Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0194

Datum uitspraak2001-02-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers04/050925-99
Statusgepubliceerd


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROERMOND Parketnummer : 04/050925-99 uitspraak d.d. : 21 februari 2001 TEGENSPRAAK VONNIS van de arrondissementsrechtbank te Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: naam : [verdachte] voornamen : - geboren op : [geboortedatum en plaats] adres : [adres] plaats : [woonplaats] 1. Het onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 augustus 2000, 4 december 2000, 15 januari 2001 en 12 februari 2001. 2. De tenlastelegging De verdachte staat terecht ter zake dat: 1. hij op of omstreeks 15 juli 1999 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn handen in de richting van genoemde [slachtoffer 1] gelopen en/of heeft verdachte opzettelijk dreigend (een) stekende beweging(en) gemaakt in de richting van genoemde [slachtoffer 1] en/of een mes op genoemde [slachtoffer 1] gericht, althans genoemde [slachtoffer 1] dreigend een mes voorgehouden, in elk geval op dreigende wijze ten opzichte van [slachtoffer 1] een mes in zijn hand(en) gehouden en/of (daarbij) genoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "I will kill you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (art. 285 Wetboek van Strafrecht) (aangifte 2.2.1); 2. hij op of omstreeks 15 juli 1999 te Blerick, in elk geval in de gemeente Venlo, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes op genoemde [slachtoffer 2] gericht, althans genoemde [slachtoffer 2] dreigend een mes voorgehouden, in elk geval op dreigende wijze ten opzichte van [slachtoffer 2] een mes in zijn hand(en) gehouden en/of op dreigende toon, in elk geval voor die [slachtoffer 2] dreigend gezegd: "I know where you live. You have no future" en/of "I kill you. You are dead", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; (art. 285 Wetboek van Strafrecht) (aangifte 2.1.1) 3. hij op of omstreeks 08 september 1999 in de gemeente Roermond wederrechtelijk vertoevende in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten in het bureau van politie te Roermond, zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar [politieambtenaar 1], brigadier van politie, Basiseenheid Roermond, toen en aldaar werkzaam als wachtcommandant, aanstonds heeft verwijderd; (art. 139 van het wetboek van Strafrecht) (zaak 051292.99); 4. hij op of omstreeks 08 september 1999 in de gemeente Roermond, toen de aldaar dienstdoende politieambtena(a)r(en) [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] (beiden) brigadier van politie en werkzaam bij de basiseenheid Roermond, verdachte, op verdenking van artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt had(den) aangehouden en had(den) vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde verdachte, ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten naar een voor aangehouden lieden bestemd lokaal in het bureau van politie te Roermond, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken, althans te trekken; (art. 180 van het Wetboek van Strafrecht) (zaak 051292.99); Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. 3. De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4. De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De officier van justitie heeft gesteld dat in de onderhavige zaak sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in onder meer art. 6, eerste lid, EVRM, waarbinnen verdachte recht heeft op berechting. De officier van justitie is van oordeel dat deze overschrijding voor een beperkt deel aan verdachte dient te worden toegerekend en overigens dat deze overschrijding zal worden verdisconteerd in de strafeis. De raadsman sluit zich aan bij de stelling van de officier van justitie ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn, doch betwist dat deze overschrijding deels aan verdachte verwijtbaar is. De raadsman stelt dat als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn een forse matiging van de op te leggen straf op zijn plaats is. De rechtbank constateert dat gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2000 nr. 00775/99 de redelijke termijn voor wat betreft de sub 1. en 2. tenlastegelegde feiten een aanvang heeft genomen op 15 juli 1999 zijnde de dag van inverzekeringstelling van verdachte; gelet op de datum van uitspraak constateert de rechtbank voorts dat die termijn is overschreden met ruim 3 maanden; de rechtbank is echter van oordeel dat deze overschrijding deels aan verdachte moet worden toegerekend, nu er geen enkele redelijke verontschuldiging is voor het gegeven dat de raadsman zijn verzoek om getuigen te horen pas ter terechtzitting van 4 december 2000 naar voren heeft gebracht en niet reeds bij de eerste behandeling ter terechtzitting van 21 augustus 2000. Een en ander leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Voor wat betreft de sub 3. en 4. tenlastegelegde feiten is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, aangezien die termijn, welke is begonnen op 26 mei 2000, zijnde de dag van betekening in persoon van de dagvaarding voor de terechtzitting op 21 augustus 2000, op de datum van uitspraak nog niet zodanig lang is dat deze als onredelijk lang moet worden beoordeeld. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vordering worden ontvangen. 6. Schorsing der vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7. Bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het sub 1., sub 2., sub 3. en sub 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij op 15 juli 1999 te Blerick [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes in zijn handen in de richting van genoemde [slachtoffer 1] gelopen en heeft verdachte opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] een mes voorgehouden en daarbij genoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "I will kill you"; 2. hij op 15 juli 1999 te Blerick [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes op genoemde [slachtoffer 2] gericht en op dreigende toon gezegd: "I know where you live. You have no future" en "I kill you. You are dead"; 3. hij op 08 september 1999 in de gemeente Roermond wederrechtelijk vertoevende in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten in het bureau van politie te Roermond, zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar [politieambtenaar 1], brigadier van politie, Basiseenheid Roermond, toen en aldaar werkzaam als wachtcommandant, aanstonds heeft verwijderd; 4. hij op 08 september 1999 in de gemeente Roermond, toen de aldaar dienstdoende politieambtenaren [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] beiden brigadier van politie en werkzaam bij de basiseenheid Roermond, verdachte, op verdenking van artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde verdachte ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten naar een voor aangehouden lieden bestemd lokaal in het bureau van politie te Roermond, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken; Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 8. Het bewijs De overtuiging van de rechtbank dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. De hieronder vermelde bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. 8.1 De bewijsmiddelen De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen staan vermeld in de aan dit vonnis gehechte aanvulling als bedoeld in de artikelen 365a en 365b van het Wetboek van Strafvordering. 9. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op de navolgende misdrijven: T.a.v. feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 3: het wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen. Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 139 van het Wetboek van Strafrecht. T.a.v. feit 4: wederspannigheid Dit misdrijf is strafbaar gesteld bij artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. 10. De strafbaarheid van verdachte De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft. Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte komt de rechtbank, op grond van het rapport van de psychiater drs. J.M. Persoon gedateerd 10 maart 2000, van welk rapport de rechtbank de conclusie overneemt, tot het oordeel dat het hierboven bewezenverklaarde verdachte in licht verminderd tot verminderde mate kan worden toegerekend. 11. De straffen en/of maatregelen 11.1 De algemene overwegingen Op grond van de aard van het bewezenverklaarde, alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte na te melden straf behoort te worden opgelegd. 11.2 De bijzondere overwegingen De officier van justitie heeft bij gelegenheid van de terechtzitting op 12 februari 2001 met betrekking tot de op te leggen straf gevorderd, rekening houdende met overschrijding van de redelijke termijn, dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 60 uren arbeid ten algemenen nutte in plaats van 6 weken jeugddetentie alsmede 3 maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering gedurende de proeftijd alsmede deelname aan het ITB-Criem project. De officier van justitie heeft daarbij verklaard dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zij zou hebben gevorderd, dat verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren arbeid ten algemenen nutte in plaats van 12 weken jeugddetentie alsmede 3 maanden jeugddetentie voorwaardelijke met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde van begeleiding door de jeugdreclassering gedurende de proeftijd alsmede deelname aan het ITB-Criem project. De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde straf aangevoerd dat naar zijn mening zou kunnen worden volstaan met een voorwaardelijke straf met begeleiding van de jeugdreclassering en deelname aan het ITB-Criem-project. De rechtbank heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder rekening gehouden met: de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving; het gewelddadig en gevaarzettend karakter van het sub 1. en sub 2. bewezenverklaarde feit; de omstandigheid dat de verdachte blijkens het uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister nog niet eerder is veroordeeld; het voorlichtingsrapport van De Opbouw, gedateerd 7 juli 2000; het voorlichtingsrapport van Het Buro Jeugdreclassering Roermond gedateerd 2 augustus 2000 en een aanvulling op dit rapport gedateerd 28 november 2000; het voorlichtingsrapport van de psychiater J.M. Persoon, gedateerd 10 maart 2000; voormelde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf, met dien verstande dat de rechtbank - gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van verdachte - geen werkstraf zal opleggen en evenmin deelname aan het ITB-Criem-project en zal bepalen dat deze straf niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. De rechtbank verwijst daarbij naar de rapportage van de psychiater J.M. Persoon, gedateerd 10 maart 2000 onder meer inhoudende: “ Bespreking van het ten laste gelegde Op 15 juli 1999 kwam zijn voogd hem aankondigen dat betrokkene niet in Venlo kon blijven en dat zij nog een plek voor hem aan het zoeken was. Dit is tegen de verwachtingen van betrokkene die uitging van het idee dat zij ofwel een woning zou regelen, danwel zou regelen dat hij bij vrienden kon verblijven. Zowel de persoonlijkheid als de gebrekkige taalbeheersing dragen bij aan dit soort misverstanden. Betrokkene voelde zich teleurgesteld en legde de oorzaak bij het verbreken door zijn voogdes van de vermeende afspraak. Daarover boos en agressief worden was beter dan de pijn en het machteloze verdriet van de zich weer herhalende afwijzig. Hij is niets waard voor hen, geen toekomst. Ofschoon hij nog enige dagen mocht blijven besloot hij de afwijzing voor te zijn en zich ongenaakbaar op te stellen en zelf weg te gaan. Telefonisch contact met vrienden kwam niet tot stand. Hij mocht niet meer bellen. Hij wilde door de tas van zijn voogdes vast te houden haar dwingen iets te regelen. Hierdoor verbruide bij het helemaal en nu mocht hij niet meer blijven. Zijn spullen worden van zijn kamer gehaald en beneden neergezet. Hij had nu geen oplossing. Tot overmaat van ramp is gebeurd waar hij zo bang voor was en zelfs nog uitgelokt had (zo kenmerkend voor hem!). Een diepe wanhoop overviel hem (in de verhoren van de aanwezigen werd dit een aantal malen vermeld). Vervolgens zette hij deze ondragelijke gevoelens om in aanvankelijk verdere verbale agressie en zette dit kracht bij met de dreiging met het mes. Ik geen toekomst dan jullie ook niet is het thema in zijn geschreeuw. Als uiterste redmiddel besloot hij te dreigen met het mes. Een erg effectieve methode uit zijn vorige levensperiode waar hij vaak zelf het slachtoffer van was. noot rapporteur: Vaak gebeurt het in een dergelijke situatie dat het slachtoffer dader wordt en de controle totaal verliest. Kennelijk was er naast de verdediging van de anderen toch voldoende controle bij betrokkene aanwezig. Naar zijn zeggen had hij niet de intentie hen echt te steken of te doden, maar zich zelf hiermede te helpen: "I did not want to kill. Just to help myself !" Betrokkene beseft dat wat hij gedaan heeft verkeerd is, hij heeft er spijt van, het klopt niet met zijn geweten, noch met dat van zijn ouders. Hij is niet zo opgevoed. Hij zal dit ook niet meer doen, hij heeft ervan geleerd. Hij draagt ook geen mes of wapen als hij op straat slaapt of later in het nachtverblijf voor daklozen. Hij weet dat hij hiervoor straf verdient, deze straf is door zijn dakloosheid al begonnen. Psychiatrisch onderzoek: Betrokkene is goed verzorgd zowel in de maanden dat hij in het daklozencircuit verbleef als daarna. Hij toont uiterlijk conform zijn kalenderleeftijd. Hij heeft aanvankelijk een afwerende houding in het contact, geeft vanuit zijn trots niet duidelijk weer wanneer hij Nederlands of Engels niet goed begrijpt. Later treed er toch contactgroei op vooral na het meer gebruik van tolken. Het denken is in het begin vooral gepreoccupeerd met zijn daklozensituatie en zijn gefrustreerde materiële verwachtingen en het niet naar school kunnen gaan. Daardoor heeft hij geen toekomst. Het verleden wil hij vooral vermijden en toedekken. Dit ter sprake brengen doet hem veel pijn. Er zijn geen stoornissen in realiteitstoetsing Geheugen en oriëntaties zijn intact. De stemming is gelet op de sociale situatie redelijk. Het affect moduleert wat afgevlakt Hij piekert veel en heeft last van nare dromen Hierover doet hij geen mededelingen, behalve dat het komt omdat hij iedere keer van andere daklozen wakker schrikt. Zijn impulsen heeft hij goed onder controle naar zijn zeggen. Hij is ook niet bang voor anderen, hoeft zich ook niet te wapenen met een mes. Conflicten in het daklozencircuit weet hij zonder geweld en middels overleg op te lossen. Diefstal van eten uit zijn ijskast wanneer hij op kamers woont weet hij via overleg op te lossen(dit werd bevestigd door zijn voogd) Diagnostische en forensisch psychiatrische beschouwingen Eigenlijk is het delict het gevolg van een aaneenschakeling van gebeurtenissen bij een nog onvolgroeide jongeman, die vele traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt en heel hoge materiële verwachtingen heeft van Nederland. Door taalachterstand en het vrij spoedig na aankomst in Nederland overlijden van vader werd veel van zijn aanpassingsvermogen gevraagd. Of hij kort na aankomst een depressieve stoornis doormaakte zich uitend in zijn gedrag is achteraf bij hem moeilijk vast te stellen gelet op zijn beperkt reflecterend vermogen en zijn neiging niet terug te willen blikken op het verleden. Er zijn aanwijzingen dat hij om in DSM termen te spreken een gemengde aanpassingsstoornis had met stoornis in emoties en gedrag. Aangezien dit niet herkend werd en hij niet openstond voor gesprekken kwam hij in een vicieuze cirkel van overplaatsingen en de daaraan gekoppelde nieuwe benodigde aanpassingen. Zijn gedrag wat ook anti-groepskenmerken vertoonde zou ook kunnen passen bij een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische kenmerken, indien aldus beleefd door de hulpverlening wordt hij sneller afgewezen. Als afweer lokt hij alvast maar de afwijzing uit, dan is het maar alvast gebeurd. Personen die langdurig getraumatiseerd zijn kunnen echter ook dit gedrag vertonen. De traumatisatie leidde tot secundaire karakterologische veranderingen, die hersteld kunnen worden. Er werd zelfs overwogen in de DSM een aparte naam te geven: posttraumatische persoonlijkheidsstoornis. Door de aparte entiteit van deze stoornis geeft men ook de mogelijkheden tot behandeling en herstel aan. In dit stadium kiest betrokkene voor het toedekken en verdringen van het verleden en toont zich niet toegankelijk voor exploratie en behandeling. Door een nieuw leven op te bouwen wil hij het verleden de baas worden. In een groot aantal gevallen zal deze strategie werken of kan later behandeld worden, wanneer de omstandigheden gunstiger zijn. Gelet op bovenstaande en zijn leeftijd is een definitieve persoonlijkheidsdiagnose nog niet te stellen. Echter duidelijk is dat er onvolkomenheden zijn en er nog groei moet plaats vinden. In de redelijk lange periode van het onderzoek hebben zich daarbij een aantal gunstige ontwikkelingen voor gedaan. (mede door de relatie met R.B. van de Opbouw en G.J. van het Straathoekwerk). Tijdens het delict werden deze onvolkomenheden duidelijk door hem gedemonstreerd. Situatie en gedrag na het delict. Betrokkene werd uit voorlopige hechtenis in verband met leeftijd ontslagen. Er was geen opvang mogelijk in justitiële of andere jeugdinrichtingen. Regelingen van het Centraal Opvangorgaan Asielzoekers verhinderden dat hij bij Somaliërs ondergebracht kon worden. Hij sliep op straat en kreeg zwerfgeld van zijn nieuwe Opbouw voogd op het politiebureau te Roermond. Na enige weken kon hij in de nacht opvang voor daklozen verblijven en na enige maanden zo geleefd te hebben kon hij door samenwerking met het straathoekwerk en de Opbouw naar een kamer verhuizen. Aanvankelijk werd het contact vooral bepaald door zijn dwingende vraag om materiële zaken over het verleden praatte hij nauwelijks. Dit was en is in zekere mate ook functioneel aangezien hij anders overspoeld zou worden door negatieve herinneringen en de daaraan gekoppelde machteloosheid. Eenmaal ging hij in het begin een handgemeen aan met de politie toen hij daar wilde blijven en huisvesting wilde (een weinig adequate keuze kenmerkend voor zijn wanhoop en probleemoplossend vermogen). Nadat hij vrijwel zeker afgewezen zou worden door de Abri in Amsterdam (een opvang huis voor jonge asielzoekers) dreigde hij zich voor de tram te gooien. In de moeilijke daklozensituatie waaraan hij zich zou kunnen onttrekken door zich in de criminaliteit en drugs te begeven of waarin hij makkelijk betrokken zou kunnen worden zoals zo vaak met deze jongeren gebeurt bleef hij standvastig zijn eigen gang gaan. In dit geval bleek zijn ongenaakbare individuele (versus een sociale opstelling) een voordeel. Na zijn vele verlieservaringen in verband met Somalië en de vele wisselingen van begeleiders in de Nederlandse situatie is hij zeer terughoudend weer een werkrelatie met een voogd aan te gaan. Hij durft ook weinig mensen te vertrouwen. De relaties die hij aangaat zijn dan in eerste instantie vooral instrumenteel cq. functioneel om zijn materiële basisbehoeften te vervullen. Er heeft zich echter wel geleidelijk aan een stuk vertrouwen ontwikkeld met zijn voogd en het straathoekwerk. Bij deze laatste instantie is hij bij wijze van spreke kind aan huis. Door deze mensen laat hij zich adviseren. Zijn Nederlands en Engels verbetert en hij doet steeds meer probleemoplossende vaardigheden op, geschikt voor de Nederlandse situatie. Zijn frustratie tolerantie neemt toe en problemen na diefstal van voedsel uit zijn ijskast door een andere kamerbewoner weet hij goed op te lossen. De huidige hulpverlening probeert inmiddels met succes hem tot de internationale schakelklas toegelaten te krijgen. Door omstandigheden was dit eerder mislukt en viel betrokkene tussen de wal en het schip. Het contact met andere jongeren in een degelijke setting zal bijdragen aan zijn ontwikkeling op taalgebied en sociale vaardigheden. Ook is er contact met de RIAGG gelegd. Inmiddels is hij woonachtig bij een oudere Somaliër en verloopt dit goed, hij vindt eindelijk sociale en emotionele steun van zijn omgeving, zonder dat deze omgeving weer te dicht op hem zit zoals voorheen. Er is bij betrokkene sprake van een scheefgroei of onvolkomenheid in de nog niet volgroeide persoonlijkheid van deze jongere, die door zijn asielproblematiek taalachterstand en verlieservaring en nog niet voldoende andere probleemoplossende vaardigheden heeft ontwikkeld. Zijn vermogen om juist in te schatten wat voor effect zijn agressieve gedrag heeft op de anderen schoot ernstig te kort. Betrokkene heeft blijk gegeven toch groeimogelijkheden te hebben en relaties met de hulpverlening aan te gaan. …/… Om de kans op herhaling te voorkomen zowel gelet op de mogelijkheden van Justitie, COA en Opbouw ,als gelet op de persoonlijkheid van betrokkene die zich zo moeilijk openstelde voor begeleiding (laat staan behandeling) is het raadzaam het ingezette traject met de huidige Opbouwvoogd en het Straathoekwerk te continueren. Onder moeilijke omstandigheden is er veel bereikt. Deze relaties hebben ook een helende invloed. Op diverse levensgebieden zoals huisvesting, relaties en school vinden positieve ontwikkelingen plaats. Deze ontwikkelingen dragen bij aan betere probleemoplossende vaardigheden van betrokkene en daardoor aan het verkleinen van de kans op recidive. Onderbreken door een gevangenisstraf of gedwongen behandeling zou het reeds in gang gezette hulpverleningsproces verstoren. Aangezien het gedwongen dakloos zijn met de daaraan gekoppelde ontberingen door betrokkene als straf ervaren zijn zou een voorwaardelijke (of alternatieve) straf (met de maximale proeftijd van twee jaar) met onder toezichtstelling van de jeugdreclassering bij voorkeur tot 21 jaar een voldoende kader kunnen geven voor betrokkene om niet terug te vallen. Tevens kan bij tegenslagen of onenigheden de reclassering een externe autoriteit zijn voor betrokkene en een steun in de rug zijn voor de hulpverleners.” De rechtbank is van oordeel dat deelname, als door de officier van justitie gevorderd, aan het ITB-Criem project, mede gelet op de positieve ontwikkeling die verdachte het afgelopen jaar heeft doorgemaakt, thans niet meer is geïndiceerd. De rechtbank acht het echter van belang dat de positieve ontwikkeling van verdachte wordt voortgezet en zal ter ondersteuning en begeleiding bij de op te leggen voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde bepalen dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal dienen te houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering. 11.3 Teruggave Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat onder meer inbeslaggenomen is: een mes. Nu met betrekking tot dit voorwerp niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering, dient dit voorwerp te worden teruggeven aan degene aan wie het toebehoort, zoals hierna in het dictum genoemd. 12. Toepasselijke wetsartikelen Na te melden beslissing is gegrond op de artikelen: Wetboek van Strafrecht art. 27, 77a, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 139, 180, 285 BESLISSING De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en verklaart verdachte terzake strafbaar; veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden; beveelt dat deze jeugddetentie niet zal worden tenuitvoergelegd tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt bepaald op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd; stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg te Roermond, afdeling Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling overeenkomstig artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht. beveelt dat de tijd door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan verdachte opgelegde vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 21 februari 2001; T.a.v. feit 1, feit 2: gelast de teruggave van het inbeslaggenomene, te weten: een mes, merk: prestige; kleur: zilver aan: [de eigenaar] Dit vonnis is gewezen door mrs H.A.M.J.Paulussen, P.C.G. Brants en J.A.G.F. Custers, allen kinderrechter, van wie mr. P.C.G. Brants voorzitter, in tegenwoordigheid van H.M.M. Muijzers als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 februari 2001.