Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2245

Datum uitspraak2001-06-19
Datum gepubliceerd2001-08-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02425/00
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Mr. Fokkens Nr. 2425/00 Zitting 8 mei 2001 Conclusie inzake: [Verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verdachte is op 7 maart 2000 door de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage wegens het niet overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden van een verzekering terwijl aan hem het kenteken van het motorrijtuig is opgegeven, veroordeeld tot een geldboete van achthonderdvijfentwintig gulden te vervangen door zestien dagen hechtenis. De rechtbank heeft verdachte tevens de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden. 2. Namens verdachte heeft mr. A.J.Th. de Bree, advocaat te ‘s-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel behelst de klacht dat de opgelegde straf onvoldoende is gemotiveerd. 4. De rechtbank heeft de opgelegde geldboete met vervangende hechtenis en de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, gemotiveerd zoals is weergegeven in de toelichting op het middel. 5. Aldus heeft de rechtbank zich afdoende rekenschap gegeven van de draagkracht van verdachte (NLR, aant. 4 bij art. 24 Sr (suppl. 100, november 1998)). Nu ter terechtzitting geen verweer was gevoerd, was de rechtbank niet tot een nadere motivering gehouden (HR 15 juli 1985, NJ 1986, 184 rov. 5.2.; HR 4 januari 1977, NJ 1977, 196 m.nt. ThWvV). 6. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering. 7. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. 8. De dagvaarding om op 7 maart 2000 te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep, is overeenkomstig art. 588, derde lid onder c, Sv op 1 maart 2000 betekend door uitreiking ervan ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage en het verzenden ervan als gewone brief aan het GBA-adres van verdachte. De verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep en bij verstek veroordeeld. 9. Tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die van de terechtzitting moet een termijn van tenminste tien dagen verlopen (art. 413, eerste lid, Sv in verband met artt. 425 en 426a, eerste lid, Sv). Nu deze dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, de verdachte niet is verschenen - in de toelichting op het middel staat dat hij niet is verschenen omdat hij de dagvaarding niet had ontvangen - en evenmin toestemming heeft gegeven tot verkorting van de genoemde termijn, had de rechter het onderzoek moeten schorsen en de verdachte moeten oproepen (art. 265, derde lid, Sv; HR 18 september 1995, DD 96.023). Het verzuim dit te doen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak (HR 10 april 2000, nr. 2170/00 rov. 3.). 10. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank te ’s-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

19 juni 2001 Strafkamer nr. 02425/00 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Enkelvoudige Kamer van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 maart 2000, parketnummer 09/157524-98, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te 's-Gravenhage van 9 december 1998 - de verdachte ter zake van "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids-verzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van achthonderdvijfentwintig gulden, subsidiair zestien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.Th. de Bree, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve 3.1. Volgens de akte van uitreiking gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om op 7 maart 2000 op de terechtzitting van de Rechtbank in hoger beroep terecht te staan, is deze dagvaarding op 1 maart 2000 uitgereikt op de wijze als voorgeschreven in art. 588, derde lid onder c, Sv. De in art. 413, eerste lid eerste volzin, Sv, in verband met de art. 425 en 426a, eerste lid, Sv, voorgeschreven termijn van tien dagen is dus niet in acht genomen. 3.2. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte daar niet is verschenen en verstek tegen hem is verleend, had de Rechtbank het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413 Sv in samenhang met art. 265, derde lid, Sv, een en ander in verband met de art. 425 en 426a, eerste lid, Sv, dienen te schorsen. De Rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek tegen de niet verschenen verdachte was verleend. 3.3. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Wijst de zaak terug naar de Rechtbank te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 juni 2001.