Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT8759

Datum uitspraak2005-07-06
Datum gepubliceerd2005-07-06
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200500910/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: de Algemeen Directeur) de erkenning van appellant sub 2 voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor een periode van twaalf weken.


Uitspraak

200500910/1. Datum uitspraak: 6 juli 2005 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1.    de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer, 2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], appellanten, tegen de uitspraak in zaak nr. SBR 04/3012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 28 december 2004 in het geding tussen: appellant sub 2 en appellant sub 1. 1.    Procesverloop Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft appellant sub 1 (hierna: de Algemeen Directeur) de erkenning van appellant sub 2 voor het uitvoeren van periodieke keuringen van motorrijtuigen tot en met 3500 kg ingetrokken voor een periode van twaalf weken. Bij besluit van 3 november 2004 heeft de Algemeen Directeur het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 december 2004, verzonden op 6 januari 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd, de Algemeen Directeur opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en het besluit van 30 augustus 2004 geschorst tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben de Algemeen Directeur bij brief van 28 januari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2005, en [appellant sub 2] bij brief van 16 februari 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht. Bij brief van 14 maart 2005 heeft [appellant sub 2] van antwoord gediend. Bij brief van 12 april 2005 heeft de Algemeen Directeur van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de Algemeen Directeur. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2005, waar de Algemeen Directeur, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de Dienst Wegverkeer, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. Th.H.W. Juta, werkzaam bij DAS rechtsbijstand, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ingevolge artikel 85 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) zijn de erkende natuurlijke personen of rechtspersonen verplicht het door de aanvrager ter keuring aangeboden voertuig te keuren, indien zij daartoe gerechtigd zijn.    Ingevolge artikel 87, tweede lid, aanhef en onder f, van de WVW kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.    Artikel 43 van de regeling luidt als volgt: 1. Na afloop van elke keuring wordt het keuringsrapport volledig ingevuld zodanig dat dit ook zichtbaar is op de doorslag. Het keuringsrapport wordt ondertekend door de keurmeester die het voertuig aan de keuring heeft onderworpen. 2. Voor dit keuringsrapport wordt gebruikgemaakt van het in de Regeling vaststelling keuringsrapport opgenomen model keuringsrapport. 3. Indien een voertuig aan de keuringseisen blijkt te voldoen, wordt op het keuringsrapport aangetekend dat het voertuig is goedgekeurd en worden, indien van toepassing, de adviespunten vermeld. 4. Indien er ten behoeve van de goedkeuring reparaties aan het voertuig zijn verricht, wordt op het keuringsrapport aangegeven dat het voertuig is goedgekeurd na reparatie en worden de reparatiepunten en, indien van toepassing, de adviespunten vermeld. De afgekeurde onderdelen worden bewaard tot aan het moment dat het keuringsrapport aan de aanvrager wordt overhandigd. 5. Indien een voertuig niet aan de keuringseisen blijkt te voldoen, wordt op het keuringsrapport aangegeven dat het voertuig is afgekeurd en worden de afkeurpunten vermeld en, indien van toepassing, de adviespunten en de reparatiepunten vermeld. 6. Indien een roetmeting is uitgevoerd, mag de datum die is vermeld op de afdruk van de afdrukinrichting van de roetmeter maximaal één maand voor de datum van afgifte van het keuringsrapport liggen.    Ingevolge artikel 44, derde lid, van de regeling, voorzover thans van belang, wordt het voertuig door middel van datacommunicatie bij de Dienst Wegverkeer afgemeld. 2.2.    Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Algemeen Directeur terecht heeft geconstateerd dat bij de keuring van het voertuig met het [kenteken] de artikelen 43 en 44, derde lid, van de regeling zijn overtreden. In dit verband voert [appellant sub 2] aan dat door het bedrijf E.A.A.M. een voorkeuring is uitgevoerd, en dat, nu daarbij geen sprake was van een APK-keuring, [appellant sub 2] niet de artikelen 43 en 44, derde lid, van de regeling heeft overtreden. 2.2.1.    Dit betoog faalt. Niet in geschil is dat het voertuig bij [appellant sub 2] ter APK-keuring is aangeboden, dat [appellant sub 2] het voertuig ter APK-keuring heeft aangenomen, dat [appellant sub 2] aan de eigenaresse van het voertuig bij het ophalen daarvan een briefje heeft verstrekt waarop de door E.A.A.M. geconstateerde gebreken aan het voertuig zijn vermeld, en dat door [appellant sub 2] bij de eigenaresse een APK-keuring in rekening is gebracht. [appellant sub 2] heeft op het moment dat het voertuig ter APK-keuring werd aangeboden niet kenbaar gemaakt dat bij zijn bedrijf geen APK-keuringen konden worden verricht, maar heeft het voertuig ter APK-keuring aangenomen. Aldus heeft hij ingevolge artikel 85 van de WVW de verplichting op zich genomen om het voertuig APK te keuren en om de voor die keuring geldende normen na te leven. [appellant sub 2] heeft het voertuig niet APK gekeurd, maar hij heeft het bij het bedrijf E.A.A.M. aan een keuring doen onderwerpen die door [appellant sub 2] als APK-keuring in rekening is gebracht en nader als voorkeuring is betiteld.    De Afdeling oordeelt met de voorzieningenrechter dat de Algemeen Directeur terecht heeft geconstateerd dat [appellant sub 2] een keuringsrapport behoorde op te maken en het voertuig bij de Dienst Wegverkeer behoorde af te melden en dat [appellant sub 2] met voormelde handelwijze niet aan die verplichtingen heeft voldaan. Met juistheid heeft de voorzieningenrechter [appellant sub 2] niet gevolgd in zijn betoog dat de artikelen 43 en 44, derde lid, van de regeling niet zijn overtreden, omdat het voertuig niet aan een APK- maar aan een voorkeuring zou zijn onderworpen. Immers, [appellant sub 2] heeft het voertuig ter APK-keuring aangenomen, zodat de regeling, die geen mogelijkheid biedt om een ter APK-keuring aangeboden voertuig aan een voorkeuring te onderwerpen, onverkort van toepassing is. Dat door een misverstand tussen [appellant sub 2] en het bedrijf E.A.A.M. bij E.A.A.M. niet bekend zou zijn dat het voertuig APK moest worden gekeurd dient, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, voor rekening en risico te blijven van [appellant sub 2]. Nu [appellant sub 2] geen keuringsrapport heeft opgemaakt en evenmin het voertuig bij de Dienst Wegverkeer heeft afgemeld, heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de Algemeen Directeur terecht heeft vastgesteld dat [appellant sub 2] de artikelen 43 en 44, derde lid, van de regeling heeft overtreden. 2.3.    Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. 2.4.    Het hoger beroep van de Algemeen Directeur is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat een tijdelijke intrekking van de APK-keuringsbevoegdheid voor de duur van twaalf weken niet evenredig is met de ernst van de overtreden norm. 2.4.1.    Zoals hiervoor is overwogen, staat vast dat [appellant sub 2] zowel artikel 43 als artikel 44, derde lid, van de regeling heeft overtreden. Voor elk van deze overtredingen zou, zoals in het besluit van 3 november 2004 is vermeld, de keuringsbevoegdheid voor twaalf weken kunnen worden ingetrokken. De keuringsbevoegdheid zou ingevolge het terzake door de Algemeen Directeur gevoerde beleid, neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders APK van 1 maart 2000, ook definitief kunnen worden ingetrokken, nu meerdere overtredingen zijn geconstateerd en daarbij bovendien sprake is van ondermijning van het toezicht. De Algemeen Directeur betoogt met succes dat de voorzieningenrechter dit niet heeft onderkend. Hij betoogt eveneens met succes dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de evenredigheid van de sanctie ten onrechte heeft betrokken de omstandigheden dat [appellant sub 2] heeft onderkend dat de gang van zaken rondom de keuring niet juist is geweest en dat die gang van zaken heeft geleid tot verbreking van de samenwerking tussen [appellant sub 2] en zijn vader. Met de Algemeen Directeur wordt geconcludeerd dat in onderhavige situatie een intrekking van de keuringsbevoegdheid voor de duur van twaalf weken niet als onevenredig kan worden aangemerkt, en dat bij de oplegging van onderhavige sanctie voldoende rekening is gehouden met de goede historie van [appellant sub 2] en de onderlinge samenhang tussen de verweten overtredingen. 2.5.    Het hoger beroep van de Algemeen Directeur is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 3 november 2004 alsnog ongegrond. 2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart het hoger beroep van de Algemeen Directeur gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 28 december 2004, zaak nr. SBR 04/3012; III.    verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom    w.g. De Leeuw-van Zanten Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2005 97-450.