Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AA9555

Datum uitspraak2000-12-06
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 00/71950 VRONTO
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam Sector Bestuursrecht enkelvoudige kamer UITSPRAAK op grond van artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikel 34a Vreemdelingenwet (Vw) reg.nr.: AWB 00/71950 VRONTO inzake : [eiser], verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel te Ter Apel, eiser, tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij bevel tot bewaring van 24 november 2000 is eiser op grond van artikel 26, eerste lid onder a van de Vw in bewaring gesteld. Verweerder heeft op diezelfde datum schriftelijk een last tot uitzetting van eiser gegeven. Bij beroepschrift van 27 november 2000 heeft mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, namens eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot bewaring. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 5 december 2000. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Seth Paul, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door gemachtigde mr. M.C.G.G. van Hoek, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerders ministerie. II. OVERWEGINGEN Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Eiser is in Café ‘Jacob’ te Amsterdam strafrechtelijk staandegehouden naar aanleiding van een onderzoek naar de voornamelijk uit Oostbloklanden afkomstig cliëntèle van dit café, die zou handelen in wapens en verdovende middelen. Eiser bevond zich in dat café, maar was gezien zijn Turkse afkomst niet betrokken bij het onderzoek naar Joegoslaven uit het criminele milieu. Uit de zich in het dossier bevindende stukken zijn de gronden van de strafrechtelijke staandehouding en de vreemdelingenrechtelijke aanhouding niet gebleken. Verwijzingen naar het onderzoek inzake Joegoslaven uit het criminele milieu en het rapport omtrent het Café ‘Jacob’ leveren onvoldoende concrete aanwijzingen van illegaal verblijf om tot aanhouding over te gaan. Op grond van het vorenstaande is de bewaring onrechtmatig en dient derhalve te worden opgeheven. Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. Aan alle formele en materiële voorwaarden voor de inbewaringstelling van eiser is voldaan. Uit het rapport van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland blijkt dat de politie geruime tijd voor de controle in het Café ‘Jacob’ een uitgebreid vooronderzoek heeft verricht. Van iedereen in dat café zijn de personalia gecontroleerd, zodat niet gezegd kan worden dat de strafrechtelijke staandehouding en de daaropvolgende vreemdelingenrechtelijke staandehouding op onrechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Ter zitting heeft verweerder aangeboden ontbrekende informatie door middel van een proces-verbaal alsnog aan te vullen. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het ambtsedig proces-verbaal van 20 november 2000 van H. van Ommen, inspecteur/teamleider bij de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland, Regionale Criminele Inlichtingen Eenheid, blijkt - zakelijk weergegeven- onder meer het volgende. In café ‘Jacob’, Leidsekruisstraat 19 te Amsterdam wordt volgens binnengekomen informatie gehandeld in wapens en verdovende middelen. Voorts bevindt zich in het dossier een ‘aanhoudingskaart’ van 23 november 2000 waaruit blijkt dat eiser diezelfde dag om 23.55 uur is aangehouden. Verweerder heeft zich ter zitting expliciet op het standpunt gesteld dat eiser eerst strafrechtelijk is staandegehouden en dat aansluitend daarop de staandehouding op grond van artikel 19, eerste lid, van de Vw, heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt in onvoldoende mate uit het proces-verbaal van 20 november 2000 dat ten aanzien van eiser, als bezoeker van café ‘Jacob’, een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond, zodat -ook met inachtneming van de marginale toetsing van de vreemdelingenrechter ten aanzien van het strafrechtelijke voortraject- eiser enkel op grond van de informatie uit dit proces-verbaal niet als verdachte had kunnen worden aangemerkt en als zodanig had kunnen worden staandegehouden. Ook ontbreekt er op de persoon van eiser toegesneden informatie in het dossier waaruit blijkt hoe de strafrechtelijke staandehouding en de daaropvolgende vreemdelingenrechtelijke staandehouding van eiser heeft plaatsgevonden. Eerdergenoemde ‘aanhoudingskaart’ verschaft deze informatie evenmin. Gezien de onmogelijkheid de gang van zaken rond eisers staandehouding feitelijk en juridisch te controleren is de rechtbank van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat deze onrechtmatig is geweest. Derhalve is de bewaring eveneens van aanvang af onrechtmatig. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien verweerder alsnog in de gelegenheid te stellen een ontbrekend proces-verbaal op te laten stellen. Het gaat om dermate essentiële informatie dat deze in beginsel reeds ter zitting in het dossier aanwezig had moeten zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding hierop in dit geval een uitzondering te maken. Hieruit volgt dat de bewaring in strijd is met de wet. Derhalve wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de opheffing van de bewaring bevolen, ingaande 6 december 2000. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 34j van de Vw toe te kennen en wel tot een bedrag van ¦ 200,- per dag dat eiser op een politiebureau ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest en ¦ 150,- per dag dat eiser in het Huis van Bewaring ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, derhalve in totaal ¦ 2.150,-. Gelet op het vorengaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep, welke zijn begroot op ¦ 1.420,- als kosten van verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING: De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - beveelt dat de bewaring ingaande 6 december 2000 wordt opgeheven; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot ¦ 2.150,- (zegge: eenentwintighonderdvijftig gulden), te betalen door de griffier van de rechtbank aan eiser; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot ¦ 1.420,- (zegge: veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Radder, rechter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 6 december 2000, in tegenwoordigheid van mr. I.G.M. Servais-Picord, griffier. Afschrift verzonden op: Conc.: DR/ISP Coll: Bp: D: C Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, voorzover het betreft het al dan niet toekennen van schadevergoeding of de hoogte daarvan. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring bij de griffie van deze rechtbank.