Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BA2767

Datum uitspraak2006-10-24
Datum gepubliceerd2007-04-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersK06/1415
Statusgepubliceerd


Indicatie

Klacht ex artikel 12 Sv.; (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof acht, gelet op de afgelegde verklaringen en de uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving aanwezig om de vervolging van beklaagde te bevelen. Met name ontbreekt het bewijs dat de opzet van beklaagde, zelfs in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op de vrijheidsberoving van klager. Beklaagde heeft ontkend iets van de plannen van Van S. te hebben afgeweten. Van S. heeft in tweede instantie verklaard dat de bijdrage van beklaagde “0,0” was, dat hij alles zelf had uitgedacht en dat zij “van niets wist”. Weliswaar is het door Van S. gebruikte pistool eigendom van beklaagde, maar Van S. heeft hieromtrent verklaard dat hij toegang tot de kluis had waarin het pistool bewaard werd.


Uitspraak

K06/1415 GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 24 oktober 2006 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van: [klager], wonende te Ede, hierna te noemen: klager, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. J.S. Pen, advocaat te Amsterdam, over de beslissing van de officier van justitie te Roermond tot het niet vervolgen van: [beklaagde], wonende te Helmond, hierna te noemen: beklaagde, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, wegens (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving. De feitelijke gang van zaken. Op 24 augustus 2005 heeft klager aangifte gedaan van wederrechtelijke vrijheidsberoving, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagde. Op 16 januari 2006 is door de officier van justitie, mr. F.A.M. Pommer, aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat er onvoldoende bewijs is. Hierop heeft klager bij schrijven van 20 januari 2006 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 23 januari 2006, met het verzoek de vervolging te bevelen. De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 21 april 2006 het hof geraden het beklag gegrond te verklaren. Op 6 juni 2006 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat. Op 26 september 2006 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van beklaagde en haar advocaat. De advocaat-generaal heeft in afwijking van het schriftelijk verslag het hof geraden het beklag af te wijzen. De beoordeling. Op grond van het proces-verbaal van politie kan als vaststaand worden aangenomen dat beklaagde en [de echtgenoot van beklaagde], op 23 augustus 2005 een gesprek met klager hebben gehad in diens kantoor. Dit gesprek vond plaats op verzoek van [de echtgenoot van beklaagde] in verband met grote onvrede aangaande het beheer door klager van een deel van het vermogen van [de echtgenoot van beklaagde] en beklaagde. Tijdens dat gesprek heeft [de echtgenoot van beklaagde] een pistool getrokken ten einde klager te dwingen met hem en beklaagde mee te gaan om vervolgens in hun woning verder te praten. [De echtgenoot van beklaagde] heeft klager – terwijl hij hem onder schot hield - opgedragen diens mobiele telefoon mee te nemen. Een collega van klager heeft vervolgens, na telefonisch verzoek van klager, zijn eigen mobiele telefoon aangereikt aan beklaagde, die deze heeft doorgegeven aan klager. Nadat beklaagde het pand al had verlaten op weg naar de auto, is in de hal van het kantoorpand tussen klager en [de echtgenoot van beklaagde] een schermutseling ontstaan waarbij [de echtgenoot van beklaagde] klager heeft neergeschoten. [De echtgenoot van beklaagde] is vervolgd wegens poging tot moord, subsidiair poging tot doodslag van klager. Klager stelt dat de poging doodslag is voorafgegaan door een gijzeling en dat beklaagde zich (mede) schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Klager stelt ervan overtuigd te zijn dat beklaagde van de plannen van [de echtgenoot van beklaagde] afwist. Immers, [de echtgenoot van beklaagde] heeft in de eerste, kort na het voorval afgelegde verklaring gezegd dat hij “alles samen deed” met beklaagde. Voorts stelt klager, dat beklaagde zich niet heeft gedistantieerd van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en daaraan zelfs actief heeft meegewerkt middels het aannemen van een mobiele telefoon van een collega van klager in de hal van het kantoorpand. Beklaagde stelt, dat zij niets wist van de plannen van haar echtgenoot en er volkomen door werd overvallen. Zij stelt, op het moment dat haar echtgenoot een pistool trok, tegen hem gezegd te hebben: “Wat doe je nou, gek?”. Zij stelt zo snel mogelijk de kantoorruimte van klager te hebben verlaten. In de hal heeft zij de mobiele telefoon van de collega van beklaagde inderdaad aangenomen, maar dat was meer in een reflex. Beklaagde stelt, dat zij met het aannemen van de telefoon van de collega van beklaagde de plannen van haar echtgenoot juist frustreerde, omdat deze nu juist de mobiele telefoon van klager wilde hebben. In de telefoon van klager stonden immers allerlei belangrijke nummers. Hier zou volgens beklaagde reeds uit blijken, dat zij niet meewerkte aan het plan van haar echtgenoot. Tijd om na te denken of in te grijpen stelt zij niet gehad te hebben. Voorts benadrukt zij, dat haar echtgenoot de bewering uit zijn eerdere verklaring, dat hij “alles samen deed” met beklaagde, nadien heeft gewijzigd. Hij stelt dat beklaagde van niets wist. Het hof acht, gelet op de afgelegde verklaringen en de uit het dossier blijkende feiten en omstandigheden, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving aanwezig om de vervolging van beklaagde te bevelen. Met name ontbreekt het bewijs dat de opzet van beklaagde, zelfs in voorwaardelijke vorm, gericht is geweest op de vrijheidsberoving van klager. Beklaagde heeft ontkend iets van de plannen van [de echtgenoot van beklaagde] te hebben afgeweten. [De echtgenoot van beklaagde] heeft in tweede instantie verklaard dat de bijdrage van beklaagde “0,0” was, dat hij alles zelf had uitgedacht en dat zij “van niets wist”. Weliswaar is het door [de echtgenoot van beklaagde] gebruikte pistool eigendom van beklaagde, maar [de echtgenoot van beklaagde] heeft hieromtrent verklaard dat hij toegang tot de kluis had waarin het pistool bewaard werd. De overtuiging van klager dat beklaagde wetenschap had van de plannen van haar echtgenoot kan naar het oordeel van het hof niet bijdragen aan het bewijs. Voorts mag naar het oordeel van het hof niet verwacht worden dat verder onderzoek nader bewijs tegen beklaagde zal opleveren. Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen. De beslissing. Het hof wijst het beklag af. Aldus gegeven door mr. B.F. de Poorter, als voorzitter, mrs. R.R. Everaars-Katerberg en F.J.M. Walstock, als raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier. op 24 oktober 2006. Mr. Walstock is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.