Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA2723

Datum uitspraak1999-04-07
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers34337
Statusgepubliceerd


Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. tegen de uit spraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 10 maart 1998 betreffende na te melden ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 30e, lid 1, (tekst 1993) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is bij beschikking van de Inspecteur van 5 april 1993 over het bedrag van de aan haar opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1991, heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van f 82.260,--. In het tegen die beschikking gemaakte bezwaar is belanghebbende bij uitspraak van de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, opgericht bij notariële akte van 27 november 1990, drijft met ingang van 1 januari 1990 een onderneming. Deze onderneming werd tot en met 1989 gedreven door A B.V., een met belanghebbende gelieerde vennootschap als bedoeld in punt 7 van na te noemen Besluit. Belanghebbende heeft zich begin januari 1991 bij de belastingdienst als ondernemer aangemeld. De belastingdienst heeft, na herhaalde verzoeken van belanghebbende haar een omzetbelastingnummer toe te kennen en haar aangiftebiljetten uit te reiken, belanghebbende intern op 9 november 1992 een omzetbelastingnummer toegekend en haar daarvan op 26 november 1992 in kennis gesteld. Vervolgens is aan belanghebbende op 27 november 1992 voor het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1991 een aangiftebiljet omzetbelasting uitgereikt. Dit aangiftebiljet is, ingevuld en ondertekend, bij de belastingdienst ingekomen op 12 januari 1993. Op grond van deze aangifte is aan belanghebbende voor het genoemde tijdvak onder dagtekening 24 februari 1993 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 461.602,--. A B.V. had, niet namens belanghebbende maar alsof het een eigen schuld was, de door belanghebbende over genoemd tijdvak verschuldigde omzetbelasting tot een bedrag van f 461.602,-- reeds op aangifte voldaan. Op 11 januari 1993 heeft A B.V. een bezwaarschrift ingediend tegen dit op aangifte voldane bedrag. De Inspecteur heeft tot het bedrag van f 461.602,-- teruggaaf verleend. Hierbij is overeenkomstig de wettelijke regels heffingsrente tot een bedrag van f 71.206,-- vergoed. Voor de aan belanghebbende opgelegde nahef- fingsaanslag in de omzetbelasting heeft de Inspecteur bij beschikking van 5 april 1993 f 82.260,-- heffingsrente in rekening gebracht overeenkomstig de wettelijke regels. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de in 2.10 van zijn uitspraak aangehaalde gedeelten van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 17 februari 1995, V-N 1995, blz. 1067 e.v. (hierna: het Besluit) niet in de weg staan aan het in rekening brengen van heffingsrente aan belanghebbende. Naar het oordeel van het Hof dient volgens antwoord 7, laatste volzin, aan belanghebbende heffingsrente in rekening te worden gebracht en is in dit antwoord 7 onder woorden gebracht dat het in antwoord 10 omschreven soepele beleid niet dient te worden gevolgd in gevallen als het onderhavige. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat ook bij een andere uitleg van het Besluit gevallen als het onderhavige, zoals dan zou moeten worden afgeleid uit vraag/antwoord 7 en vraag/antwoord 10, in hun onderlinge samenhang gelezen, zouden moeten worden bestempeld als uitzonderingsgevallen, welke niet in aanmerking komen voor toepassing van soepele beleidsregels, maar voor onverkorte toepassing van de wettelijke heffingsrenteregeling. 3.3. Het middel van cassatie, dat zich keert tegen deze oordelen, is gegrond. Het Besluit moet worden aangemerkt als "recht" in de zin van artikel 99 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Nu in het Besluit de onderlinge verhouding tussen de antwoorden op de vragen 7 en 10 niet nader is geregeld en een toelichting op het Besluit, waaruit anders zou kunnen worden afgeleid, ontbreekt, dient de slotzin van het antwoord op vraag 7 aldus te worden uitgelegd dat in het - zich hier voordoende - geval dat een gelieerde vennootschap de omzetbelasting niet namens de (belastingplichtige) zustervennootschap maar als een eigen schuld heeft voldaan en derhalve recht heeft op teruggaaf en vergoeding van heffingsrente, aan die zustervennootschap heffingsrente in rekening dient te worden gebracht overeenkomstig het antwoord op vraag 10, dat wil zeggen - indien de zustervennootschap zich tijdig bij de belastingdienst heeft aangemeld - met inachtneming van het in dat antwoord uiteengezette soepele beleid ten aanzien van startende ondernemers die zich tijdig hebben aangemeld. Er is geen goede grond aan te nemen dat is be- doeld in het in antwoord 7 behandelde geval een uitzondering te maken op het in antwoord 10 uiteengezette beleid ten aanzien van startende ondernemers, omdat dan voor de hand had gelegen te bepalen dat heffingsrente "in afwijking van" het antwoord op vraag 10 in rekening dient te worden gebracht in plaats van "overeenkomstig" dat antwoord. Voorts valt niet in te zien waarom de besluitgever zou hebben beoogd een startende ondernemer te wiens behoeve een gelieerde vennootschap de omzetbelasting voorlopig heeft voldaan ongunstiger te behandelen dan een startende ondernemer bij wie dat niet het geval is. 3.4. 's Hofs uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Nu het Hof feitelijk heeft vastgesteld dat belanghebbende zich binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar, waarin zij is gestart, heeft aangemeld bij de belastingdienst, komt zij in aanmerking voor het in vraag/antwoord 10 van het Besluit bedoelde soepele beleid. Mede gelet op het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 26 oktober 1995, V-N 1995, blz. 3937, houdt dat soepele beleid in dat in die gevallen geen heffingsrente in rekening wordt gebracht. Derhalve dient de beschikking van 5 april 1993 te worden vernietigd. 4. Proceskosten De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. 5. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur, - vernietigt de bestreden beschikking, - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 4.260,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, - wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en - gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 75,-- derhalve in totaal f 390,--. Dit arrest is op 7 april 1999 vastgesteld door de raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.