Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB0908

Datum uitspraak2001-03-28
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 01/209
Statusgepubliceerd


Uitspraak

De president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 01/209 28 maart 2001 11230 Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van: A, B, C, D, E en F, G, H, I, J, K, L, M, N, O, P en Q, R, te S en T, te U, verzoekers, gemachtigden: mr W.F. van Oostveen en mr J.T.A.M. van Mierlo, advocaten te Deventer, tegen de Directeur van de Rijksdienst voor de Keuring van vee en vlees, te Voorburg, verweerder, gemachtigden: drs F.H. Pluimers, werkzaam bij verweerder en mr H.C.M. Borman-Nijman, werkzaam bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. 1. De procedure Bij gelijkluidende besluiten van 27 maart 2001 heeft verweerder aan verzoekers medegedeeld dat alle evenhoevige dan wel voor mond- en klauwzeergevoelige dieren op de bedrijven van verzoekers met ingang van 27 maart 2001 als verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt, alsmede dat ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan het noodzakelijk is dat alle evenhoevige dieren op de bedrijven van verzoekers worden gedood en dat deze dieren, in afwachting hiervan, worden gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer, over het precieze tijdstip verzoekers nader zullen worden ge‹nformeerd. Tegen deze beslissingen hebben verzoekers bij brieven van 27 maart 2001 bezwaar- schriften bij verweerder ingediend. Op 27 maart 2001 hebben verzoekers zich eveneens tot de president van het College gewend met het verzoek, bij wege van een voorlopige voorziening, deze besluiten van verweerder te schorsen, dan wel verweerder te verbieden om over te gaan tot het verrichten van noodvaccinaties. De president heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 28 maart 2001, waar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil De considerans, alsmede de artikelen 2, 4,5 en 13 van de Richtlijn 85/511/EEG van 18 november 1985 van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd in Richtlijn 90/423 van 26 juni 1990 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer, luiden, voor zover hier van belang, als volgt: " (.) Overwegende dat, zodat de aanwezigheid van de ziekte wordt vermoed, maatregelen moeten worden getroffen om de ziekte onmiddellijk doeltreffend te kunnen bestrijden nadat bevestiging van het vermoeden is verkregen; (.) (.) Artikel 2 (.) Voorts wordt verstaan onder: a) (.) b) (.) c) besmet dier: alle voor de ziekte vatbare dieren waarop: - klinische symptomen of na het slachten letsels werden vastgesteld die op mond- en klauwzeer kunnen duiden, of - de aanwezigheid van mond- en klauwzeer officieel werd vastgesteld na laboratoriumonderzoek; d. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die klinische symptomen of na het slachten letsels vertonen, zodat met recht de aanwezigheid van mond- en klauwzeer mag worden vermoed: e. van besmetting verdacht dier: alle voor de ziekte vatbare dieren die - volgens de ingewonnen epizo”tiologische inlichtingen - rechtstreeks of onrechtstreeks in contact kunnen zijn geweest met het mond- en klauwzeervirus. Artikel 4 1. De Lidstaten zien erop toe dat, wanneer er zich op een bedrijf een of meer van besmetting verdachte dieren bevinden, onverwijld een officieel onderzoek wordt ingesteld om na te gaan of deze ziekte al dan niet aanwezig is, en in het bijzonder dat de offici‰le dierenarts de passende monsters neemt of laat nemen voor laboratoriumonderzoek. Zodra de bevoegde autoriteit van de verdenking in kennis gesteld is, laat zij het bedrijf onder officieel toezicht plaatsen en geeft zij met name opdracht: - alle dieren van alle categorie‰n voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf te tellen en voor iedere categorie het aantal dieren aan te geven dat reeds gestorven is dan wel mogelijk besmet is; bij de telling moeten ook de dieren in aanmerking worden genomen die in de periode van verdenking geboren en gestorven zijn; de gegevens van deze telling moeten op verzoek worden overgelegd en kunnen bij elke inspectie worden gecontroleerd, - alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf op stal te houden of onder te brengen op andere plaatsen waar zij ge‹soleerd kunnen worden, (.) 2. De bevoegde autoriteit kan de in lid 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf die van de ziekte worden verdacht, voor een eventuele besmetting moet worden gevreesd. 3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden pas opgeheven wanneer officieel is vastgesteld dat het vermoeden van mond- en klauwzeer niet langer bestaat. Artikel 5 Zodra is bevestigd dat zich in een bedrijf een of meer dieren als omschreven in artikel 2, onder c, bevinden, zien de Lid-Staten erop toe dat de bevoegde autoriteit de volgende maatregelen neemt: 1. De offici‰le dierenarts neemt de passende monsters of laat deze nemen met het oog op de onderzoeken door het in de bijlage vermelde laboratorium, wanneer deze monsternemingen en onderzoeken niet zijn verricht tijdens de periode van verdenking overeenkomstig artikel 4, lid 1, eerste alinea; 2. Naast de in artikel 4, lid 1, genoemde maatregelen, worden onverwijld de volgende maatregelen getroffen: - worden alle voor de ziekte vatbare dieren op het bedrijf onder officieel toezicht ter plaatse afgemaakt, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen, - worden voornoemde dieren, na het afmaken, onder officieel toezicht vernietigd, op zodanige wijze dat alle gevaar voor verspreiding van het mond- en klauwzeervirus kan worden voorkomen, (.) 3. De onder 1 bedoelde bepalingen kunnen buiten werking worden gesteld wanneer een secundaire besmettingshaard optreedt die epidemiologisch is verbonden met een primaire besmettingshaard waarvoor reeds monsters zijn genomen; 4. de bevoegde autoriteit kan de onder 1 bedoelde maatregelen uitbreiden tot de onmiddellijk aangrenzende bedrijven, wanneer in verband met de ligging hiervan, de plaatselijke situatie of de contacten met de dieren van het bedrijf waar de ziekte werd geconstateerd, voor een besmetting moet worden gevreesd. Artikel 13 1. De Lid-Staten zien erop toe dat: - het gebruik van mond- en klauwzeervaccins verboden wordt; (.) 3. Onverminderd het bepaalde in lid 1 met betrekking tot het gebruik van mond- en klauwzeervaccins, kan worden besloten een noodvaccinatie uit te voeren op een wijze die een volledige immuniteit van de dieren garandeert, wanneer de aanwezigheid van mond- en klauwzeer is bevestigd en de ziekte zich op grote schaal dreigt te verspreiden. De in dat geval te nemen maatregelen hebben met name betrekking op: - de omvang van het geografisch gebied waar de noodvaccinatie moet worden uitgevoerd, - soort en leeftijd van de te vaccineren dieren - de duur van de vaccinatiecampagne - een specifiek verbod op verplaatsing voor gevaccineerde dieren en de producten daarvan - het specifieke merken en registreren van de gevaccineerde dieren - andere in verband met de noodsituatie vereiste maatregelen. Het besluit om tot noodinenting over te gaan wordt genomen door de Commissie, in samenwerking met de betrokken Lid-Staat, volgens de procedure van artikel 16. Bij dit besluit wordt in het bijzonder rekening gehouden met de dichtheid van de veebezetting in sommige gebieden en de noodzaak speciale rassen te beschermen. In afwijking van de eerste alinea mag het besluit om tot noodinenting rond de ziektehaard over te gaan evenwel worden genomen door de betrokken Lid- Staat na kennisgeving aan de Commissie, mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Dit besluit wordt onmiddellijk ge‰valueerd in het kader van het Permanent Veterinair Comit‚ volgens de procedure van artikel 16." Een ingevolge deze Richtlijn vastgestelde beschikking van de Europese Commissie (hierna: de Commissie) van 27 maart 2001 (hierna: de beschikking) luidt, voor zover hier van belang: " Overwegende hetgeen volgt: (.) 6. Het op grote schaal doden van dieren of besmette of verontreinigde bedrijven kan er al snel toe leiden dat de capaciteit voor het veilig vernietigen van karkassen is opgebruikt waardoor onvermijdelijk vertraging ontstaat bij het preventief doden, wat dan weer kan leiden tot verdere verspreiding van het virus. (.) 9. Toepassing van vaccinatie zal onvermijdelijk de status ten aanzien van mond- en klauwzeer in het internationale handelsverkeer in het gedrang brengen, niet alleen voor de lidstaat of het deel van het grondgebied van de lidstaat waar vaccinatie wordt uitgevoerd. (.) Artikel 1 Voor de toepassing van deze beschikking gelden de onderstaande definities: (.) 2. Suppressievaccinatie: noodvaccinatie van dieren van gevoelige soorten op ge‹dentificeerde bedrijven in een bepaald gebied, het vaccinatiegebied, die uitsluitend wordt uitgevoerd in combinatie met preventieve doding als omschreven in punt 1. (.) Artikel 2 1. Onverminderd Richtlijn 85/511/EEC, en met name de artikelen 4,5 en 9, mag Nederland besluiten gebruik te maken van suppressievaccinatie onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden. (.)" In de in dit artikel genoemde bijlage is onder meer het volgende bepaald: " Voorwaarden voor de toepassing van suppressievaccinatie bij de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer op grond van artikel 13, lid 3 van Richtlijn 85/511/EEG 1. Omvang van het geografische gebied waar suppressievaccinatie wordt toegepast. Het vaccinatiegebied omvat een gebied met een straal van maximaal 2 km rond een bedrijf waarvoor de in artikel 4 of artikel 5 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde beperkende maatregelen worden toegepast. Het vaccinatiegebied moet gelegen zijn in het in bijlage I bij Beschikking 2001/223/EG van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd, vastgestelde deel van het grondgebied van Nederland. (.) Andere in verband met de suppressievaccinatie vereiste maatregelen 6.1. Aanpassing van de overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 85/511/EEG vastgestelde gebieden. Een beschermingsgebied van ten minste 2 km en een toezichtsgebied van en minste 10 km rond het in punt 1 bedoelde vaccinatiegebied. (.)" In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: de wet), is het volgende bepaald: " Artikel 15 (...) 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt. Artikel 17 1. Onze Minister kan hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan bevelen dat dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast, daartegen op een door hem te bepalen wijze voorbehoedend worden behandeld, worden gemerkt, worden opgesloten of aangelijnd, dan wel voor die dieren andere maatregelen bevelen ter voorkoming van overbrenging van besmetting. (.) Artikel 21 1. Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar deelt de burgemeester, zo nodig na overleg met het hoofd van de voor de provincie waar het geval zich heeft voorgedaan, door de stichting genoemd in artikel 82 aangewezen of ingestelde gezondheidsdienst voor dieren, zo spoedig mogelijk mede welke maatregelen tot bestrijding van de ziekte door hem nodig worden geacht. 2. De burgemeester neemt de nodig geachte maatregelen zo spoedig mogelijk. 3. In spoedeisende gevallen neemt de in het eerste lid bedoelde ambtenaar deze maatregelen zelf en stelt hij de burgemeester dan onmiddellijk in kennis. Artikel 22 1. De in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn: (.) f. het doden van zieke en verdachte dieren; (.) j. het behandelen van dieren op een door Onze Minister aangegeven wijze. Artikel 24 Een door Onze Minister aangewezen ambtenaar stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de verdenking is ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip van de ziekte verdacht waren. Artikel 31 Indien in het belang van de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken. Artikel 109 Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Artikel 111 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter uitvoering van krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde verplichtingen inzake onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, regelen worden gesteld waarbij kan worden afgeweken van bepalingen van deze wet." In het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) (hierna: het besluit) is onder meer het volgende bepaald: " Artikel 2 Dieren worden als verdachte dieren aangemerkt, indien: (.) c. de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet, en de diersoort voor de desbetreffende besmettelijke dierziekte vatbaar is." In de Regeling noodvaccinatie mond- en klauwzeer 2001 van 21 maart 2001 (hierna: de Regeling), is onder meer bepaald: " Artikel 1 Voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren binnen een van de op grond van de artikelen 17 en 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, worden in een door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees te bepalen zone rond de ziektehaard overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer." In de Regeling toezichtsgebied Oene, Olst, Welsum, Nijbroek, Doornspijk, Nunspeet en Oosterwolde mond en klauwzeer 2001 van 24 maart 2001 (hierna: de Regeling toezichtsgebied) is het toezichtsgebied Nijbroek vastgesteld. 2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden. - Op 23 maart 2001 zijn klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer op een bedrijf in S (hierna: het primaire bedrijf) aangetroffen. - De bedrijven van verzoekers zijn gelegen binnen een straal van 2 kilometer binnen het primaire bedrijf. - Bij brief van 26 maart 2001 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: de Minister) de Voorzitter van de Tweede kamer der Staten- Generaal nadere informatie doen toekomen met betrekking tot de uitbraak van mond- en klauwzeer in Nederland. In die brief staat onder meer het volgende vermeld: " In het Permanent veterinair Comit‚ van 23 maart heeft de Commissie een voorstel gepresenteerd om Nederland, onder bepaalde voorwaarden, toe te staan noodvaccinatie toe te passen. Tot mijn genoegen heeft dit voorstel in het PVC in ruime mate steun ontvangen: (.) De noodvaccinatie mag in Nederland slechts worden toegepast op veehouderijbedrijven die preventief zullen worden geruimd, dat wil zeggen zijn gelegen binnen de zone van 1 km (of zonodig 2 km) rond een besmet bedrijf. Voorwaarde daarbij is dat kan worden aangetoond dat de dodings- en/of destructiecapaciteit ontoereikend was om het preventieve ruimen. De ge‰nte dieren dienen binnen 2 maanden alsnog gedood en vernietigd te worden. De noodenting is daarmee, ik wijs daar met nadruk op, geen alternatief voor het preventief ruimen, maar een instrument om het ruimen gefaseerd te kunnen uitvoeren zonder dat het risico wordt gelopen dat het MKZ-virus zich verder verspreidt. Noodenting mag, zo is nadrukkelijk door de Commissie bepaald, niet worden toegepast rond de bedrijven die op 23 maart reeds besmet of verdacht waren (Olst, Welsum, Oene, Maaren Kessel, Beesd, Sprang-Capelle en Oosterwolde). Nu er nieuwe besmettingen rondom Oene zijn geconstateerd zal dit het eerste gebied zijn waar gevaccineerd zal worden. In een aaneengesloten gebied wordt in een straal van 2 km rond de besmettingshaarden van buiten naar binnen noodvaccinatie toegepast. (.)" - Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen. 3. Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en het standpunt van verweerder Het besluit ten aanzien waarvan het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan houdt onder meer het volgende in: " Hierbij deel ik u, overeenkomstig artikel 24 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), mede dat alle evenhoevige danwel voor mond- en klauwzeer gevoelige dieren op uw bedrijf op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren (Stb. 1994, 731) met ingang van heden als verdacht van mond- en klauwzeer worden aangemerkt. De reden van verdenking is dat in de omgeving van uw bedrijf, te weten in Nijbroek op 23 maart 2001 een geval van mond- en klauwzeer is vastgesteld. Daardoor kan niet uitgesloten worden dat de dieren op uw bedrijf in de gelegenheid zijn geweest om te worden besmet met mond- en klauwzeer. Voorts deel ik u mede, dat ik overeenkomstig artikel 21, derde lid, van de GWWD spoedheidshalve de volgende maatregelen neem: 1. Ter bestrijding van het mond- en klauwzeervirus en ter voorkoming van verspreiding ervan is het noodzakelijk dat alle evenhoevige dieren op uw bedrijf, overeenkomst artikel 22, eerste lid, onderdeel f, van de GWWD, worden gedood. Over het precieze tijdstip van het doden van de dieren zult u nog nader ge‹nformeerd worden. In afwachting van het doden van de op uw bedrijf aanwezige evenhoevige dieren zullen zij overeenkomstig artikel 17, eerste l lid, van de GWWD worden gevaccineerd tegen mond- en klauwzeer. Het vaccineren geschiedt namens de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees. De gevaccineerde dieren worden terstond na de vaccinatie voorzien van een daartoe door de directeur van de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees aangewezen identificatiemerk.Over het precieze tijdstip waarop uw dieren gevaccineerd zullen worden zult u nog ander ge‹nformeerd worden." Ter zitting heeft verweerder daaraan nog het volgende toegevoegd. De onderhavige besluiten zijn overeenkomstig de Europese en nationale wet- en regelgeving genomen. De beschikking biedt grondslag voor verweerder om noodvaccinaties uit te voeren alvorens tot preventieve ruiming over te gaan bij verdachte dieren op bedrijven rond een straal van 2 km binnen een ziektehaard. Ook zonder deze beschikking is het verweerder toegestaan noodvaccinaties uit te voeren. Verweerder heeft immers van zijn beslissing omtrent het uitvoeren van noodvaccinaties, conform het bepaalde in artikel 13, derde lid van de Richtlijn kennis gegeven aan de Commissie. Derhalve is het verweerder toegestaan om in de door de Minister op grond van de artikelen 17 en 30 van de wet aangewezen toezichtsgebieden inzake mond- en klauwzeer, waaronder S, noodvaccinaties uit te voeren. De Regeling maakt geen onderscheid tussen gevallen van besmetting van v¢¢r of na 23 maart 2001. De beslissing van verweerder dat noodvaccinaties plaatsvinden binnen een straal van 2 km binnen de ziektehaard vindt zijn grondslag in de ter zitting getoonde topografische kaart, waarop de locatie van de ziektehaard te aangewezen, alsmede het aansluitende gebied binnen een straal van 2 km rond de ziektehaard, welke door verweerder is vastgesteld. Er is geen apart schriftelijk besluit tot vaststelling van de zone. De bedrijven die gelegen zijn binnen een straal van 2 km rond de ziektehaard krijgen van deze zone-aanwijzing individueel bericht. De bedrijven van verzoekers zijn gelegen in een straal van 2 km rond de ziektehaard in S. De brief van de Minister van 26 maart 2001 betekent niet dat hij bij de bedrijven van verzoekers niet tot noodvaccinaties zou mogen overgaan. Deze brief betreft slechts een politieke afspraak, die uitsluitend geldt tussen de Lid-staten onderling en niet tussen verweerder en verzoekers, terwijl de in die brief weergegeven afspraak inmiddels ook achterhaald is. Bovendien was de uitslag van het bloedmonster van het besmettingsgeval in S eerst laat op de avond van 23 maart 2001 bekend. Drs Pluimers heeft de achtergrond van voornoemde afspraak geschetst. Verweerder heeft bij de Commissie drie bestaande gevallen van besmetting en vier gevallen waarbij verdenking van besmetting bestond, zijn genoemd. Er is op 23 maart 2001 een politiek akkoord bereikt dat deze zeven gevallen, gelet op de aanwezigheid van voldoende capaciteit tot ruiming van bedrijven in Nederland, welke in de brief zijn vermeld, geen aanleiding vormden voor noodvaccinatie. De bekende gevallen van besmetting konden binnen 4 dagen worden vernietigd. Toen vervolgens onvoldoende capaciteit ontstond, heeft verweerder de Commissie zijn voornemen kenbaar gemaakt over te gaan op aan preventieve ruiming voorafgaande noodvaccinatie. Hiertoe bestond in verband met het besmettingsgevaar aanleiding in verband met de lange periode gelegen tussen het besluit tot preventief ruimen en de uitvoering daarvan. In overleg met en op aandringen van de Commissie op 26 maart 2001 is vervolgens door verweerder de reeds eerder voor noodvaccinaties vastgestelde zone van 1 km naar 2 km binnen de besmettingshaard verschoven. De verschijnselen van mond- en klauwzeer op het primaire bedrijf waren verweerder eerst op 24 maart 2001 bekend. Verweerder concludeert tot afwijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. 4. Het standpunt van verzoekers Verzoekers hebben - samengevat - het volgende aangevoerd. Ten onrechte heeft verweerder besloten om noodvaccinaties uit te voeren. Immers, blijkens brief van de Minister van 26 maart 2001 heeft de Minister verklaard dat noodentingen niet worden toepast op de bedrijven in met name genoemde dorpen/gemeenten, die op 23 maart 2001 reeds besmet of verdacht waren, waarbij S niet werd genoemd. Dit laatste ten onrechte aangezien dierenarts V reeds op 23 maart 2001 om 12.15 uur klinische verschijnselen van mond- en klauwzeer bij dieren bij een bedrijf in S heeft aangetroffen. Daarmee is vast komen te staan dat dit bedrijf op 23 maart 2001 verdacht wordt van mond- en klauwzeer waardoor het gerekend moet worden tot de bestaande gevallen waarvoor geen noodvaccinatie mag worden toegepast. Aangezien S ‚‚n van de zeven gevallen was die bekend waren op 23 maart 2001 en waarvoor geen noodvaccinatie zou worden toegepast, is in de onderhavige gevallen de Regeling niet van toepassing en ontbeert verweerder de bevoegdheid om in S noodvaccinaties uit te voeren binnen een straal van 1 dan wel 2 km rond de ziektehaard. Aan de bestreden besluiten ligt een bevoegdheidsgebrek ten grondslag, aangezien de mandatering door de Minister van de bevoegdheid op grond van artikel 1 van de Regeling aan verweerder niet van kracht is. Immers, de door verweerder overgelegde mandaterings- regeling is niet gepubliceerd in de Staatscourant en heeft ook overigens geen terugwerkende kracht. Voorts zijn de beslissingen van verweerder tot noodvaccinatie niet gebaseerd op wet/regelgeving. Verweerder heeft niet aangetoond op welke wijze de cirkel van 2 km wordt vastgesteld. Met betrekking tot de spoedeisendheid van de door hen verzochte voorlopige voorziening, hebben verzoekers erop gewezen dat de gehele veestapel, althans de evenhoevige dieren op de bedrijven van verzoekers op 28 maart 2001 op de planning van verweerder staan voor noodvaccinaties. Gelet daarop hebben zij een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. 5. De beoordeling van het geschil Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de president van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hieromtrent overweegt de president als volgt. Partijen verschillen niet van mening dat de dieren op het primaire bedrijf in de zin van de Richtlijn als besmet dienen te worden aangemerkt, hetgeen ook uit de overgelegde stukken blijkt. Zulks brengt met zich dat de onderhavige dieren terecht in de zin van artikel 15, vierde lid, van de wet en het besluit door verweerder als verdachte dieren zijn aangemerkt. De president ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder de bevoegdheid toekomt om de onderhavige maatregelen te nemen. Ingevolge artikel 21 van de wet kan de aangewezen ambtenaar in spoedeisende gevallen overgaan tot het nemen van maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte, zoals mond- en klauwzeer. Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder f, kunnen die maatregelen zijn het doden van zieke en verdachte dieren. De president is voorshands van oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in de artikelen 13, derde lid van de Richtlijn, juncto artikelen 22, eerste lid, aanhef en onder j en 17, eerste lid van de wet, juncto artikel 1 van de Regeling de bevoegdheid heeft om de dieren op de bedrijven bij verzoekers in een door verweerder te bepalen zone rond de ziektehaard in S overeenkomstig de door hem gegeven aanwijzingen te vaccineren tegen mond- en klauwzeer alvorens tot doding over te gaan. De president is daarbij van oordeel dat de Regeling reeds sedert 21 maart 2001 in werking is getreden. De Regeling geeft verweerder ook zonder mandaat de bevoegdheid de zone te bepalen. De president overweegt voorts dat verweerder ook de bevoegdheid te beslissen tot enting toekomt zonder toestemming van de Commissie. In dit verband overweegt de president dat artikel 13, derde lid, laatste alinea van de Richtlijn de mogelijkheid aan de betrokken Lid- Staat biedt te besluiten tot noodinenting over te gaan, zulks rond de ziektehaard, na kennisgeving aan de Commissie en mits de wezenlijke belangen van de Gemeenschap niet in gevaar worden gebracht. Verweerder heeft conform het bepaalde in dit artikel aan de Commissie kennis gegeven van zijn besluit om tot noodinenting over te gaan. Gesteld noch gebleken is dat de wezenlijke belangen van de Gemeenschap in gevaar worden gebracht. De president ziet derhalve niet in, daargelaten de vraag of de besmetting op 23 maart 2001 dan wel op een later tijdstip in S is vastgesteld, dat verweerder op grond van voornoemde wet- en regelgeving niet de bevoegdheid zou hebben om in de onderhavige gevallen over te gaan tot het uitvoeren van aan doding voorafgaande noodvaccinaties. De brief van de Minister van 26 maart 2001 leidt, gelet op hetgeen hierboven overwogen is, naar het voorlopig oordeel van de president, niet tot een ander oordeel. Hierbij wordt door de president beslissend belang gehecht aan hetgeen ter zitting door drs Pluimers naar voren is gebracht, inhoudende dat voornoemde brief het overleg weerspiegelt in het Permanent Veterinair Comit‚ van 23 maart 2001, waarbij afspraken tot stand zijn gekomen naar aanleiding van de verklaringen van verweerder dat op dat moment voldoende capaciteit aanwezig was voor ruiming van zeven gevallen. Niet is gebleken dat bij die afspraken het onderhavige geval van besmetting was betrokken. Op die afspraken kon ook nog worden teruggekomen toen capaciteitsgebrek ontstond in verband met andere, niet in voornoemd overleg betrokken, gevallen van besmetting en verdenking van besmetting, zoals het onderhavige. Gelet hierop vormt voornoemde brief voor verweerder zeker geen juridische belemmering voor het toepassen van de onderhavige maatregelen. Vervolgens is aan de orde de vraag of verweerder op juiste gronden gebruik heeft gemaakt van voornoemde bevoegdheid en heeft mogen beslissen om in de onderhavige gevallen noodvaccinaties uit te voeren en vervolgens te doden alsmede om de zone te S uit te breiden van 1 naar 2 km binnen de ziektehaard aldaar. Dienaangaande overweegt de president dat hem slechts een marginale toetsing toekomt. De president toetst met name of het betrokken gezag op feitelijk juiste grondslag tot zijn oordeel is gekomen en voorts of gezegd moet worden dat het betrokken gezag niet in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen. Voor het oordeel dat het beleid van verweerder om in een situatie als thans aan de orde over te gaan tot aan doding voorafgaande vaccinatie en tot doding van dieren, waaronder die van verzoekers, binnen een straal van 2 km rond het bedrijf S, onmiskenbaar onrechtmatig is, zodat de voorgenomen maatregelen moeten worden geschorst, ziet de president voorshands geen plaats. De president overweegt daaromtrent dat de aard van de maatregel inderdaad onmiskenbaar uiterst rigoureus is, maar naar het oordeel van de president niet onredelijk. Bij dit oordeel wordt betrokken dat door verzoekers wordt erkend dat hun bedrijven zijn gelegen binnen een straal van 2 km binnen de ziektehaard. Voorts wordt daarbij betrokken het mogelijk epidemisch karakter van de ziekte. Van belang daarbij is de van de kant van verweerder gegeven uiteenzetting over de veterinaire aspecten van de zaak en met name de aard van de besmetting en daarmee samenhangende nauwelijks te overziene risico's van verspreiding, de door verweerder te beoordelen noodzaak tot uitbreiding van zones wanneer het virus om zich grijpt, het capaciteitstekort bij het (preventief) ruimen en het verstrijken van een onwenselijk lange periode tussen het besluit tot ruimen en het daadwerkelijk ruimen, de noodzakelijkheid van een extra hulpmiddel bij de bestrijding van het virus en het aandringen van de Commissie op uitbreiding van de straal van 1 naar 2 km van de besmettingshaard. Verweerder heeft bij afweging van alle hiervoor in aanmerking komende belangen waaronder hierboven genoemde belangen en de belangen van veehouders die in de positie verkeren waarin verzoekers zeggen te verkeren in redelijkheid tot de slotsom kunnen komen dat niet alleen de maatregel tot doding maar ook de inzet van de nadere maatregel tot vaccinering noodzakelijk was. Zoals al gezegd, komt de president alleen een marginale toetsing toe. Die toetsing kan niet - bij de huidige stand van zaken met betrekking tot de mond- en klauwzeer epidemie - tot het oordeel leiden dat de beslissing van verweerder zozeer kennelijk onredelijk is dat een schorsing van de besluiten in de rede ligt. Het voorgaande brengt de president tot het oordeel dat de beslissingen van verweerder niet zozeer kennelijk onredelijk zijn dat een onmiddellijk ingrijpen van de president noodzakelijk is, zodat het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. De president ziet geen termen aanwezig om een der partijen met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. 6. De beslissing De president wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Aldus gewezen door mr D. Roemers, fungerend president, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2001. w.g. D. Roemers w.g. I.K. Rapmund