Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA5532

Datum uitspraak1999-10-21
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers97/11154 AW en 97/11156 AW
Statusgepubliceerd


Uitspraak

97/11154 AW en 97/11156 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 14 oktober 1997, nrs. 96/1547 AW W1 A en 97/542 AW W1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 10 september 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr H.S.M. Wiertz, advocaat te Oldenzaal. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Als getuige, door appellant meegebracht, is ter zitting gehoord drs [getuige], analist, wonende te [standplaats] . II. MOTIVERING Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uiteenzetting van verdere feiten volstaat de Raad met het volgende. Appellant was vanaf 1 oktober 1980 bij de politie in [standplaats] werkzaam, laatstelijk als rechercheur in de rang van hoofdagent bij het district [district]. Hij maakte deel uit van het onderzoeksteam inzake de moord die op 26 februari 1994 op een taxichauffeur gepleegd was en was tevens belast met de nazorg jegens de nagelaten vriendin van de taxichauffeur, [vriendin slachtoffer]. Het onderzoek had aanvankelijk geen succes. Een omstreeks het tijdstip van de moord gemaakte videoband van de stationshal was wel in beslag genomen maar voorshands was besloten deze band, die niet erg duidelijk was, niet in de openbaarheid te brengen. Op 26 oktober 1995 meldde appellant zijn chef, tevens de leider van het onderzoek, dat hij [vriendin slachtoffer] beloofd had haar bij te staan in een op 31 oktober 1995 tussen haar en misdaadverslaggever [misdaadverslaggever] te houden gesprek, ter voorbereiding van een door laatstgenoemde te verzorgen televisieuitzending waarin ook de video-opname zou worden vertoond. Op 30 oktober 1995 heeft voormelde chef, mede naar aanleiding van recherche- en vervolgingstactische bezwaren van het Openbaar Ministerie tegen het vertonen van de video-opname, appellant in aanwezigheid van zijn beoordelingschef meegedeeld dat hij vanwege zijn te grote emotionele betrokkenheid (i) met onmiddellijke ingang op geen enkele wijze meer van het onderzoek deel uitmaakte, (ii) onmiddellijk zijn nazorg jegens [vriendin slachtoffer] moest beëindigen, dat (iii) hem met onmiddellijke ingang verboden werd op enigerlei wijze informatie in de publiciteit te brengen die aan het onderzoek gerelateerd zou kunnen worden en dat (iv) bij niet nakomen van een van deze dienstopdrachten een disciplinair onderzoek wegens plichtsverzuim zou worden gestart. Appellant is hiervan nog tijdens dat gesprek ook schriftelijk op de hoogte gesteld, maar hij gaf te kennen zich niet aan deze opdrachten te kunnen houden. Omdat appellants afwezigheid op 31 oktober 1995 ongeoorloofd werd geacht, is op 3 november 1995 terzake daarvan een disciplinair onderzoek gestart en is appellant sedertdien tijdelijk met een andere functie belast, waarna hij zich ziek gemeld heeft. Tegen het disciplinair onderzoek heeft hij op 8 november 1995 een bezwaarschrift bij de hoofdcommissaris ingediend. Op 23 november 1995 werd geconstateerd dat appellant aan televisieopnamen deelnam. De volgende dag werd hij op het bureau ontboden. Hij weigerde te komen omdat hij griep had. Later die dag meldde hij de districtsmanager telefonisch dat hij aan het televisieprogramma van [misdaadverslaggever] van 28 november 1995 meewerkte en daartoe op 27 november 1995 aan opnamen in de studio zou deelnemen. De districtsmanager wees appellant op de consequenties van die medewerking en waarschuwde hem op verzoek van het Openbaar Ministerie op 27 november 1995 's ochtends opnieuw. Appellant heeft hierin geen aanleiding gezien zijn medewerking aan de opnamen te staken. Tijdens de uitzending heeft hij, mede aan de hand van de video- opname, informatie verschaft over (de voortgang van het onderzoek in) de moordzaak. Op 29 november 1995 is appellant, ter voldoening aan een verzoek van de hoofdofficier van justitie op grond van artikel 37 van de Politiewet 1993, met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld. Het reeds gestarte disciplinair onderzoek werd tot de gebeurtenissen van 23, 24 en 28 november 1995 uitgebreid. Appellant heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt. Op 8 december 1995 deelde appellant de districtsmanager mee dat hij ook aan de televisieuitzending van 12 december 1995 van [misdaadverslaggever] zou deelnemen. De districtsmanager wees appellant weer op de consequenties. Appellant heeft desalniettemin aan deze televisieuitzending deelgenomen. Ook dit is in voormeld disciplinair onderzoek betrokken. Met ingang van 16 januari 1996 is appellant in afwachting van de beëindiging van het disciplinair onderzoek geschorst. Bij besluit van 14 oktober 1996 is appellant op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit algemene rechtspositie politie wegens plichtsverzuim ontslagen, omdat hij op 31 oktober 1995 zonder toestemming van zijn werk was weggebleven, de dienstopdracht om de nazorg jegens [vriendin slachtoffer] te beëindigen niet had uitgevoerd, het verbod had overtreden om aanwezig te zijn bij of mee te werken aan de voorbereiding van een televisieprogramma over de moordzaak en de dienstopdracht om op 24 november 1995 te verschijnen niet had uitgevoerd. Appellants bezwaren tegen het schorsingsbesluit van 16 januari 1996 en het ontslagbesluit van 14 oktober 1996 heeft gedaagde bij zijn besluiten van 31 oktober 1996 onderscheidenlijk 28 februari 1997 ongegrond verklaard. Appellants beroepen tegen laatstgenoemde besluiten zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Gedaagde betoogt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat appellant slechts reeds door de rechtbank beoordeelde gronden aanvoert en aldus niet aan de wettelijke motiveringsplicht heeft voldaan. De Raad kan dit niet volgen. Uit het hoger beroepschrift blijkt duidelijk op welke punten appellant het oordeel van de rechtbank aanvecht. Uit de aangevoerde gronden leidt de Raad af dat het hoger beroep beperkt is tot het bij het besluit van 28 februari 1997 gehandhaafde ontslag. De Raad acht dit strafontslag in rechte reeds houdbaar op grond van de aan appellant verweten medewerking en deelname aan de beide televisieuitzendingen. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt. Appellant was zich er volstrekt van bewust dat deze gedragingen met het op 30 oktober 1995 gegeven dienstbevel in strijd waren. Plichtsverzuim leverde dat zijns inziens evenwel niet op, omdat het doel dat hij nastreefde een rechtvaardigingsgrond vormde. Met zijn medewerking en deelname aan de televisieuitzendingen beoogde hij het maatschappelijk belang van het oplossen van zware misdrijven te dienen. Hij is daartoe na zorgvuldige afweging gekomen en moest daartoe wel komen gezien zijn uit artikel 2 van de Politiewet 1993 voortvloeiende plicht hulp te bieden. Het onderzoek naar de moord zat in het slop. De televisieuitzendingen zouden nieuwe tips over de daders kunnen opleveren en tot oplossing van de moord kunnen leiden. Appellant heeft zijn chefs vooraf ingelicht en aldus in openheid gehandeld. Voor de Raad staat vast dat het niet naleven van het dienstbevel plichtsverzuim opleverde. Appellants wens om de moord op de door hem meest kansrijk geachte wijze op te lossen vormt niet (het begin van) een rechtvaardiging om het dienstbevel niet na te leven. Het was niet aan appellant om zijn oordeel inzake zijn betrokkenheid bij het onderzoek en de wijze waarop dit zou moeten plaatsvinden, te stellen boven de afweging van de leider van het onderzoeksteam en het voor de handhaving van de strafrechtelijke rechtsorde verantwoordelijke Openbaar Ministerie. Appellant kan voor zijn opvatting moeilijk steun ontlenen aan het door hem ingeroepen artikel 2 van de Politiewet 1993, nu daarin juist is neergelegd dat de politie bij de uitoefening van de daar vermelde taken ondergeschikt is aan het bevoegd gezag. De Raad acht de omstandigheid dat appellant over een langere periode en herhaaldelijk in strijd met de hem gegeven dienstopdracht de publiciteit heeft gezocht, een zo ernstig plichtsverzuim dat de zware straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig kan worden geacht. Hoewel appellant op 2 oktober 1995 wegens recherchetactische bezwaren reeds geweigerd was de zaak via het vertonen van de videoband in de publiciteit te brengen, heeft hij nadien toch aan [vriendin slachtoffer] toegezegd aan de inmiddels voorgenomen uitzending van [misdaadverslaggever] mee te werken. Nadat hem op 30 oktober 1995 voormelde dienstopdracht was gegeven, heeft hij tot de opnamen op 23 en 27 november 1995 nog geruime tijd gehad om zich op de zaak te bezinnen en betrokkenen duidelijk te maken dat hij niet meer in de positie was mee te werken. Hij is niet tot inkeer gekomen. Met zijn weigering om te voldoen aan het dienstbevel op 24 november 1995 op het bureau te verschijnen heeft hij zich aan verdere mogelijkheden tot correctie onttrokken. Hij achtte zich te ziek om op 24 november 1995 te verschijnen - waaromtrent hij overigens geen medische verklaring heeft overgelegd -, maar was wel in staat om op 23 en 27 november 1995 aan de opnamen deel te nemen. Hoewel appellant op 29 november 1995 buiten functie was gesteld en opnieuw gewaarschuwd was, heeft hij ook aan de televisieuitzending van 18 december 1995 meegewerkt. Ook als appellants stelling juist zou zijn dat de uiteindelijke oplossing van de moord zonder (zijn medewerking aan) de televisieuitzendingen niet zou hebben plaatsgevonden - hetgeen overigens door gedaagde gemotiveerd betwist is en voor de Raad niet is komen vast te staan - levert dit geen rechtvaardiging of verontschuldiging op. Dit geldt ook voor de verplichting die appellant door zijn toezegging aan [vriendin slachtoffer] voelde om aan de eerste televisieuitzending mee te werken en nadien op de ingeslagen weg voort te gaan. Dat appellant, zoals hij betoogt, in psychische overmacht verkeerde zodat de verweten gedragingen hem niet (ernstig) kunnen worden aangerekend, kan de Raad uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet afleiden. Hierbij wijst de Raad er nog op dat appellant zijn ernstige bezwaren aan de dienstleiding had kunnen voorleggen teneinde alsnog tijdig voorafgaand aan de door hem noodzakelijke geachte activiteiten instemming te verkrijgen. Hij heeft die weg niet gekozen, maar ermee volstaan op 8 november 1995 een bezwaarschrift tegen het terzake van ongeoorloofde afwezigheid ingestelde disciplinair onderzoek in te dienen. Daarin heeft appellant bij wijze van achtergrondinformatie tevens het lastige parket geschetst waarin hij zich achtte en verzocht helderheid te verschaffen. Hij heeft evenwel niet op de reactie van de hoofdcommissaris gewacht en zich ook niet ingespannen die tijdig te verkrijgen. De Raad acht tevens van belang dat appellant veelvuldig is gewaarschuwd. Dat appellant daarbij niet met zoveel woorden zou zijn gezegd dat hij ontslag riskeerde, neemt niet weg dat hij dit desalniettemin kon beseffen, van welk besef hij ook tijdens de eerste televisieuitzending blijk heeft gegeven. Eerst ter zitting in hoger beroep heeft appellant gesteld dat het ontslag niet gerechtvaardigd was, omdat gedaagde blijkbaar niet zo zwaar aan het plichtsverzuim tilde nu uit de verklaring ter zitting van de getuige [getuige] valt af te leiden dat appellant in februari 1996, kort na zijn schorsing, weer bij het onderzoek was ingeschakeld. Die hernieuwde inschakeling is voor de Raad niet aannemelijk geworden, nog daargelaten wat de betekenis daarvan voor de beoordeling van het besluit van 28 februari 1997 zou zijn. Uit al het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten moet worden bevestigd. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen grond. Derhalve wordt als volgt beslist. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten. Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 1999. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) A.W.M. van Bommel. HD 12.10 Q