Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA6322

Datum uitspraak2000-03-15
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers98/00877
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ak Gerechtshof Arnhem vierde enkelvoudige belastingkamer nummer 98/00877 Proces-verbaal mondelinge uitspraak belanghebbende : X te : Z Ambtenaar : de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te P aangevallen beslissing : uitspraak d.d. 18 februari 1998 op bezwaarschrift soort belasting : inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen belastingjaar : 1995 mondelinge behandeling : op 3 maart 2000 te Arnhem, door mr Matthijssen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier waarbij verschenen : belanghebbende, alsmede de Inspecteur voornoemd gronden: 1. Belanghebbende, geboren op in 1959, woont sedert januari 1990 samen met A. In 1992 is een samenlevingskontrakt, waarin niet uitdrukkelijk een bepaling is opgenomen over de kosten van kinderen, opgesteld. In 1995 behoort een dochter, B, geboren in 1994, tot het huishouden. In 1995 is voor de kinderopvang gebruik gemaakt van twee gastouders. Deze opvang is geregeld door tussenkomst van de Stichting Humanitas. Deze stichting beschikt over de vergunning als bedoeld in artikel 14a, lid 7, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. De gastouders zijn mevrouw C en mevrouw D. Zij zijn een overeenkomst aangegaan met belanghebbende en haar partner. Vast staat dat belanghebbende in 1995 aan kinderopvang ¦ 7.493,- (ƒ 4.470,- en ƒ 3.023,-) heeft betaald. 2. De Inspecteur weigert de gevraagde aftrek omdat "facturen" als bedoeld in artikel 14a, lid 6, aanhef, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 in dit geval zouden ontbreken. De Inspecteur erkent dat aan alle overige eisen die de genoemde bepaling aan de aftrekbaarheid van de kosten stelt, is voldaan (een en ander behoudens het subsidiaire en meer subsidiaire standpunt van de Inspecteur). 3. De stukken die belanghebbende in de loop van het geding heeft geproduceerd kunnen, ook in hun onderlinge samenhang, niet als facturen in de zin van de onder 2 bedoelde bepaling worden beschouwd. Nu dergelijke facturen ontbreken kan de gevraagde aftrek niet worden verleend. 4. De wettelijke regeling (artikel 46, lid 10, van de Wet inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995) in verbinding met artikel 14a, lid 6, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990) stelt strikte formele eisen aan de aftrekbaarheid van kosten van kinderopvang. Anders dan in andere bepalingen van de belastingwetgeving leidt het niet voldoen aan deze eisen niet tot (verdere) verzwaring van de bewijslast maar tot uitsluiting van de gevraagde aftrek. Blijkens de wetsgeschiedenis was het onder meer de bedoeling de fraudegevoeligheid van de regeling en de uitvoeringsproblemen voor de Belastingdienst zo beperkt mogelijk te houden. Gezien deze doelstellingen diende de Inspecteur, toen de vereiste facturen niet aanwezig bleken, de regeling naar de letter uit te leggen, geen verder onderzoek in te stellen en de gevraagde aftrek te weigeren. Uitsluitend de Staatssecretaris van Financiën is, in zeer bijzondere gevallen, bevoegd van de regeling af te wijken en de hardheidsclausule toe te passen (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). 5. Het beroep van belanghebbende is niet gegrond. proceskosten: Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. beslissing: Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Inspecteur. Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken te Arnhem 15 maart 2000 door mr Matthijssen, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Vermeulen-Post als griffier. Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal. De griffier, Het lid van de voormelde kamer, (I.B.Vermeulen-Post) (T.J. Matthijssen) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 maart 2000 U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van deze uitspraak het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak bedraagt het griffierecht ¦ 150,-. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.