Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA6120

Datum uitspraak2000-06-07
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers35423
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Nr. 35423 7 juni 2000 gewezen op het beroep in cassatie van het samenwerkingsverband X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 juni 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 december 1991 tot en met 31 december 1992 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 117.757,--. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. 3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, een institutionele belegger die zich bezighoudt met het beleggen in onroerende zaken, heeft op 17 december 1991 een koop-aannemingsovereenkomst gesloten ter zake van de realisatie van het vastgoedcomplex A in Q (hierna ook: het complex) bestaande uit onder meer kantoren, winkels en woningen. De verhuur van de kantoren en de winkels geschiedt belast met omzetbelasting, de verhuur van de woningen vrijgesteld van omzetbelasting. Ter zake van de ingebruikname van het complex op 4 september 1992 werd belanghebbende omzetbelasting verschuldigd op basis van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Hij heeft deze belasting op aangifte voldaan onder aftrek van de door hem aan de belast verhuurde gedeelten toegerekende hem in rekening gebrachte omzetbelasting, uitgaande van de in de koop-aannemingsovereenkomst genoemde prijs voor de woningen, waarbij het te behalen bruto-aanvangsrendement (hierna: BAR) de prijsbepalende factor is geweest. De Inspecteur heeft zich uiteindelijk op het standpunt gesteld dat de niet voor aftrek in aanmerking komende belasting moet worden berekend naar rato van het aantal kubieke meters van de woningen ten opzichte van het aantal kubieke meters van het gehele complex. 3.2.1. Het Hof heeft vooropgesteld: dat het complex als één geheel moet worden aangemerkt, dat deels voor belaste, deels voor vrijgestelde prestaties wordt gebezigd; dat ingevolge artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) voor aftrek op de voet van artikel 15 van de Wet in aanmerking komt het gedeelte van de voorbelasting dat in dezelfde verhouding staat tot die voorbelasting als het totaal van de vergoedingen voor - kort gezegd - de belaste prestaties staat tot het totaal van de vergoedingen voor alle prestaties; dat, indien blijkt dat het werkelijke gebruik van het goed, als geheel genomen, niet overeenkomt met de in artikel 11, lid 1, onderdeel c, van de Beschikking bedoelde verhouding, ingevolge lid 2 van dat artikel de aftrek van voorbelasting berekend wordt op basis van het werkelijke gebruik van het goed. Het Hof heeft in navolging van partijen aangenomen dat de voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting moet worden berekend op basis van het werkelijke gebruik van het complex. 3.2.2. Naar ’s Hofs oordeel kan het werkelijke gebruik van complexen als de onderhavige, waarbij op zichzelf staande onderdelen worden verhuurd, in het algemeen op adequate wijze worden bepaald aan de hand van de verhuurde oppervlakten, dan wel de verhuurde ruimten. Het Hof heeft geoordeeld dat van een splitsing op basis van verhuurde ruimten (kubieke meters) in ieder geval niet kan worden gezegd dat zij tot een onredelijk resultaat leidt, aangezien de berekening op basis van kubieke meters tot een niet-aftrekbaar gedeelte van 4,8 percent leidt, terwijl de feitelijk voor de woningen ontstane bouwkosten zijn te besommen op ten minste 5 percent van het geheel en volgens de taxatie van de Belastingdienst Registratie & Successie op ruim 6 percent van de totale stichtingskosten. Het Hof heeft voorts verworpen belanghebbendes standpunt dat voor hem, als institutionele belegger, als kostprijs in aanmerking moet worden genomen de kostprijs van de woningen welke is gebaseerd op de prijsvorming tussen hem en de projectontwikkelaar, waarbij het te behalen BAR de prijsbepalende factor is geweest, hetgeen neerkomt op een kostprijs voor belanghebbende van f 1.071.500,--. Aan dit oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd: dat niet kan worden gezegd dat de projectontwikkelaar zich jegens belanghebbende heeft verbonden de woningen voor een bepaalde prijs te leveren; dat de woningen in deze zin niet een afzonderlijke kostprijs hebben; dat het in artikel 3 van de koop-aannemingsovereenkomst vermelde bedrag van f 1.071.500,-- kennelijk slechts is de resultante van de door belanghebbende berekende beleggingswaarde op basis van de aanvangshuren van de woningen en het wenselijk geachte BAR van het complex als geheel; dat niet aannemelijk is dat dit bedrag enige functie heeft in de commerciële relatie tussen belanghebbende en de projectontwikkelaar. Het middel, dat stelt dat niet de kosten zoals die zijn ontstaan bij de projectontwikkelaar van belang zijn, maar uitsluitend de subjectieve kostprijs zoals die bij belanghebbende is ontstaan, faalt, aangezien ’s Hofs oordeel dat de toerekening op basis van het werkelijke gebruik dient te geschieden aan de hand van de met de onderscheiden gebruiksvormen gemoeide aantallen kubieke meters, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is op 7 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.