Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA5848

Datum uitspraak2000-05-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersKG 00/578
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 's-GRAVENHAGE Sector Civiel Recht - President Vonnis in kort geding van 18 mei 2000, gewezen in de zaak met rolnummer KG 00/578 van: 1. H.G.J. d. B. 2. J.W. V. beiden wonende te P. eisers, procureur mr. E. Grabandt, advocaat mr. P.H. Doedens te Utrecht, tegen: De Staat der Nederlanden, (Ministerie van Justitie), zetelende te 's-Gravenhage, gedaagde, procureur: mr C.M. Bitter. 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 mei 2000 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan: - Bij arresten van 3 oktober 1995 van het Gerechtshof te Arnhem zijn eisers terzake het medeplegen van doodslag en het medeplegen van verkrachting veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaren. De door eisers daartegen ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad bij arresten van 16 september 1996 verworpen. - Een verzoek om herziening van eiser Viets heeft de Hoge Raad bij beschikking van 14 oktober 1997 niet-ontvankelijk verklaard. - Op 15 mei 2000 hebben eisers de Hoge Raad op de voet van artikel 457 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) om herziening verzocht op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, die bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet zijn gebleken, en die op zichzelf of in verband met de destijds geleverde bewijzen en/of de overtuigings-kracht van die bewijzen onverenigbaar zijn met opgemelde uitspraken, zodat het onderzoek van de zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling van eisers, indien de thans bekend geworden gegevens alstoen reeds bekend zouden zijn geweest. 2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer 2.1. Eisers vorderen - kort weergegeven - opschorting van de gevangenis-straf, zulks in afwachting van een beslissing van de Hoge Raad op het ingediende herzieningsverzoek. 2.2. Eisers voeren daartoe het volgende aan. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen van de onderhavige uitspraken van de Rechtbank en het Hof hebben: a) eisers ieder voor zich en kort na elkaar tegen de wil van het slacht-offer geslachtsgemeenschap met haar gehad; b) eisers het slachtoffer vervolgens vermoord; c) de getuigen B. en S. beide vorenbedoelde gedragingen waargenomen; en wordt uitgesloten dat er sprake is van een onbekende derde en wordt met geen woord gerept over de beide op de trui en de hals van het slachtoffer aangetroffen wortelloze haren en het op het rechter bovenbeen van het slachtoffer aangetroffen sperma, welke niet van eisers blijken te zijn. Recentelijk is gebleken dat ook van 'dood' lichaamsmateriaal DNA-profiel kan worden verkregen, zodat DNA-onderzoek met betrekking tot de desbetreffende haren, dat eerder niet mogelijk was, thans wel heeft kunnen plaatsvinden. Op 16 mei 2000 rapporteert dr. P. de Knijff (werkzaam bij het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum), die nieuw DNA-onderzoek heeft verricht naar het op 14 januari 2000 door de Minister van Justitie vrijgegeven materiaal, zijnde het sperma, de haren en het (fragment van het) melktandje, als volgt: "In (het) spermaspoor (...) werd een zuiver mtDNA-profiel vastgesteld welke volledig overeenkwam met het type A profiel eerder aangetroffen in de twee haren. (...) Dus op grond van dit mtDNA onderzoek kan niet worden uitgesloten dat de haren en het sperma afkomstig zijn van dezelfde persoon. De frequentie van het mtDNA profiel is minder dan 1 op 167." Op grond van deze informatie menen eisers dat het thans redelijker-wijs zeer waarschijnlijk is dat de persoon, van wie de desbetreffende haren en het sperma op het slachtoffer zijn aangetroffen, dient te worden aangemerkt als de dader van de verkrachting van en de moord op het slachtoffer C.C.A. Bekendheid met de uitkomst van het recente DNA-onderzoek bij het Hof zou destijds aanleiding hebben kunnen geven tot vrijspraak van eisers. De te entameren herzieningsprocedure zal tezijnertijd kunnen resulteren in een gerechtelijke uitspraak, waarbij eisers worden vrijgesproken. De Minister van Justitie heeft bij brief van 20 april 2000 laten weten dat hij geen gevolg kan en wil geven aan het verzoek tot opschorting van de executie van het strafrestant in afwachting van de beoordeling van de Hoge Raad op het (inmiddels ingediende, toevoeging rechtbank) herzieningsverzoek. Deze weigering dient als onrecht-matig te worden aangemerkt. De behandeling van het herzienings-verzoek zal naar verwachting minimaal een half jaar in beslag nemen. De executie van de onderhavige straffen zal, rekening-houdend met de VI-regeling (vervroegde invrijheidstelling), voor wat betreft eiser D. B. op 12 oktober 2000 en voor wat betreft eiser V. op 10 oktober 2000 eindigen. 2.3. Gedaagde (hierna te noemen: "De Staat") voert gemotiveerd verweer. Voorzover nodig zal daarop hieronder nader worden ingegaan. 3. De beoordeling van het geschil 3.1. Voorop staat dat het Openbaar Ministerie gehouden is om een onherroepelijke rechterlijke veroordeling ten uitvoer te leggen, en dat zulks dient plaats te vinden, zodra dat mogelijk is. Daarbij heeft de Staat er terecht op gewezen dat voor opschorting van de executie in verband met een ingediend herzieningsverzoek slechts aanleiding is, als kan worden vastgesteld dat dat herzieningsverzoek met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal slagen. 3.2. Uit de stukken en het ter zitting verhandelde blijkt dat het Gerechts-hof te Arnhem er ten tijde van de uitspraak in 1995 reeds bekend mee was dat het sperma in elk geval niet van eisers afkomstig was, alsmede dat ook de haren in elk geval niet van eisers en evenmin van het slachtoffer afkomstig waren. Het Hof heeft bij zijn beoordeling met deze gegevens rekening kunnen houden en heeft desalniettemin het (onder 1 meer subsidiair en 2 primair) tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard, op grond van voornamelijk - kort gezegd - (bekennende) verklaringen van eisers, verklaringen van ooggetuigen B. en S. en de resultaten van vezelonder-zoek met betrekking tot een in de woning van eiser D.B. aangetroffen housebroek. 3.3. Het voorgaande leidt de President tot het oordeel dat uit de stukken en het ter zitting verhandelde niet aannemelijk is geworden, dat de resultaten van het door dr. P. de Knijff verrichte DNA-onderzoek, als hiervoor onder 2.2. genoemd, aanleiding geven tot de conclusie dat het op 15 mei 2000 bij de Hoge Raad ingediende herzienings-verzoek met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijk-heid zal worden ingewilligd. 3.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat de vordering moet worden afgewezen. Eisers zullen, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, welke veroordeling - zoals door de Staat is gevorderd en waartegen door eisers geen verweer is gevoerd - uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard. BESLISSING de President: I Wijst de vordering af. II Veroordeelt eisers in de kosten van dit geding, welke tot hiertoe aan de zijde van de Staat worden begroot op fl. 400,-- aan griffie-recht en fl. 1.550,-- aan procureurs-salaris. III Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. van Delden en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier. ILB