Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO2902

Datum uitspraak2004-02-03
Datum gepubliceerd2004-02-03
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers03/005696-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden gekwalificeerd, is niet doorslaggevend of de dader met de handeling zelf ontuchtige bedoelingen had.(...) De rechtbank heeft bij de straftoemeting onder meer in aanmerking genomen dat de verweten strafbare gedragingen bij herhaling en gedurende een jarenlange periode en bij verschillende turnverenigingen in verschillende plaatsen hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte -met misbruik van diens positie als turnleraar- zich stelselmatig heeft vergrepen aan de aan zijn zorg toevertrouwde zeer jonge, weerloze meisjes. (...) Gezien dit misbruik acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte als bijkomende straf uit het recht wordt gezet het beroep van turnleraar uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.


Uitspraak

Parketnummer: 03/005696-03 Datum uitspraak: 3 februari 2004 RECHTBANK MAASTRICHT VONNIS op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], wonende te [adres verdachte], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 januari 2004. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat 1. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 30 november 1999 in de gemeente [M.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op 12 december 1987 en/of met [slachtoffer 2], geboren op 14 januari 1990 en/of met [slachtoffer 3], geboren op 21 juni 1988, die toen (elk) de leeftijd van twaalf jaren nog niet had(den) bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis en/of zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] geduwd/gebracht; 2. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 30 november 1999 in de gemeente [M.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 1], geboren op 12 december 1987 en/of [slachtoffer 2], geboren op 14 januari 1990 en/of [slachtoffer 4], geboren op 20 juni 1988 en/of [slachtoffer 3], geboren op 21 juni 1988 en/of [slachtoffer 5], geboren op 17 maart 1985, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde pero(o)n(en) (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid als turntrainer bij gymnastiekvereniging [S.] was/waren toevertrouwd, een of meermalen (telkens) opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina en/of de tepel(s) van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 5] gewreven/gevoeld; 3. hij in of omstreeks het tijdvak van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 1999 in de gemeente [M.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige(n) [slachtoffer 6], geboren op 27 november 1986 en/of [slachtoffer 7], geboren op 15 januari 1991, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde pero(o)n(en) (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid als turntrainer bij gymnastiekvereniging [S.] was/waren toevertrouwd, een of meermalen (telkens) opzettelijk met zijn,verdachtes vinger(s) onder het turnpakje en/of met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] gewreven/gevoeld; 4. hij op of omstreeks 20 november 1993, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 1988 tot en met 31 december 1993 te [A.], in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachto[slachtoffer 8], geboren op 27 april 1981 heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het bij de borst van die [slachtoffer 8] beetpakken en/of uit het met zijn, verdachtes, hand onder het turnpakje van die [slachtoffer 8] gaan en/of uit het over de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer 8] wrijven en/of uit het (verder) omlaag trekken van het turnpakje van die [slachtoffer 8] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het stevig vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 8]; Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat: hij op of omstreeks 20 november 1993, in elk geval in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 1988 tot en met 31 december 1993 in de gemeente [A.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (slachtoffer 8], geboren op 27 april 1981, immers heeft/is hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde [slachtoffer 8] aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid als turntrainer bij turnvereniging [K.] was toevertrouwd, een of meermalen (telkens) opzettelijk genoemde [slachtoffer 8] bij de borst(en) beet gepakt en/of met zijn, verdachtes, hand onder het turnpakje van die [slachtoffer 8] gegaan en/of met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) het turnpakje van die [slachtoffer 8] omlaag getrokken en/of met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 8] gewreven/gevoeld; 5. hij in het jaar 1993 in de gemeente [A.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachto[slachtoffer 9], geboren op 10 september 1976, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde [slachtoffer 9] (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid als turntrainer bij turnvereniging [K.] was toevertrouwd, een of meermalen (telkens) opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) het turnpakje van die [slachtoffer 9] opzij geschoven en/of over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 9] gewreven/gevoeld; 6. hij op of omstreeks 18 oktober 1993, in elk geval in het jaar 1993 in de gemeente [A.], in elk geval in Nederland, een of meermalen (telkens) ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 10], geboren op 26 december 1980, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde [slachtoffer 10] (telkens) aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid als turntrainer bij turnvereniging [K.] was toevertrouwd, een of meermalen (telkens) opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) het slipje van die opzij geschoven en/of over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 10] gewreven/gevoeld. Verbeterde schrijffout Tengevolge van een kennelijke schrijffout staat in de dagvaarding in regel 8 van het onder 2 ten laste gelegde en in regel 6 van het onder 3 ten laste gelegde vermeld pero(o)n(en) in plaats van perso(o)n(en); De rechtbank herstelt deze fout, aangezien dit mogelijk is zonder dat verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad. De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1,2,3,4,5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat 1. hij in het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 30 november 1999 in de gemeente [M.], meermalen telkens met [slachtoffer 2], geboren op 14 januari 1990 en met [slachtoffer 3], geboren op 21 juni 1988, die toen elk de leeftijd van twaalf jaren nog niet hadden bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] geduwd/gebracht; 2. hij in het tijdvak van 1 januari 1996 tot en met 30 november 1999 in de gemeente [M.], meermalen telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen [slachtoffer 1], geboren op 12 december 1987 en [slachtoffer 2], geboren op 14 januari 1990 en [slachtoffer 4], geboren op 20 juni 1988 en [slachtoffer 3], geboren op 21 juni 1988 en [slachtoffer 5], geboren op 17 maart 1985, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde personen aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid als turntrainer bij gymnastiekvereniging [S.] waren toevertrouwd, meermalen telkens opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina en/of de tepel(s) van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] gewreven/gevoeld; 3. hij in het tijdvak van 1 augustus 1996 tot en met 31 december 1999 in de gemeente [M.], meermalen telkens ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarigen [slachtoffer 6], geboren op 27 november 1986 en [slachtoffer 7], geboren op 15 januari 1991, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde personen aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid als turntrainer bij gymnastiekvereniging [S.] waren toevertrouwd, meermalen telkens opzettelijk met zijn,verdachtes vinger(s) onder het turnpakje en met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] gewreven/gevoeld; 4. hij op 20 november 1993 te [A.], door geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer 8], geboren op 27 april 1981 heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het bij de borst van die [slachtoffer 8] beetpakken en uit het met zijn, verdachtes, hand onder het turnpakje van die [slachtoffer 8] gaan en uit het over de vagina en/of schaamlippen van die [slachtoffer 8] wrijven en uit het verder omlaag trekken van het turnpakje van die [slachtoffer 8] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden uit het stevig vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer 8]; 5. hij in het jaar 1993 in de gemeente [A.], ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 9], geboren op 10 september 1976, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde [slachtoffer 9] aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid als turntrainer bij turnvereniging [K.] was toevertrouwd, opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) het turnpakje van die [slachtoffer 9] opzij geschoven en over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 9] gewreven/gevoeld; 6. hij op 18 oktober 1993 in de gemeente [A.], ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 10], geboren op 26 december 1980, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar toen genoemde [slachtoffer [slachtoffer 10] aan zijn zorg en opleiding en waakzaamheid als turntrainer bij turnvereniging [K.] was toevertrouwd, opzettelijk met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) het slipje van die [slachtoffer 10] opzij geschoven en over/aan de schaamlip(pen) en/of de vagina van die [slachtoffer 10] gewreven/gevoeld. De partiële vrijspraak De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bijzondere overweging ten aanzien van het bewijs Namens verdachte is aangevoerd dat de handelingen als bedoeld in de tenlastelegging niet als ontuchtige handelingen moeten worden beschouwd, nu deze handelingen zijn verricht in het kader van de uitoefening van de turntraining. De rechtbank verwerpt dit verweer. Voor de vraag of een handeling als ontuchtige handeling kan worden gekwalificeerd, is niet doorslaggevend of de dader met de handeling zelf ontuchtige bedoelingen had, hetgeen door de verdachte overigens wordt ontkend. Gezien de wijze waarop en de omstandigheden waaronder verdachte deze handelingen verrichtte, is de rechtbank van oordeel dat deze handelingen veel verder gingen dan in het kader van turntraining en in het bijzonder sportmassage verantwoord en aanvaardbaar is en -zeker voor de betrokken slachtoffers- een duidelijke seksuele lading hadden. De rechtbank heeft het bewijs voor de met het ene slachtoffer gepleegde ontuchtige handelingen mede kunnen putten uit de verklaringen van de andere slachtoffers, nu de verklaring van elk van die slachtoffers, betreffende de door verdachte met elk van hen gepleegde ontuchtige handelingen, meer aannemelijk wordt gemaakt door de verklaringen van de andere slachtoffers over gelijksoortige handelingen. De kwalificatie Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt: Feit 1: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 244 van het Wetboek van Strafrecht. Feit 2: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Feit 3: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Feit 4 primair: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht Feit 5: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Feit 6: ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar. De redengeving van de op te leggen straffen en maatregelen Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving. De rechtbank heeft hierbij onder meer in aanmerking genomen dat de verweten strafbare gedragingen bij herhaling en gedurende een jarenlange periode en bij verschillende turnverenigingen in verschillende plaatsen hebben plaatsgevonden, waarbij verdachte -met misbruik van diens positie als turnleraar- zich stelselmatig heeft vergrepen aan de aan zijn zorg toevertrouwde zeer jonge, weerloze meisjes. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat dit misbruik door verdachte jaren later nog steeds een zeer grote invloed op het leven en de ontwikkeling van diens jeugdige slachtoffers en hun omgeving heeft. Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld. Gezien dit misbruik acht de rechtbank het passend en geboden dat verdachte als bijkomende straf uit het recht wordt gezet het beroep van turnleraar uit te oefenen voor de duur van vijf jaren. De vorderingen van de benadeelde partijen Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5], [slachtoffer 7], [slachtoffer 8] en [slachtoffer 10] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], [adres slachtoffer 1] door de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 1750,00 en nu aan verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres slachtoffer 3] door de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 1750,00 en nu aan verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] , [adres slachtoffer 5] door het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 1750,00 en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], [adres slachtoffer 7] door het hiervoor onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van 1750,00 en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 8], [adres slachtoffer 8] door het'hiervoor onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 680,00 en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 10], [adres slachtoffer 10] door het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 680,00 en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen. Nu verdachte onder meer ter zake van de hiervoor onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 7], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partijen, aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregelen besloten. De op te leggen straffen en maatregelen zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 24c, 28, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht. DE BESLISSINGEN: De rechtbank - verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1,2,3,4,5 en 6 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan; - verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 4,5 en 6 of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is; - veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE JAREN; - beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht; - ontzegt verdachte het recht het beroep van turnleraar uit te oefenen voor de de duur van VIJF JAREN; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [adres slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1750,00 (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 1] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [adres slachtoffer 1], te betalen een bedrag ad. € 1750,00, (zegge: zeventienhonderdenvijftig), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen; - verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft; - bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] voormeld bedrag ad. 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen. - bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] komt te vervallen; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], [adres slachtoffer 2] te betalen een bedrag van 1750,00 (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], [adres slachtoffer 3] te betalen een bedrag ad. € 1750,00, (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen; - verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft; - bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] voormeld bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen. - bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] komt te vervallen; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5] te betalen een bedrag van €1750,00 (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 5] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], [adres slachtoffer 5], te betalen een bedrag ad. € 1750,00, (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen; - verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft; - bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] voormeld bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen. - bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] komt te vervallen; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], [adres slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 1750,00 (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 7] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; - legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7], [adres slachtoffer 7], te betalen een bedrag ad. € 1750,00, (zegge: zeventienhonderdenvijftig Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen; - verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft; - bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] voormeld bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen. - bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag ad. € 1750,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 7] komt te vervallen; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 8], [adres slachtoffer 8] te betalen een bedrag van € 680,00 (zegge: zeshonderdentachtig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 8] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; - veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 10], [adres slachtoffer 10] te betalen een bedrag van € 680,00 (zegge: zeshonderdentachtig Euro); - veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 10] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil; Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.J.H.T. Peters, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. M.A.M. van Uum, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 februari 2004.