Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA5301

Datum uitspraak2000-03-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers2200205199 1100600599
Statusgepubliceerd


Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken ARREST gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en de officier van justitie tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 3 augustus 1999 in de strafzaak tegen A., geboren op , thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting x" te y. 1. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 april 1999, 16 april 1999, 23 april 1999 en 20 juli 1999 en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 17 januari 2000, 7 februari 2000, 13 maart 2000, 14 maart 2000 en 15 maart 2000. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2000 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën gevoegd in dit arrest. 3. Beoordeling van het vonnis Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. 4. Vrijspraak Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. 5. Bewezenverklaring 5.1 Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt. 5.2 Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5.3 Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging. 6. Verwerping van het verweer met betrekking tot onrechtmatig verkregen bewijs. 6.1.1 De raadsman heeft gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat de door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen zijn afgedwongen op een wijze die strijdig is met de pressieverboden van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, zodat deze verklaringen niet tot bewijs mogen worden gebruikt. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd hetgeen is weergegeven in zijn pleitnota waarvan een kopie aan het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2000 is gehecht. 6.1.2 Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daarbij als volgt. Uit het door de politie opgemaakt proces-verbaal en uit de verhoren door de rechter-commissaris van de betrokken politieambtenaren blijkt het volgende. 6.1.3 Het politieverhoor tijdens welk de verdachte is gaan bekennen is aangevangen op 13 januari 1999 te ± 19.30 uur. Voorafgaand is aan de verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Tot ± 24.00 uur is diverse malen gepauzeerd. Tussen ± 24.00 uur en ± 00.30 uur is de verdachte alleen geweest. Om ± 00.30 uur is het verhoor hervat. De verdachte heeft toen desgevraagd verklaard tegen voortzetting van het verhoor geen bezwaar te hebben. Vanaf laatstgenoemd tijdstip had het verhoor een confronterend karakter. Op sommige momenten is met stemverheffing tegen de verdachte gesproken. Om ± 1.40 uur heeft de verdachte gevraagd een advocaat te mogen raadplegen. Nadat de politieambtenaren hem erop hadden gewezen dat zulks gezien het late uur problematisch zou zijn, heeft de verdachte verdere medewerking aan het verhoor verleend. Vervolgens heeft de verdachte om ± 2.30 uur gevraagd verder verhoor tot de volgende ochtend uit te stellen. Op dat moment betrad een andere politieambtenaar het verhoorvertrek die de verdachte indringend vroeg wie er had geschoten. De verdachte heeft daarop een bekennende verklaring afgelegd. Het verhoor is ± 04.00 uur beëindigd. 6.1.4 Het vorenstaande leidt naar 's hofs oordeel niet tot het door de raadsman ingenomen standpunt. Uit het vorenstaande valt immers niet af te leiden dat zich op enig moment een situatie heeft voorgedaan waarin de verdachte tegen zijn wil is gedwongen aan het verhoor mee te werken. De lange duur van het verhoor, het deels nachtelijke tijdstip daarvan, de confrontatie en het spreken met stemverheffing door de politie tegen de verdachte zijn voorts naar 's hofs oordeel niet als rechtens ongeoorloofd te beschouwen, mede gezien het belang van de waarheidsvinding met betrekking tot het zeer ernstige feit waarvan verdenking bestond. 6.1.5 Op 14 januari 1999 is de verdachte geleid voor de officier van justitie en vervolgens voor de rechter-commissaris. Bij die gelegenheden heeft de verdachte wederom een bekennende verklaring afgelegd. Bij het verhoor door de rechter-commissaris werd de verdachte bijgestaan door zijn raadsman. Het hof is van oordeel dat ook met betrekking tot deze verklaringen geen sprake is van afgedwongen bekentenissen als door de raadsman bedoeld. Met name kan het feit dat de nachtrust die de verdachte genoot volgend op het hierboven genoemde politieverhoor betrekkelijk kort en wellicht niet geheel ongestoord was niet tot een dergelijke gevolgtrekking leiden. 6.1.6 Op 18 februari 1999 -derhalve ruim een maand later- is de verdachte wederom door de rechter-commissaris gehoord, in aanwezigheid van zijn raadsman. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte -zakelijk weergegeven- zijn bekentenissen herhaald. Met betrekking tot dit verhoor zijn naar 's hofs oordeel geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de stelling van de raadsman ondersteunen. 6.1.7 Tenslotte merkt het hof in dit verband op dat niet aannemelijk is geworden dat op de verdachte op enig moment druk is uitgeoefend die onevenredig groot was in relatie tot zijn psychische gesteldheid. 6.2.1 Voorts heeft de raadsman gesteld dat de processen-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van Van Gelder, Bolten en Van Dalen op respectievelijk 2 en 6 april 1999 niet tot het bewijs mogen meewerken op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering jo. artikel 415 van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft hiertoe gesteld hetgeen is weergegeven in zijn pleitnota waarvan een kopie aan het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 2000 is gehecht. 6.2.2 Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daarbij als volgt. Uit de stukken volgt -voorzover hier van belang- dat de raadsman bij brief van 29 maart 1999 aan de officier van justitie heeft verzocht om de hierboven vermelde personen als getuigen ter zitting van de rechtbank op te roepen. Vervolgens heeft de rechter-commissaris, voorafgaand aan die zitting, deze personen (nogmaals) als getuigen gehoord in het kader van het lopende gerechtelijk vooronderzoek tegen de verdachte. De rechter-commissaris heeft de raadsman in de gelegenheid gesteld deze verhoren bij te wonen doch deze heeft -door hem betreffende omstandigheden- van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De officier van justitie heeft geweigerd genoemde personen als getuigen ter zitting op te roepen. Ter zitting van de rechtbank van 15 april 1999 heeft de raadsman de rechtbank verzocht deze oproeping te bevelen. De rechtbank heeft dit verzoek gemotiveerd afgewezen. 6.2.3 Naar 's hofs oordeel stond het de rechter-commissaris volledig vrij om getuigen op te roepen wier verklaring zij voor het onderzoek van belang achtte. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat deze verhoren plaatsvonden nadat de raadsman aan de officier van justitie had verzocht de betreffende personen als getuigen ter zitting op te roepen. De rechter-commissaris behoefde voorts niet van de onderhavige verhoren af te zien omdat de raadsman had laten weten verhinderd te zijn die verhoren bij te wonen. Voor de stelling van de raadsman dat de rechter-commissaris impliciet het ondervragingsrecht van de verdediging heeft ondermijnd, bestaat gezien het vorenstaande geen enkel aanknopingspunt, ook niet als daarbij de hierboven genoemde latere, zelfstandige beslissing van de rechtbank in ogenschouw wordt genomen. Het hof merkt in dit verband nog op dat de raadsman ter zitting in hoger beroep de onderhavige getuigen heeft kunnen ondervragen. 6.3 Al het bovenstaande in aanmerking nemend verwerpt het hof het beroep op onrechtmatig verkregen bewijs. 7. Bewijsvoering Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen-ver-klaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen. 8. Overweging met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen. 8.1 De raadsman heeft voorts gesteld dat de door de verdachte afgelegde bekennende verklaringen ongeloofwaardig zijn en daartoe aangevoerd hetgeen is weergegeven in zijn pleitnota waarvan een kopie is gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van 15 maart 1999. 8.2 Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daarbij als volgt. De verdachte heeft meerdere bekennende verklaringen afgelegd, waaronder de onder de bewijsmiddelen weergegeven verklaring(en). Naar 's hofs oordeel zijn die verklaringen consistent en in essentie gelijkluidend. Bovendien vinden die verklaringen elders steun. Het hof wijst in dit verband op de volgende verklaringen: - getuige 1 bij de rechter-commissaris op 15 maart 1999, 6 april 1999 en ter terechtzitting van het hof op 13 maart 2000, tijdens welke terechtzitting hij de verdachte heeft aangewezen als de man van de foto, die hij heeft herkend als degene die kort na de schietpartij een vuurwapen in zijn kleding borg; - getuige 2 bij de politie op 16 januari 1999, inhoudende -zakelijk weergegeven- dat hij de verdachte kort na de schietpartij een pistool uit zijn kleding heeft zien halen en dat de verdachte hem vroeg dit pistool te verstoppen; - getuige 3 bij de politie op 18 januari 1999, inhoudende een bevestiging van de verklaring van getuige 2; - getuigen 4 en 5 bij de politie op 7 februari 1999, die verklaren dat de verdachte kort na de schietpartij zijn handen heeft gewassen. 8.3 Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte in zijn bekennende verklaringen de waarheid heeft gesproken. Hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van zijn stelling is aangevoerd kan daaraan niet afdoen. 9. Toelichting op de bewezenverklaring 9.1 Uit de bewijsmiddelen volgt in de eerste plaats dat verdachte heeft geschoten op de portier, die hij aan de andere kant van de buitendeur van het muziekcafé zag en dat 3 de meisjes door een aantal van zijn schoten zijn getroffen. 9.2 Verdachte heeft op 18 februari 1999 in zijn eigen zaak verklaard dat hij op de zolder van café x het pistool van zijn broer heeft afgepakt, omdat hij bang was voor consequenties indien zijn broer het pistool bij zich zou houden. Het hof hecht aan die verklaring geloof en komt op grond daarvan tot de conclusie dat niet bewezen kan worden dat verdachte de schoten met voorbedachte raad heeft afgevuurd. 9.3 Dadelijk nadat verdachte, op de zolder van cafe x, het pistool van zijn broer heeft afgenomen, is die broer naar beneden gestormd en richting Muziekcafé getogen, daarbij gevolgd door verdachte en zijn zwager. Enige minuten daarna zijn verdachte, zijn broer en de zwager bij de buitendeur van Muziekcafé aangekomen met het vaste voornemen Muziekcafé binnen te gaan. Gelet op deze korte tijdspanne heeft de broer van verdachte er van moeten uitgaan dat verdachte het pistool nog bij zich had toen hij, verdachte en zijn zwager bij Muziekcafé aankwamen en daar (weer) naar binnen wilden. 9.4 Ter uitvoering van het plan Muziekcafé (weer) binnen te komen hebben verdachte, zijn broer en zijn zwager tezamen heftig verbaal en lichamelijk geweld ontwikkeld, hoewel zij bemerkten dat de portiers die zij aan de andere kant van de buitendeur van Muziekcafé wisten, hen de toegang beletten, en die portiers uitgedaagd hen binnen te laten. Door aldus te handelen heeft de broer van verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat verdachte hun gemeenschappelijk verlangen Muziekcafé binnen te komen kracht zou bij zetten door te schieten op de portier die deze door het ruitje in de deur van Muziekcafé zag. Voorts heeft de broer van verdachte zich tijdens voornoemd aan het schieten voorafgaand geweld op geen enkele wijze van dat geweld gedistantieerd, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is geweest. 9.5 Gelet op het voorgaande hebben verdachte en zijn broer te gelden als mededaders van het afvuren van de kogels door verdachte. 9.5 Kort voordat verdachte de schoten loste, waren verdachte, zijn broer en zijn zwager uit Muziekcafé gezet. Op dat moment was het druk in Muziekcafé en het was dus - mede gelet op het tijdstip - te verwachten dat zich achter de buitendeur ook andere personen zouden kunnen bevinden dan een of meer portiers. Daardoor hebben verdachte en zijn broer willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toegenomen dat de afgevuurde schoten die andere personen zouden kunnen raken en dat die andere personen daarbij gedood zouden kunnen worden. Verdachte en zijn broer hebben in die zin hun opzet gericht op het van het leven beroven van de hierboven in de onder 1., 2. en 3. bewezenverklaarde feiten genoemde slachtoffers. 10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: 1 subsidiair en 2 subsidiair: Medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd. 3 subsidiair: Medeplegen van poging tot doodslag. 4: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; en Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. 11. Strafbaarheid van de verdachte 11.1 Blijkens een rapport van de psychiater Prof. Dr. A.M.H. van Leeuwen d.d. 12 april 1999 bestond bij de verdachte tijdens het begaan van de hem tenlastegelegde feiten geen gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en is de verdachte in forensisch-psychiatrische zin toerekeningsvatbaar voor de tenlastegelegde feiten. 11.2 Blijkens een rapport van A.J. de Groot, psycholoog, en T.A. Wouters, psychiater, d.d. 12 juli 1999 is bij de verdachte weliswaar sprake van persoonlijkheidsproblematiek zoals in dat rapport omschreven, maar zijn de tenlastegelegde feiten niet aan deze problematiek gerelateerd. 11.3 Ook voorts is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 12. Strafmotivering 12.1 De verdachte is in eerste aanleg terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van voorarrest, en tot betaling van de schade geleden door de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven, met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. 12.2 De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het tenlastegelegde, het primair tenlastegelegde ingeval van het onder 1 , 2 en 3 tenlastegelegde, in alle gevallen terzake van medeplegen, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft hij verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen kleding en onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen wapens gevorderd. 12.3 Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. 12.4 Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met een ander tweemaal schuldig gemaakt aan doodslag en eenmaal aan poging tot doodslag. Voorts heeft de verdachte samen met een ander een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Nadat de verdachte, zijn broer en zijn zwager na onenigheid in een uitgaansgelegenheid, te weten muziekcafé "Muziekcafé", buiten de deur waren gezet, zijn zij korte tijd later teruggekeerd en heeft de verdachte in samenwerking met zijn broer met een pistool meerdere schoten gelost op de deur van dit muziekcafé, hetgeen een verwoestende uitwerking had. Twee jonge meisjes zijn door de kogels om het leven gekomen. Een derde meisje is gewond geraakt en heeft tengevolge hiervan, blijkens een brief van Buro Slachtofferhulp d.d. 10 maart 2000, nog steeds psychische en lichamelijke klachten. 12.5 Het hof rekent de verdachte aan dat mede door zijn toedoen twee meisjes om het leven zijn gekomen en een derde meisje gewond is geraakt, welke drie slachtoffers niets te maken hadden met de voorafgaande caféruzie. Een ernstiger vorm van zinloos geweld is welhaast ondenkbaar en de rechtsorde is dan ook ernstig geschokt door dit schietincident en de fatale gevolgen daarvan. 12.6 Het onderhavige schietincident onderstreept voorts de noodzaak dat krachtig dient te worden opgetreden tegen het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. 12.7 Het hof neemt voorts in aanmerking dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. 12.8 Het hof is derhalve van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. 12.9 Het hof is van oordeel dat daarnaast nog een schadevergoedingsmaatregel geboden is. 13. Beslag 13.1 Het -blijkens de kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 18 januari 1999, nummer PL1820/99-005512- inbeslaggenomen voorwerp, te weten een pistool, merk CZ, kleur zwart, dient te worden onttrokken aan het ver-keer, aangezien met behulp van dit voorwerp de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde feiten zijn begaan, alsmede met betrekking tot dit voorwerp het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan, en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 13.2 De -blijkens de kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 21 januari 1999, nummers PL1820/99-000152 en PL1820/99-003823- inbeslaggenomen voorwerpen, te weten tien hulzen (TR-1, kleur: geel), twee kogels (TR-2, kleur: zilver), een gedeformeerde kogel (TR-3, kleur:zilver), twee patronen (TR-4, kleur:geel), een gedef. kogelmantel (TR-5, kleur: zilver) en twee kogels (TR-6, kleur: zilver), dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met behulp van deze voorwerpen de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair bewezenverklaarde feiten zijn begaan, alsmede dat met betrekking tot deze voorwerpen het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan, en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 13.3 Het -blijkens de kennisgeving van inbeslagneming, d.d. 10 januari 1999, nummer PL1820/99-003857 inbeslaggenomen voorwerp, te weten een kogel (kleur: goud), dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met behulp van dit voorwerp het onder 3 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan, alsmede dat met betrekking tot dit voorwerp het onder 4 bewezenverklaarde feit is begaan, en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 13.4 Ten aanzien van de aan de verdachte toebehorende, niet teruggegeven, inbeslaggenomen kleding behoort te worden beslist als hierna zal worden aangegeven. 14. Vordering tot schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel 14.1 A. B, wonende aan de ..te…, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak en heeft in eerste aanleg een vordering ingediend tot vergoeding van -tengevolge van het onder 3 primair tot en met 3 meer subsidiair tenlastegelegde feit- geleden schade tot een bedrag van fl.1.943,00. De arrondissementsrechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van fl.1.423,00 en heeft de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gesteld. De vordering van de benadeelde duurt derhalve van rechtswege voort tot een bedrag van fl.1.423,00. 14.2 De verdachte heeft de hoogte van de vordering niet betwist. De benadeelde partij heeft in voldoende mate aangetoond dat door deze tot een bedrag van fl.1.423,00 schade is geleden. Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het onder 3 subsidiair bewe-zen-verklaarde. De vordering van de benadeelde partij kan dus tot een bedrag van fl.1.423,00 worden toegewezen, zulks onder de bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag. Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. 14.3 Zoals reeds tot uitdrukking gebracht zal daarnaast een schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. De verdachte zal worden verplicht een bedrag van fl.711,50. te weten de helft van de toe te wijzen vordering, te betalen aan de Staat. 15. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f (oud), 45, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij. Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert. Verklaart de verdachte te dier zake strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZESTIEN (16) JAREN. Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Verklaart onttrokken aan het verkeer een pistool (merk CZ, kleur zwart), tien hulzen (TR-1, kleur: geel), twee kogels (TR-2, kleur: zilver), een gedeformeerde kogel (TR-3, kleur:zilver), twee patronen (TR-4, kleur:geel), een gedef. kogelmantel (TR-5, kleur: zilver), twee kogels (TR-6, kleur: zilver) en een kogel (kleur: goud). Gelast de teruggave aan de verdachte van de aan de verdachte toebehorende, niet teruggegeven, inbeslaggenomen kleding. Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van A.B. tot een bedrag van fl.1.423,00 (DUIZEND VIERHONDERD DRIEËNTWINTIG GULDEN EN NUL CENT) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, zulks onder de bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag. Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. Legt voorts op de verplichting tot betaling aan de staat van fl.711,50 (ZEVENHONDERD ELF GULDEN EN VIJFTIG CENT) ten behoeve van het slachtoffer A. B, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van VEERTIEN (14) DAGEN. Verstaat dat gehele of gedeeltelijke voldoening aan de, aan de verdachte opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van fl.711,50 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij met een zelfde bedrag doet verminderen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke betaling van voormeld bedrag van fl.711,50 aan de benadeelde partij door de verdachte de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat tot een zelfde bedrag doet vervallen, alsmede dat betaling door de medeverdachte van méér dan fl.711,50 aan de benadeelde partij, de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat voor dat meerdere doet vervallen. Dit arrest is gewezen door mrs. Michiels van Kessenich-Hoogendam, Hamaker en Wurzer, in bijzijn van de griffier mr. Van der Putten. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 maart 2000.