Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2025

Datum uitspraak2001-03-22
Datum gepubliceerd2001-06-11
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 00/779 AW I GIF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen recht op ouderschapsverlof voor eiser ten behoeve van de zoon van zijn partner, aangezien er met de zoon geen familierechtelijke betrekking bestaat en de zoon evenmin op zijn adres staat ingeschreven. Afwijzing van verzoek om in aanmerking te komen voor ouderschapsverlof in de zin van art. 33g ARAR. Rechtbank: Naar opvatting van de rechtbank heeft verweerder allereerst terecht aangenomen dat tussen eiser en de zoon van zijn partner geen familierechtelijke betrekking bestaat zodat op dat punt niet is voldaan aan (eerstgenoemde) voorwaarde van art. 33g ARAR. Verder is ook in de visie van de rechtbank niet voldaan aan de (volgende) voorwaarde(n) reeds omdat vaststaat dat uit de gemeentelijke basisadministratie niet blijkt dat eiser en bedoeld kind op hetzelfde adres wonen. Dat eiser en zijn partner met deze bepaling, zoals ook ter zitting toegelicht, moeite hebben in verband met de feitelijke situatie is voorstelbaar maar de rechtbank ziet geen ruimte van deze duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare dwingende bepaling af te wijken, te meer nu deze bepaling spoort met de tekst van de Wet op het Ouderschapsverlof (Staatsblad 1990, 562) en dus met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om op dit punt te kiezen voor een formeel (en betrekkelijk eenvoudig te controleren) criterium. Nu al aan deze voorwaarden niet is voldaan komt de rechtbank verder niet meer toe aan een bespreking van verweerders beoordeling of eiser daarnaast, gegeven de feitelijke situatie, waaronder het bestaande co-ouderschap, wel of niet voldoet aan de hier ook van belang zijnde voorwaarde van, kort gezegd, de duurzame verzorging en opvoeding van het onderhavige kind. Beroep ongegrond. Staatssecretaris van Financiën, verweerder. mr. G.J. Haack


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT Reg.nr.: AWB 00/779 AW I GIF UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen A te B,eiser, en de Staatssecretaris van Financiën -Belastingdienst Directie Particulieren-, gevestigd te Utrecht, verweerder. Datum bestreden besluit: 25 mei 2000. Kenmerk: PO/2000/1861. Behandeling ter zitting: 21 februari 2001. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 mei 2000 heeft mr. Th.G.W. Nass in opdracht van het hoofd van de Belastingdienst/Directie Particulieren namens verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 februari 2000 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is door eiser op 29 juni 2000 beroep ingesteld. De door verweerder terzake van het beroep ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 2 augustus 2000 respectievelijk 29 augustus 2000 aan eiser gezonden. Verweerder heeft desgevraagd bij brief van 14 december 2000 nadere stukken ingediend, deze zijn eveneens aan eiser gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 februari 2001. Eiser is in persoon verschenen tezamen met mw. X, partner van eiser. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw.mr. M.N. Noorman. II. OVERWEGINGEN. De feiten. Eiser is bij verweerders organisatie werkzaam op basis van een ambtelijke aanstelling bij de Belastingdienst. Bij brief van 21 januari 2000 heeft eiser bij het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren/[…] verzocht om met ingang van 1 juli 2000 in aanmerking te komen voor ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenaren reglement (ARAR). Bij brief van 18 februari 2000 is het verzoek namens verweerder afgewezen door het hoofd van de eenheid. Tegen dit besluit heeft eiser op 22 maart 2000 bezwaar gemaakt. Op 25 april 2000 is eiser, in aanwezigheid van zijn partner en haar kind, over zijn bezwaar gehoord door S.C.H. Jeurissen, staffunctionaris P&O van de Belastingdienst/Particulieren Heerlen. Hiervan is verslag opgemaakt. Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard en handhaaft dus het besluit van het hoofd van de eenheid Belastingdienst/Particulieren/[…] tot afwijzing van het verzoek om ouderschapsverlof. Eiser is hiertegen in beroep gekomen en vordert een vernietiging van het bestreden besluit. De beoordeling. Eiser woont samen met zijn partner, die een minderjarige zoon heeft, geboren op […] 1993. Deze zoon woont beurtelings bij zijn moeder en bij zijn biologische vader, welke tezamen het co-ouderschap uitoefenen. Eiser heeft, zoals reeds vermeld, verzocht om voor dit kind in aanmerking te komen voor ouderschapsverlof als bedoeld in artikel 33g van het ARAR. Het eerste lid van dat artikel luidt: 1. De ambtenaar die als ouder in een familierechtelijke betrekking staat tot een kind, onderscheidenlijk de ambtenaar die blijkens verklaringen uit de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont als een kind en duurzaam de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind op zich heeft genomen, heeft aanspraak op verlof. (…) Geen aanspraak op verlof bestaat over de periode gelegen na de datum waarop het kind de leeftijd van acht jaren heeft bereikt. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat geen sprake is van een familierechtelijke betrekking van eiser tot het bedoelde kind en er evenmin sprake is van een inschrijving op hetzelfde adres van eiser en het kind in combinatie met het duurzaam op zich genomen hebben van de verzorging en opvoeding van dat kind als eigen kind. Voorts is verweerder van mening dat gezien het co-ouderschap van de moeder en de biologische vader er moeilijk sprake kan zijn van ouderschap, laat staan full-time ouderschap, van eiser over het kind. Om deze reden zou dan ook niet zijn voldaan aan de duurzame verzorging en opvoeding door eiser in de zin van de betreffende bepaling. Eiser heeft als motivering voor zijn standpunt naar voren gebracht dat wel degelijk sprake is van co-ouderschap met zijn partner, de moeder van het kind. Hij heeft voorts betoogd dat hem niet verweten mag worden dat het kind slechts op één adres mag worden ingeschreven, wat in dit geval het geval is bij de biologische vader, als gevolg waarvan de gemeente geen verklaring van inschrijving op eisers adres mag afgeven. Naar opvatting van de rechtbank heeft verweerder allereerst terecht aangenomen dat tussen eiser en de zoon van zijn partner geen familierechtelijke betrekking bestaat zodat op dat punt niet is voldaan aan (eerstgenoemde) voorwaarde van artikel 33g ARAR. Verder is ook in de visie van de rechtbank niet voldaan aan de (volgende) voorwaarde(n) reeds omdat vaststaat dat uit de gemeentelijke basisadministratie niet blijkt dat eiser en bedoeld kind op hetzelfde adres wonen. Dat eiser en zijn partner met deze bepaling, zoals ook ter zitting toegelicht, moeite hebben in verband met de feitelijke situatie is voorstelbaar maar de rechtbank ziet geen ruimte van deze duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare dwingende bepaling af te wijken, te meer nu deze bepaling spoort met de tekst van de Wet op het Ouderschapsverlof, (Staatsblad 1990, 562) en dus met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om op dit punt te kiezen voor een formeel (en betrekkelijk eenvoudig te controleren) criterium. Nu al aan deze voorwaarde niet is voldaan komt de rechtbank verder niet meer toe aan een bespreking van verweerders beoordeling of eiser daarnaast, gegeven de feitelijke situatie, waaronder het bestaande co-ouderschap, wel of niet voldoet aan de hier ook van belang zijnde voorwaarde van, kort gezegd, de duurzame verzorging en opvoeding van het onderhavige kind. Al hetgeen hiervoor is overwogen brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen aanknopingspunten zijn gevonden om te oordelen dat artikel 33g ARAR in het geval van eiser niet juist zou zijn toegepast, noch dat die bepaling strijdig zou zijn met enige rechtsregel van hogere orde. Nu ook overigens niet gezegd kan worden dat het bestreden besluit strijd oplevert met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, wordt het beroep ongegrond verklaard. Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist. III. BESLISSING. De arrondissementsrechtbank te Maastricht: verklaart het beroep ongegrond. Aldus gedaan door mr. G.J. Haack in tegenwoordigheid van mr. R.A.B. Bollen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2001 door mr. Haack voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. w.g. R. Bollen w.g. G.J. Haack Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: Verzonden op: 22 maart 2001 Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.