Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA1767

Datum uitspraak1996-12-11
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers31623
Statusgepubliceerd


Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van Dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden te Gorinchem tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 oktober 1995 betreffende de door het Hoogheemraadschap wegens de verlening van na te melden vergunning van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PTT Telecom B.V. te Rotterdam geheven leges. 1. Heffing en bezwaar Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 26 april 1994, - verder in overeenstemming met artikel 125 van de Waterschapswet: de aanslag - ter zake van het verlenen van een vergunning voor de uitvoering van kabelwerkzaamheden ten behoeve van het telefoonnet een bedrag van ƒ 375,-- aan leges geheven, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Dijkgraaf en hoogheemraden is gehandhaafd. 2. Keur en Legesverordening 2.1. De Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden - hierna: de Verenigde Vergadering - heeft bij besluit van 15 september 1988 vastgesteld de Keur van het Hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden - hierna: de Keur - waarvan de voor dit geding van belang zijnde bepalingen luiden als volgt: "Artikel In deze keur wordt verstaan onder: (...); het bestuur: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden; (...). Artikel 4. Het bestuur is bevoegd van de in de keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen af te wijken en bij schriftelijk besluit vergunning te verlenen en een verleende vergunning te wijzigen of in te trekken, indien de bescherming van de belangen, om welke het vereiste van vergunning is gesteld, zulks vordert. Artikel 15. Het is (...) betreffende de hoofdwaterkering verboden: (...); 10. (...) kabels en dergelijke hierin of hierop te leggen, te verleggen, te herstellen, te vernieuwen, op te ruimen of te hebben;". 2.2. Bij besluit van 21 november 1991 heeft de Verenigde Vergadering de Legesverordening Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden 1992 met de daarbij behorende Tarieventabel vastgesteld. Bij besluit van 24 maart 1993 is deze Legesverordening gewijzigd en de Tarieventabel vervangen door de Tarieventabel 1993. De hier van belang zijnde bepalingen van de Legesverordening luiden als volgt: "Artikel Onder de naam leges worden rechten geheven ter zake van het door of vanwege het hoogheemraadschap verlenen van diensten genoemd in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende tabel, hierna te noemen "(de) tabel". Artikel 2. 1. De leges worden geheven van de aanvrager of verzoeker, dan wel van degene ten behoeve van wie de dienst wordt verleend. 2. (...). Artikel 3. De leges worden geheven naar de maatstaf en het tarief, opgenomen in de bij deze verordening behorende tabel." Hoofdstuk V van de tarieventabel luidt voor zover van belang als volgt: "Keurontheffingen met betrekking tot waterkeringen als genoemd in hoofdstuk III van de keur van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een vergunning bedraagt ter zake van: (...) 5.4 het leggen, verleggen, herstellen, vernieuwen en opruimen van (buis)leidingen en kabels enz., daaronder begrepen transportleidingen voor gas, olie en (rioolwater): ƒ 375,00." 3. Geding voor het Hof Belanghebbende is van de uitspraak van Dijkgraaf en hoogheemraden in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 4. Geding in cassatie Dijkgraaf en hoogheemraden hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 5. Beoordeling van het middel 5.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Op verzoek van belanghebbende hebben Dijkgraaf en hoogheemraden op grond van artikel 4 van de Keur bij besluit van 30 november 1993 aan haar, onder voorwaarden, vergunning verleend "tot het leggen hebben van een telefoonkabel in kruising met de dijk, zulks aan de binnen-/buitenzijde van de a-dijk (...)". De zorg voor deze dijk - een hoofdwaterkering in de zin van de Keur - berust bij het Hoogheemraadschap. In verband met het verlenen van bovengenoemde vergunning hebben Dijkgraaf en hoogheemraden aan belanghebbende de bestreden aanslag opgelegd. 5.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de schadevergoedingsregeling van de artikelen 32, 33, 34 en 39 van de Wet op de telecommunicatievoorzieningen (hierna: WTV) aan het opleggen van de onderhavige aanslag in de legesheffing in de weg staat. Dit oordeel berust op de overwegingen dat in de WTV een uitputtende regeling is getroffen aangaande de mogelijkheden tot verhaal van kosten verbonden aan het leggen van de in de WTV bedoelde kabels en dat niet valt in te zien dat de kosten verbonden aan het verlenen van een vergunning niet zouden moeten worden gerekend tot de schade als bedoeld in artikel 32 WTV. Het middel bestrijdt deze beide overwegingen. 5.3. Op grond van artikel 32 WTV is een ieder verplicht, behoudens het recht op schadevergoeding, de aanleg en de instandhouding van kabels ten dienste van de telecommunicatie-infrastructuur in en op openbare gronden te gedogen. Hierbij dient de houder van de concessie voor de aanleg en instandhouding van zo'n kabel met degeen op wie de gedoogplicht rust naar overeenstemming te streven over de plaats en wijze van de uitvoering van het werk (artikel 33 WTV). Artikel 34 WTV beperkt de in artikel 32 bedoelde schadevergoeding voor eigenaren en beheerders van openbare gronden tot vergoeding van de kosten der voorzieningen en van de meerdere kosten van onderhoud. Artikel 39 WTV regelt de bevoegdheid van de kantonrechter ten aanzien van geschillen over de schadevergoeding. 5.4. Het Hof heeft terecht en in cassatie niet bestreden voorop gesteld - kort samengevat - dat Dijkgraaf en hoogheemraden bevoegd zijn in het kader van de hun toevertrouwde behartiging van waterstaatkundige belangen voorwaarden te verbinden aan het gebruik van de waterstaatswerken in het gebied van het Hoogheemraadschap. In dat verband heeft het Hof eveneens terecht en in cassatie onbestreden overwogen dat de in artikel 32 WTV omschreven gedoogplicht geen inbreuk maakt op de hiervoor onder 2.1 aangehaalde regeling krachtens welke Dijkgraaf en hoogheemraden bevoegd zijn bij wijze van vergunning ontheffing te verlenen van het verbod kabels in de a-dijk te leggen en dat zij weliswaar zo'n ontheffing moeten verlenen, maar daaraan waterstaatkundige voorwaarden mogen verbinden. 5.5. Gegeven deze bevoegdheid tot het verlenen van ontheffingen volgt uit het bepaalde in artikel 115, lid 1, aanhef en onder c van de Waterschapswet dat Dijkgraaf en hoogheemraden in beginsel ook bevoegd zijn om ter zake van het behandelen van verzoeken tot het verlenen van zo'n ontheffing rechten te heffen. De vraag is dan of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de onder 5.3 hiervoor weergegeven regeling van de WTV dwingt tot het aanvaarden van een uitzondering op dat beginsel. 5.6. Uit artikel 32 WTV volgt dat degene op wie de aldaar geregelde gedoogplicht voor de aanleg en instandhouding van kabels rust, te dier zake uitsluitend recht heeft op schadevergoeding. Dit brengt mede dat een waterschap als op haar zodanige gedoogplicht rust - gelijk hier het geval is - geen andere vergoeding kan vorderen, ook niet langs de weg van een publiekrechtelijke heffing, zoals bij voorbeeld een precariobelasting als geregeld in artikel 114 van de Waterschapswet. De heffing van leges voor de behandeling van een verzoek om ontheffing van een verbod kabels te leggen kan echter niet worden beschouwd als een vergoeding voor het gedogen van het na die ontheffing veelal, maar niet noodzakelijkerwijs altijd, volgende gebruik van de grond voor de aanleg en instandhouding van kabels. 5.7. Het middel slaagt en de uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. 6. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 7. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van Dijkgraaf en hoogheemraden. Dit arrest is op 11 december 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.