Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BC0168

Datum uitspraak2007-12-12
Datum gepubliceerd2007-12-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1863 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag WAO-uitkering omdat betrokkene de in artikel 43a van de WAO neergelegde wachttijd van vier weken niet heeft vervuld.


Uitspraak

06/1863 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 maart 2006, 05/1833 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 december 2007 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2007. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen. II. OVERWEGINGEN Appellante, voorheen werkzaam als parttime- kantinemedewerkster, is wegens verschillende lichamelijke en psychische klachten langdurig arbeidsongeschikt geweest en heeft in verband hiermee tot 24 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is destijds na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek – waarbij voor appellante passend geachte deelttijdfuncties zijn geselecteerd – bij besluit van 21 december 1999 ingetrokken. Het beroep tegen de terzake afgegeven beslissing op bezwaar van 19 juni 2000 is door de rechtbank bij uitspraak van 30 augustus 2001 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak 11 mei 2004 (01/5146 WAO) bevestigd. Appellante heeft zich per 11 november 2002, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld. Terzake van dit ziektegeval is appellante uiteindelijk op 4 februari 2003, nadat zij aan verschillende oproepen niet had voldaan, verschenen op het spreekuur van een verzekeringsarts. Deze heeft informatie ingewonnen bij de behandelend reumatoloog van appellante en mede op grond hiervan geconcludeerd dat appelante geen afwijkingen had, waardoor zij ongeschikt was voor de haar in het verleden voorgehouden functies. Bij besluit van 5 februari 2003 is aan appellante dienovereenkomstig met ingang van 24 februari 2003 geen ziekengeld meer toegekend. Bij besluit van 31 maart 2003 is het bezwaar tegen voormeld besluit ongegrond verklaard. De rechtbank Maastricht heeft het beroep tegen het besluit van 31 maart 2003 op 17 september 2003 ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Raad is bevestigd bij uitspraak van 5 oktober 2005. Appellante heeft zich naar aanleiding van voormelde ziekmelding van 11 november 2002 tot het Uwv gewend met een aanvraag om vervroegde toekenning van uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 15 januari 2004 heeft het Uwv onder verwijzing naar artikel 43a van de WAO op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij besluit van 6 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv onder verwijzing naar artikel 39a van de WAO het bezwaar tegen voormeld besluit van 15 januari 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, nu dit berust op een onjuiste wettelijke grondslag, doch bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, aangezien de aanvraag van appellante naar het oordeel van de rechtbank terecht is afgewezen. De rechtbank heeft voor dit oordeel met name betekenis toegekend aan de bevindingen van de betrokken (bezwaar)verzekeringsarts. Verzekeringsarts R. Kox, die appellante lichamelijk en psychisch heeft onderzocht, heeft - aldus de rechtbank - aan de hand van zijn onderzoek en de in het dossier aanwezige medische gegevens vastgesteld dat de somatische en psychische belastbaarheid van appellante niet anders was dan aangegeven op het zogeheten FIS-formulier van 14 juli 1999. De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft zich na dossieronderzoek met dat oordeel verenigd, zoals weergegeven in haar rapport van 19 augustus 2005. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Dat aan appellante naar aanleiding van de ziekmelding d.d. 11 november 2002 tot 24 februari 2003, derhalve over een periode langer dan vier weken, een uitkering ingevolge de Ziektewet was toegekend maakte het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het toetsingskader van de Ziektewet geheel anders is dan de onderhavige beoordeling in het kader van de WAO. Van de zijde van appellante is in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat zij met ingang van 11 november 2002 langer dan vier weken ziekengeld heeft ontvangen. Dat houdt volgens appellante in dit geval in dat zij langer dan vier weken ongeschikt is geacht om de in het verleden in het kader van de WAO geselecteerde functies te verrichten, zijnde in dit geval de maatstaf arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet. Hiermee is volgens appellante de in artikel 43a van de WAO neergelegde wachttijd van vier weken vervuld. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan de rechtbank. Zoals bezwaarverzekeringsarts Jonker in een commentaar van 24 mei 2006 heeft opgemerkt, is appellante met ingang van 11 november 2002 slechts om redenen van zorgvuldigheid een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Uit het Afschrift Medische Kaart blijkt dat appellante na haar ziekmelding van 11 november 2002 verschillende keren is opgeroepen voor het spreekuur van de verzekeringsarts, maar daar telkens niet is verschenen. Uiteindelijk is zij eerst op 4 februari 2003 gezien door een verzekeringsarts, die haar bij die gelegenheid niet ongeschikt achtte voor de geselecteerde functies, waarna voormeld besluit van 5 februari 2003 is afgegeven. Onder deze omstandigheden kan niet staande worden gehouden dat appellante gedurende voormelde periode op medische gronden ongeschikt werd geacht voor meerbedoelde functies, zodat daaraan ook niet de conclusie kan worden verbonden dat hier de wachttijd van artikel 43a van de WAO was vervuld. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2007. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J. Verrips. TM