Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0542

Datum uitspraak2001-03-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 99/881
Statusgepubliceerd


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven (vijfde enkelvoudige kamer) No.AWB 99/881 1 maart 2001 26100 Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: mr W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, tegen de Regionale Directie voor de Arbeidsvoorziening Zuidelijk Noord-Holland, verweerster, gemachtigden: mr P. van Zanten en mr J. Huisman. 1. De procedure Op 3 november 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerster van 27 september 1999. Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellant tegen het besluit 19 juli 1999, waarbij is geweigerd appellant in te schrijven als werkzoekende, ongegrond verklaard. Verweerster heeft op 18 januari 2000 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 januari 2001. Bij die gelegenheid heeft verweerster bij monde van haar gemachtigden haar standpunt nader toegelicht. Appellant heeft het College bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn. 2. De grondslag van het geschil 2.1 De toepasselijke voorschriften Bij artikel 69, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hierna ook: de Wet), is voor zover hier van belang, bepaald dat het recht zich als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren toekomt aan: " (.) c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;" 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij besluit van 19 juli 1999 heeft verweerster geweigerd appellant, die de Turkse nationaliteit bezit, in te schrijven als werkzoekende op de grond dat appellant niet in het bezit is van een geldige vergunning tot verblijf, waaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. - Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend. - Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant kennelijk ongegrond verklaard, waartoe onder meer is overwogen dat appellant niet het vereiste (vreemdelingen)document heeft getoond bij het arbeidsbureau C en dat de weigering tot inschrijving als werkzoekende derhalve in overeenstemming is met artikel 69 van de Wet. - Bij brief van 15 januari 2001 heeft verweerder medegedeeld dat blijkens informatie van de Immigratie en Naturalisatiedienst appellant in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van de "witte-illegalenregeling" en dat appellant zich op 18 augustus 1999 bij voornoemd arbeidsbureau als werkzoekende heeft laten inschrijven. Ter zitting is van de zijde van verweerster betwijfeld of appellant nog wel belang heeft bij voortzetting van de onderhavige beroepsprocedure. 3. De beoordeling van het geschil Voorzover verweerster van mening is dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat appellant geen belang meer heeft bij een uitspraak ten gronde van dit geding, overweegt het College dat verweerster eerst daags voor de zitting, nadat appellant al had laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen, heeft medegedeeld dat appellant als werkzoekende is ingeschreven. Onder deze omstandigheden ligt het, naar het oordeel van het College, niet in de rede om het beroep van appellant wegens het daaraan komen te ontvallen van procesbelang niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts stelt het College vast dat appellant ten tijde hier in geding - het moment waarop het bestreden besluit werd genomen - niet beschikte over een verblijfsdocument, als omschreven in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet. Reeds op grond hiervan kan het College tot geen andere conclusie komen dan dat aan appellant niet het recht toekwam zich als werkzoekende te laten inschrijven en - in samenhang hiermee - dat verweerster gehouden was de inschrijving van appellant als werkzoekende te weigeren. Het door appellant in beroep gestelde, dat neerkomt op een verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar had aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet kan slagen. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. 4. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2001. w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens