.043,59, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 245,04 (F.540,--). Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Coöperatieve Rabobank Venlo e.a. voornoemd, Peperstraat 9, 5911 HA Venlo, te betalen een bedrag van € 183.043,59, (zegge: honderddrieentachtigduizend drieenveertig euro en negenenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van driehonderdvijfenzestig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2], [adres benadeelde 2], toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 2.268,90, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op (f.540,--) € 245,04. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], [adres benadeelde 2], voornoemd, te betalen een bedrag van € 2.268,90, (zegge: tweeduizend tweehonderdachtenzestig euro en negentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van zevenendertig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3], [adres benadeelde 3], toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting te betalen, een bedrag van € 1.134,45, met bepaling dat indien en voorzover een mededader van verdachte aan de vordering heeft voldaan, de verdachte daarvan is bevrijd. Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Wijst af het meer of anders gevorderde. Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 3], [adres benadeelde 3] voornoemd, te betalen een bedrag van € 1.134,45, (zegge: eenduizend eenhonderd vierendertig euro en vijfenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van drieentwintig dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan. Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan. Dit arrest is gewezen door Mr. Denie, als voorzitter Mrs. Koster-Vaags en De Poorter, als raadsheren in tegenwoordigheid van Dhr. De Bruijn, als griffier. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 juni 2002.