Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BH8129

Datum uitspraak2009-03-13
Datum gepubliceerd2009-03-26
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers08/993047-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank Almelo heeft een verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, wegens oplichting van investeerders/spaarders en van overtreding van de Wet toezicht kredietwezen 1992. Gedurende een periode van ruim 1 jaar heeft verdachte ruim 2 miljoen Euro aangetrokken bij particulieren, waarbij eerst de inleg werd gebruikt om de afgesproken rente uit te betalen. In totaal heeft verdachte 1.3 miljoen afgeroomd voor privégebruik en aflossing van zakelijke schulden. Verdachte is er de oorzaak van dat een aanmerkelijk aantal personen ernstig financieel is gedupeerd. Tien benadeelde partijen hebben hun vorderingen toegewezen gekregen tot de hoogte van de inleg minus de uitkering uit het faillissement van veroordeelde. De rechtbank heeft voorts een ontnemingsmaatregel opgelegd tot de hoogte van ruim € 700.000,- waarbij de te betalen civiele vorderingen zijn gekort op het gevorderde ontnemingsbedrag.


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Parketnummer: 08/993047-07 STRAFVONNIS Uitspraak: 13 maart 2009 De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Almelo, tegen: [VERDACHTE], geboren op [1953] te [GEBOORTEPLAATS], wonende te [WOONPLAATS], terechtstaande terzake dat: 1. Geregelde Zaken Holding BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode januari 2004 tot en met maart 2005, in de gemeente(n) Hengelo (Ov) en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen of een of meer van personen heeft bewogen tot de afgifte van het/de daarbij te noemen geldbedrag/geldbedragen, te weten van: L.A. Knegtering en/of F.A.M. Spee een geldbedrag van (ongeveer) Euro 75.000,- en/of M.B.M Nijland en/of H. Boer een geldbedrag van (ongeveer) Euro 50.000,- en/of F.W.M. Serné en/of S. Meijers een geldbedrag of geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) Euro 125.000,- en/of B. den Ouden en/of P.M.H. van der Meijs een geldbedrag van (ongeveer) Euro 45.000,- en/of G.T.T.M Nieuwenhuis en/of M.J.L. Reinders een geldbedrag van (ongeveer) Euro 73.406,01 en/of H.J. Wijngaards en/of C.A. Jansen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 52.500,- en/of H.J.M. Lucassen en/of J. Hinnen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 46.400,- en/of A.L. van Ginkel en/of G.M. Blom een geldbedrag van (ongeveer) Euro 77.250,- en/of T. van Veen en/of H.E.J. Smit een geldbedrag van (ongeveer) Euro 60.000,- en/of J.H. van Leeuwen en/of M.L. Hollewijn een geldbedrag van (ongeveer) Euro 78.750,- en/of R. Jansen en/of M. van Maas een geldbedrag van (ongeveer) Euro 71.000,- hebbende verdachte al dan niet tezamen en in vereniging met die andere rechtspersonen/rechtspersoon en/of met die natuurlijke personen/persoon met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid, aan die genoemde personen/persoon kenbaar gemaakt of kenbaar laten maken of voorgesteld of voor laten stellen de of een of meer van de navolgende beweringen: -dat de maandlasten van die personen/persoon omlaag gebracht konden worden; en/of -dat daartoe de bestaande hypotheeklening moest worden verhoogd en/of moest worden vervangen door een andere hogere hypotheeklening; en/of -dat de aldus beschikbare overwaarde in depot gezet kon worden en/of kon worden belegd en/of een rentegarantiecertficaat kon worden genomen; en/of -dat een maandelijks uit te betalen rente varieërend tussen de 7 en 9 procent op jaarbasis werd gegarandeerd; en/of -dat hogere hypotheeklasten moesten worden betaald, maar dat de rente, welke op het rentegarantiecertificaat werd betaald, daar vanaf kon worden getrokken; en/of -dat na afloop van de looptijd van de inleg of lening het volledige, ingelegde bedrag zou worden uitgekeerd; en/of -dat het ingelegde geld werd belegd in recreatiewoningen op recreatiegebied de Tolplas en/of met het geld in het depot door de Alkmaar bank gewerkt zou worden en/of het geld werd belegd op de kapitaalmarkt of in onroerend goed en/ of werd belegd in een fonds en/of werd belegd in luxe kantoorpanden en/of werd uitgeleend aan postorderbedrijven zoals Wehkamp, die haar klanten 16% berekende en dat daarvan 12 naar Geregelde Zaken Holding ging en dat daarvan 8 kwam bij de inlegger; en/of -dat het door de AFM was goedgekeurd en/of dat de risico's door de AFM en de Nederlandsche Bank waren gedekt en/of de transacties onder toezicht van de Nederlandse Bank stonden; en/of (vervolgens)(ter ondertekening) een rentegarantiecertificaat aangeboden of laten aanbieden, waarin (zakelijk weergegeven) stond vermeld, dat deelnemer was degene die een geldbedrag leende aan de geldnemer, dat de geldnemer een geldbedrag schuldig was aan de deelnemer, dat na het verstrijken van de termijn het totaal geplaatste kapitaal door de deelnemer kon worden opgeëist, dat de geldnemer verplicht was het geplaatste kapitaal geheel af te lossen, dat de afgesproken gegarandeerde rente in twaalf maandelijkse termijn aan de deelnemer werd uitbetaald; waardoor die genoemde personen/persoon (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, zulks terwijl zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en); art 326 Wetboek van Strafrecht 2. Geregelde Zaken Holding BV in de gemeente(n) Hengelo (Ov) en/of Enschede en/of (elders) in Nederland, op een of meer verschillende tijdstippen in de periode januari 2004 tot en met maart 2005, tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft gekregen en/of ter beschikking heeft gehad, in casu betrof het hiet gelden tot een totaal bedrag van (ongeveer) Euro 2.158.574,70 van tot het publiek behorende personen, waartoe behoorden na te noemen of een of meer van na te noemen personen met de/het daarbij genoemde geldbedragen/geldbedrag, te weten van: L.A. Knegtering en/of F.A.M. Spee een geldbedrag van (ongeveer) Euro 75.000,- en/of M.B.M Nijland en/of H. Boer een geldbedrag van (ongeveer) Euro 50.000,- en/of F.W.M. Serné wn/of S. Meijers een geldbedrag of geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) Euro 125.000,- en/of B. den Ouden en/of P.M.H. van der Meijs een geldbedrag van (ongeveer) Euro 45.000,- en/of G.T.T.M Nieuwenhuis en/of M.J.L. Reinders een geldbedrag van (ongeveer) Euro 73.406,01 en/of H.J. Wijngaards en/of C.A. Jansen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 52.500,- en/of H.J.M. Lucassen en/of J. Hinnen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 46.400,- en/of A.L. van Ginkel en/of G.M. Blom een geldbedrag van (ongeveer) Euro 77.250,- en/of T. van Veen en/of H.E.J. Smit een geldbedrag van (ongeveer) Euro 60.000,- en/of J.H. van Leeuwen en/of M.L. Hollewijn een geldbedrag van (ongeveer) Euro 78.750,- en/of R. Jansen en/of M. van Maas een geldbedrag van (ongeveer) Euro 71.000,- zulks terwijl zij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en); art 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992 Gezien de stukken; Gelet op het onderzoek ter terechtzitting; Gehoord de vordering van de officier van justitie; Gelet op de verdediging door en/of namens verdachte gevoerd; De rechtbank heeft de in de tenlastelegging begane kennelijke schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt daardoor in haar verdediging niet geschaad. Terzake van het telastegelegde feit 2 heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 lid 1 van het Verdag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waardoor het Openbaar Ministerie in zijn vervolging terzake van dit feit niet-ontvankelijk is. De rechtbank is van oordeel, dat in het onderhavige geval de redelijke termijn, waarvan in art. 6 lid 1 EVRM sprake is, niet is overschreden, zodat het Openbaar Ministerie in de vervolging wel ontvankelijk wordt geacht. Immers nadat op 21 april 2006 aangifte was gedaan van het onderhavige feit heeft de eerste daad van vervolging waaruit verdachte in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie voornemens was tegen haar een strafvervolging in te stellen eerst op 12 maart 2007 (aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte) plaatsgevonden. Derhalve kan niet gezegd worden dat genoemde redelijke termijn door het Openbaar Ministerie niet in acht genomen is, zodat het verweer wordt verworpen. De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat haar cliënt ter zake van feit 2 geen opzet heeft gehad nu zij zich niet bewust is geweest van het feit dat haar handelen strafbaar is. Verdachte dient derhalve van de opzetvariant van het onder sub 2 tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken. Vervolgens resteert de overtredingsvariant van het feit, doch daarvan is volgens de raadsvrouwe het recht op vervolging verjaard en dient het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging. De rechtbank is van oordeel dat dit verweer geen doel treft. Het hiervoor bewezenverklaarde feit sub 2 betreft het opzettelijk overtreden van een verbodsbepaling. Onder opzet in dit verband moet naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan kleurloos opzet en dus géén boos opzet (zijnde een strafbaarheidsbewustzijn). De dader van een economisch delict als het onderhavige is strafbaar als hij willens en wetens heeft gehandeld of nagelaten zoals in de (straf)bepaling is omschreven. Níet vereist is dat de dader zich bewust is geweest van het feit dat zijn handelen strafbaar was. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 24 april 2007 (gepubliceerd in NJ 2007, 544). Het Openbaar Ministerie is derhalve ook ontvankelijk in zijn vervolging van feit 2. De rechtbank is door de inhoud van wettige bewijsmiddelen -die in de gevallen waarin de wet aanvulling van dit (verkorte) vonnis met de bewijsmiddelen vereist, in een aan dit vonnis te hechten bijlage zullen worden opgenomen- waarop na te melden beslissing steunt, tot de overtuiging gekomen en acht wettig bewezen dat verdachte het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. Geregelde Zaken Holding BV in de periode januari 2004 tot en met maart 2005, in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, na te noemen personen heeft bewogen tot de afgifte van de daarbij te noemen geldbedragen, te weten van: L.A. Knegtering en/of F.A.M. Spee een geldbedrag van (ongeveer) Euro 75.000,- en M.B.M Nijland en/of H. Boer een geldbedrag van (ongeveer) Euro 50.000,- en F.W.M. Serné en/of S. Meijers een geldbedrag of geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) Euro 125.000,- en B. den Ouden en/of P.M.H. van der Meijs een geldbedrag van (ongeveer) Euro 45.000,- en G.T.T.M Nieuwenhuis en/of M.J.L. Reinders een geldbedrag van (ongeveer) Euro 73.406,01 en H.J. Wijngaards en/of C.A. Jansen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 52.500,- en H.J.M. Lucassen en/of J. Hinnen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 46.400,- en A.L. van Ginkel en/of G.M. Blom een geldbedrag van (ongeveer) Euro 77.250,- en T. van Veen en/of H.E.J. Smit een geldbedrag van (ongeveer) Euro 60.000,- en J.H. van Leeuwen en/of M.L. Hollewijn een geldbedrag van (ongeveer) Euro 78.750,- en R. Jansen en/of M. van Maas een geldbedrag van (ongeveer) Euro 71.000,- hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven – listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, aan die genoemde personen kenbaar gemaakt of kenbaar laten maken of voorgesteld of voor laten stellen een of meer van de navolgende beweringen: -dat de maandlasten van die personen omlaag gebracht konden worden; en/of -dat daartoe de bestaande hypotheeklening moest worden verhoogd en/of moest worden vervangen door een andere hogere hypotheeklening; en/of -dat de aldus beschikbare overwaarde in depot gezet kon worden en/of kon worden belegd en/of een rentegarantiecertficaat kon worden genomen; en/of -dat een maandelijks uit te betalen rente variërend tussen de 7 en 9 procent op jaarbasis werd gegarandeerd; en/of -dat hogere hypotheeklasten moesten worden betaald, maar dat de rente, welke op het rentegarantiecertificaat werd betaald, daar vanaf kon worden getrokken; en/of -dat na afloop van de looptijd van de inleg of lening het volledige, ingelegde bedrag zou worden uitgekeerd; en/of -dat het ingelegde geld werd belegd in recreatiewoningen op recreatiegebied de Tolplas en/of het geld werd belegd in onroerend goed en/of werd belegd in een fonds en/of werd belegd in luxe kantoorpanden; en/of -dat het door de AFM was goedgekeurd en dat de risico's door de AFM waren gedekt; en/of vervolgens ter ondertekening een rentegarantiecertificaat aangeboden of laten aanbieden, waarin (zakelijk weergegeven) stond vermeld, dat deelnemer degene was die een geldbedrag leende aan de geldnemer, dat de geldnemer een geldbedrag schuldig was aan de deelnemer, dat na het verstrijken van de termijn het totaal geplaatste kapitaal door de deelnemer kon worden opgeëist, dat de geldnemer verplicht was het geplaatste kapitaal geheel af te lossen, dat de afgesproken gegarandeerde rente in twaalf maandelijkse termijn aan de deelnemer werd uitbetaald; waardoor die genoemde personen/persoon telkens werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte, zulks terwijl zij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen; 2. Geregelde Zaken Holding BV in Nederland, in de periode januari 2004 tot en met maart 2005, telkens opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken en ter beschikking heeft gekregen en ter beschikking heeft gehad, in casu betrof het hier gelden tot een totaal bedrag van (ongeveer) Euro 2.158.574,70 van tot het publiek behorende personen, waartoe behoorden na te noemen personen met de daarbij genoemde geldbedragen, te weten van: L.A. Knegtering en/of F.A.M. Spee een geldbedrag van (ongeveer) Euro 75.000,- en M.B.M Nijland en/of H. Boer een geldbedrag van (ongeveer) Euro 50.000,- en F.W.M. Serné wn/of S. Meijers een geldbedrag of geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) Euro 125.000,- en B. den Ouden en/of P.M.H. van der Meijs een geldbedrag van (ongeveer) Euro 45.000,- en G.T.T.M Nieuwenhuis en/of M.J.L. Reinders een geldbedrag van (ongeveer) Euro 73.406,01 en H.J. Wijngaards en/of C.A. Jansen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 52.500,- en H.J.M. Lucassen en/of J. Hinnen een geldbedrag van (ongeveer) Euro 46.400,- en A.L. van Ginkel en/of G.M. Blom een geldbedrag van (ongeveer) Euro 77.250,- en T. van Veen en/of H.E.J. Smit een geldbedrag van (ongeveer) Euro 60.000,- en J.H. van Leeuwen en/of M.L. Hollewijn een geldbedrag van (ongeveer) Euro 78.750,- en R. Jansen en/of M. van Maas een geldbedrag van (ongeveer) Euro 71.000,- zulks terwijl zij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen; Tot deze beslissing geven reden de in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden, waarbij de inhoud van die bewijsmiddelen telkens alleen is gebezigd tot bewijs van het telastegelegde feit, waarop deze inhoud in het bijzonder betrekking heeft. De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het bewezen verklaarde levert op: wat betreft sub 1, het misdrijf: "Oplichting begaan door een rechtspersoon, terwijl (zij) verdachte tot het feit opdracht heeft gegeven danwel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd", strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht; en wat betreft sub 2, het misdrijf: “Opzettelijk handelen in strijd met artikel 82 lid 1 Wet toezicht kredietwezen 1992, begaan door een rechtspersoon, terwijl (zij) verdachte tot het feit opdracht heeft gegeven danwel feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd”, strafbaar gesteld bij artikel 6 van de Wet op de economische delicten juncto artikel 51van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte is strafbaar, aangezien niet is gebleken van een haar strafbaarheid uitsluitende omstandigheid. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte, terzake de feiten sub 1 en sub 2 wordt veroordeeld tot een taakstraf zijnde een werkstraf van 240 uur bij niet vervullen te vervangen door 120 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar met een proeftijd van 2 jaar en met toewijzing van de ingediende civiele vorderingen met dien verstande dat 85% van die vorderingen moet worden toegewezen en dat die vorderingen voor de resterende bedragen, nu deze niet van eenvoudige aard zijn, niet ontvankelijk moeten worden verklaard met oplegging daarbij van de zogenaamde Terwee-maatregel. De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard van de feiten sub 1 en sub 2, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende is overwogen: Verdachte heeft zich voorgedaan als een bonafide financieel adviesbureau en als aanbieder van een veilig beleggingsproduct, het rentegarantiecertificaat, terwijl verdachte in werkelijkheid niet beschikte over een vergunning om bedrijfsmatig gelden van het publiek uit Nederland aan te trekken. (Verdachte) heeft ter terechtzitting verklaard dat zij gedurende de tenlastegelegde periode de feitelijke leiding heeft gehad van de Geregelde Zaken Holding BV en dat zij opdracht heeft gegeven aan haar werknemers voornoemd rentegarantiecertificaat aan de man te brengen. Verdachte wist met dit product het vertrouwen van de klanten te winnen door hen het verhaal te vertellen en door haar buitendienstmedewerkers te laten vertellen, dat haar firma kon beschikken over een exclusief beleggingsproduct met een hoog rendement en een gewaarborgde inleg. De klanten ontvingen een aantal keren zogenaamde rendementen op het uitgeleende geld, maar wisten niet dat dit geen rendementen waren maar dat de betalingen afkomstig waren uit de inleg van nieuwe klanten. Uit het onderhavige dossier komt naar het oordeel van de rechtbank niet naar voren dat verdachte de door de deelnemers ingelegde gelden heeft belegd in die instrumenten zoals zij haar klanten voorwendde. Zij heeft daardoor de beschikking gekregen over een geldbedrag van ongeveer € 2.158.574,70. Uit het dossier blijkt dat verdachte geld heeft afgeroomd uit de inleg van de geldleners zonder dat zij dat wisten. Verdachte heeft dat ter terechtzitting ook verklaard. Zo heeft verdachte oude schulden afgelost, kantoormeubilair, auto’s en feesten gefinancierd uit de inleggelden. In totaal heeft verdachte ongeveer € 1.314.725,= afgeroomd voor eigen gebruik. Zij heeft op dit punt haar klanten misleid. De toegezegde rendementen zijn niet of nauwelijks betaald en zelfs de ingelegde gelden zijn verloren gegaan. Verdachte heeft slechts oog gehad voor eigen gewin. Door deze handelwijze heeft verdachte er voor gezorgd dat een groot aantal personen in de financiële problemen is gekomen. Naast de financiële schade die geleden is heeft verdachte ook het vertrouwen van het publiek in het financiële stelsel beschadigd. Verdachte heeft ter zitting niet de indruk gewekt dat zij het laakbare van haar handelen inziet. Zij praat er naar het oordeel van de rechtbank luchtigjes over en heeft tijdens de zitting nog papieren overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zonder ingrijpen door de Nederlandse Bank en justitie het rendement ruimschoots zou zijn gehaald. Verdachte dient te worden ingeprent dat haar handelwijze niet wordt geaccepteerd. Gelet op de ernst van de feiten, de periode waarin de feiten zijn gepleegd, het geldbedrag waarom het hier gaat en het leed dat verdachte heeft berokkend bij de slachtoffers zal de rechtbank een hogere straf opleggen dan die door de officier van justitie is geëist. Daarbij heeft de rechtbank wel rekening gehouden met het blanco strafblad van verdachte en de zeer ingrijpende gevolgen die het ontdekken van de strafbare feiten voor verdachte en haar familie hebben gehad. Verdachtes maatschappelijke positie is sterk aangetast en op haar huidige en toekomstige vermogen zal de enorme schuld worden verhaald. De rechtbank zal daarom een deel van die vrijheidstraf voorwaardelijk opleggen teneinde haar te laten realiseren dat zij in een proeftijd loopt en dat bij hernieuwde overtredingen de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd, naast de straffen voor de nieuwe overtredingen, die doorgaans, indien sprake is van recidive, hoger zullen worden. De rechtbank overweegt verder dat 10 benadeelde partijen zich ter zake van voornoemde feiten via het in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven formulier als benadeelde partij hebben gevoegd in het strafproces, en op de voet van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave hebben gedaan van de vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze (niet gemotiveerd door verdachte betwiste) vorderingen van de benadeelde partijen ten dele gegrond, aangezien op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de hierna genoemde benadeelde partijen door de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de ingediende vorderingen steeds alleen kunnen worden toegewezen tot de hoogte van de inleg wat daarop is uitgekeerd door de curator. De rechtbank is voorts van oordeel dat de kosten terzake van de gevorderde rente, misgelopen termijnen en immateriële schadevergoedingen wegens niet van zo eenvoudige aard niet voor toewijzing in aanmerking komen, zodat voor de navolgende benadeelde partijen de navolgende bedragen worden toegewezen: • (benadeelde 1), een bedrag van € 58000,=, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 2), een bedrag van € 60550,=, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 3), een bedrag van € 47871,02, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 4), een bedrag van € 59838,77, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 5), een bedrag van € 37020,25, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 6), een bedrag van € 39892,52, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 7), een bedrag van € 57338,77, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 8), een bedrag van € 35903,= met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 9), een bedrag van € 93481,29, met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. • (benadeelde 10), een bedrag van € 45515,38 met niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering. De na te melden straf is gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 1 en 2 van de Wet op Economische Delicten. R E C H T D O E N D E: Verklaart de officier van justitie ontvankelijk terzake van feit 2. Verklaart bewezen, dat het sub 1 en sub 2 tenlastegelegde zoals boven omschreven door verdachte is begaan. Verstaat, dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven vermeld. Verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte ter zake daarvan tot een gevangenisstraf voor de tijd van 20 maanden. Beveelt dat van de gevangenisstraf een gedeelte groot 10 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij op twee jaren wordt bepaald, aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. Veroordeelt verdachte, terzake van de bewezen verklaarde feiten sub 1 en sub 2 tot betaling aan de voornoemde benadeelde partijen van de bedragen die daarbij staan genoemd. Bepaalt dat voornoemde benadeelde partijen voor een deel niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, en dat de benadeelde partijen die vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte sub 1 en sub 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij; Aldus gewezen door mr. Lorist, voorzitter, mr. Koopmans en mr. Stam, rechters, in tegenwoordigheid van Veldhuis, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 maart 2009.