Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA3105

Datum uitspraak1995-12-06
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers30593
Statusgepubliceerd


Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 augustus 1994 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 93.091,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 91.414,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Op 21 mei 1987 zijn de aandelen in belanghebbende overgegaan in handen van F en C. Op 15 januari 1988 zijn de statuten van belanghebbende gewijzigd. In 1988 heeft belanghebbende door de aankoop op 15 januari voor ƒ 382.151,-- en de verkoop op 14 april voor ƒ 489.885,-- van de onroerende zaak b-weg 93 te S een voordeel - na afschrijving - van ƒ 110.074,-- genoten. In 1988 heeft belanghebbende nog de onroerende zaken c-weg nrs. 125, 175 en 177 gekocht. Genoemd nr. 177 is in 1989 verkocht. 3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 1980, BNB 1980/304, terecht de status van beleggingsinstelling heeft geweigerd aan belanghebbende, wier statutaire doelstelling sinds 15 januari 1988 mede omvat "het oprichten, verwerven en financieren van, het deelnemen in, het samenwerken met en het voeren van de directie over andere ondernemingen". 3.2.2. Middel I, dat zich met een motiveringsklacht tegen dit oordeel keert, miskent dat genoemd arrest aansluit bij de voor het onderwerpelijke jaar nog geldende tekst van artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, die bepaalt dat als beleggingsinstellingen worden aangemerkt binnen het Rijk gevestigde vennootschappen en fondsen voor gemene rekening welker doel en feitelijke werkzaamheid bestaan in het beleggen van vermogen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend in effecten, onroerend goed en hypothecaire schuldvorderingen. Middel I faalt derhalve. 3.3.1. Omtrent de vraag of belanghebbende ter zake van voornoemde verkoop van de onroerende zaak b- weg 93 aanspraak heeft op vorming van een vervangingsreserve, heeft het Hof overwogen dat belanghebbende tegenover de betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in feite op de wijze bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 11 maart 1953, BNB 1953/119, de exploitatie van de onroerende zaak b-weg 93 ter hand heeft genomen, en dat daaraan niet afdoen belanghebbendes stellingen dat het doel van haar aandeelhouders was voor gemeenschappelijke rekening onroerende zaken aan te kopen en te exploiteren en dat tot verkoop is besloten, omdat bleek dat eigen exploitatie nimmer tot een resultaat gelijkwaardig aan de te realiseren verkoopwinst zou kunnen leiden. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur terecht de onroerende zaak voor belanghebbende niet als een bedrijfsmiddel heeft aangemerkt en haar vorming van een vervangingsreserve met betrekking tot de verkoop van de onroerende zaak heeft geweigerd. 3.3.2. Tegen de hiervóór in 3.3.1. vermelde oordelen richt zich middel II met de klacht dat het Hof onvoldoende waarde heeft gehecht aan het oogmerk van exploitatie bij belanghebbende. Deze klacht treft doel. Tot de bedrijfsmiddelen behoren immers - in overeenstemming met hetgeen door de Hoge Raad in het in 3.3.1 genoemde arrest is beslist - niet slechts onroerende zaken, waarvan de exploitatie al of niet noodgedwongen tijdelijk ter hand is genomen, maar ook onroerende zaken welke zijn verworven met de overheersende bedoeling deze in de onderneming te exploiteren. Het Hof heeft derhalve door voor de beantwoording van de vraag of de onroerende zaak b-weg 93 als bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt, slechts te onderzoeken of belanghebbende de exploitatie van deze onroerende zaak ter hand had genomen, een onjuiste maatstaf aangelegd. 3.3.3. Voor zover middel II voorts betoogt dat het Hof, door over 1988 aan belanghebbende vermogensaftrek toe te staan, implicite de vermogensbestanddelen als bedrijfsmiddelen heeft aangemerkt, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien wordt miskend dat ook voor vermogensbestanddelen welke tot de voorraad behoren, aanspraak op vermogensaftrek bestaat. 3.4. Gelet op het hiervóór in 3.3.2 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald. 5. Beslissing De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na heden zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie. Dit arrest is op 6 december 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, Van der Putt-Lauwers en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.