
Jurisprudentie
AB2261
Datum uitspraak2001-04-06
Datum gepubliceerd2001-08-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers00/1331
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-08-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers00/1331
Statusgepubliceerd
Indicatie
Art. 16.3 Anw maakt geen uitzondering op de herleving van het recht op uitkering voor de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden.
Eiseres had sedert 1 april 1990, terzake van het overlijden van haar toenmalige echtgenoot, een AWW-uitkering, welke per 1 juli 1996 is omgezet in een Anw-uitkering. Met ingang van 31 juli 1999 eindigt laatstgenoemd recht in verband met haar huwelijk met de heer B.
Op 16 augustus 1999 overlijdt de heer B. Bij besluit van 15 december 1999 wordt eiseres een inkomensafhankelijke uitkering krachtens de Anw toegekend. Eiseres is echter van mening dat haar oude Anw-recht herleeft.
Rechtbank: Volgens verweerder is bepalend of de nabestaande zelf besluit de gezamenlijke huishouding te beëindigen, dan wel de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. In het laatste geval kan het recht op uitkering volgens verweerder niet herleven, maar ontstaat in beginsel een nieuw recht op uitkering.
Eiseres meent dat het recht op uitkering op grond van art. 16.3 Anw ook in geval van overlijden herleeft.
De rechtbank stelt voorop dat in art. 16.3 Anw geen uitzondering op de herleving van het recht op uitkering wordt gemaakt voor de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. Evenmin blijkt uit de tekst van dit artikellid dat de herleving van het recht op uitkering is beperkt tot de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding wordt beëindigd door een wilsbesluit van de nabestaande.
Verweerder kan worden toegegeven dat zijn uitleg van het artikellid aansluit bij MvT bij de wet tot Wijziging van de Anw in verband met gebleken onbillijkheden (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 900, nr. 3), althans bij de in paragraaf 2.2 gegeven voorbeelden. Echter, in deze paragraaf wordt, zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, aan het eind het volgende overwogen:
"Een dergelijke herlevingperiode geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden, maar om redenen van rechtszekerheid voor alle gevallen waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren, de uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar waarbij vervolgens de gezamenlijke huishouding binnen korte tijd weer beëindigd wordt."
Uit deze alinea kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat de nabestaandenuitkering herleeft in alle gevallen waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding die binnen zes maanden wordt beëindigd.
De rechtbank concludeert dat noch in de wetstekst - die uit oogpunt van rechtszekerheid in beginsel beslissend is - noch in de MvT een uitzondering wordt gemaakt voor gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden, doch integendeel in de memorie van toelichting expliciet staat dat de herlevingsperiode uit oogpunt van rechtszekerheid geldt voor alle gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt. Voor de door verweerder gegeven uitleg van art. 16.3 Anw vindt de rechtbank dan ook onvoldoende steun in de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis.
De verwijzing naar de laatste volzin van blz. 6 van de MvT leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu deze zin ziet op de (tijdelijke) overgangsregeling van art. 67 Anw en niet op art.16.3 Anw. Laatstgenoemd artikellid geeft aanspraak op (herleving van) een nabestaandenuitkering, los van het overgangsrecht.
Verweerder heeft nog aangevoerd dat eiseres geen aanspraak kan maken op art. 16.3 Anw omdat door het overlijden van de heer B ingevolge art. 15 van de Anw een nieuw recht op een nabestaandenuitkering is ontstaan en dit nieuwe recht voorgaat op herleving van het oude recht.
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de Anw is een dergelijke regel niet neergelegd en ook overigens heeft verweerder geen rechtsregel aangewezen op grond waarvan dit uitgangspunt in dit geval zou gelden. Het systeem van de Anw dwingt naar het oordeel van de rechtbank niet tot deze uitleg van verweerder.
De rechtbank concludeert dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat art. 16.3 Anw niet ziet op die situaties waarin sprake is van beëindiging van een gezamenlijke huishouding door overlijden.
Beroep gegrond.
Sociale Verzekeringsbank, verweerder.
mr. Kok
Uitspraak
00/1331 ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE BREDA
Veertiende kamer
Uitgesproken d.d.:
UITSPRAAK
in het geding tussen:
B-A, geboren [¼] 1948, wonende te C, eiseres,
mr. M.A. Wellen te Breda, gemachtigde,
en
de Sociale Verzekeringsbank Breda, gevestigd te Breda, verweerder.
1. Procesverloop:
Bij besluit van 27 juni 2000 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder besloten tot ongegrondverklaring van de bezwaren van eiseres, die werden ingebracht tegen verweerders besluit van 15 december 1999, waarbij aan eiseres een uitkering krachtens de Algemene nabestaandenwet is toegekend.
Hiertegen is namens eiseres bij brief van 31 juli 2000 bij deze rechtbank beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 24 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 26 februari 2001.
Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde mr. M.A. Wellen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.C.A. Buskens.
2. Beoordeling:
2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting neemt de rechtbank de volgende feiten als vaststaand aan.
Aan eiseres, geboren op [¼] 1948, was met ingang van 1 april 1990 een uitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend in verband met het overlijden van haar toenmalige echtgenoot. Deze uitkering is per 1 juli 1996 omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw).
Op 30 juli 1999 heeft eiseres aan verweerder medegedeeld, dat zij met ingang van [¼] juli 1999 is gehuwd met de heer B.
Bij besluit van 6 augustus 1999 is aan eiseres medegedeeld, dat haar uitkering krachtens de Anw in verband met dit huwelijk met ingang van 31 juli 1999 eindigt.
Op 1 november 1999 heeft eiseres verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Anw, nu de heer B op [¼] augustus 1999 is overleden.
Bij besluit van 15 december 1999 heeft verweerder de aanvraag van eiseres in die zin toegekend, dat aan haar een inkomensafhankelijke uitkering krachtens de Anw is toegekend.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de toegekende nabestaandenuitkering. Dit bezwaar is ingekomen bij verweerder op 12 januari 2000. Bij brief van 24 februari 2000 zijn de gronden van dit bezwaar aangevuld. Naar de mening van eiseres had verweerder toepassing moeten geven aan het bepaalde in artikel 16, derde lid, van de Anw, waardoor haar oude recht op een nabestaandenuitkering dient te herleven. Indien artikel 16, derde lid, van de Anw uitsluitend van toepassing zou zijn op ongehuwd samenwonenden zou dit in strijd met artikel 26 van het Bupo-verdrag zijn, aldus eiseres.
Op 21 maart 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres in verband met het overlijden van haar echtgenoot, de heer B, een nieuw recht op een nabestaandenuitkering heeft. Deze uitkering is inkomensafhankelijk. Het oude recht op een nabestaandenuitkering herleeft niet. Het niet toekennen van een nabestaandenuitkering op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw levert geen discriminatie tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden op omdat er voor gehuwden en ongehuwd samenwonenden in beginsel een nieuw recht op een uitkering op grond van de Anw bestaat.
In beroep heeft eiseres aangevoerd dat de gezamenlijke huishouding tussen eiseres en de heer B binnen zes maanden nadat de Anw-uitkering van eiseres op 31 juli 1999 werd beëindigd een einde heeft genomen door het overlijden van de heer B. Op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw herleeft daardoor het oude recht op een Anw-uitkering. Blijkens de memorie van toelichting op de wijziging van de Anw (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 900, nr. 3) wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen de reden van beëindiging en de samenlevingsvorm.
In het verweerschrift heeft verweerder opgemerkt dat uit de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat artikel 16, derde lid, van de Anw uitdrukkelijk bedoeld is voor situaties waarin mensen, voor hen onverwacht, als gezamenlijke huishouding aangemerkt worden. De wetgever heeft daarbij overwogen dat het gewenst is dat de nabestaande die met deze gevolgen geconfronteerd wordt de gelegenheid krijgt zich te bezinnen op de wenselijkheid van het voeren van een gezamenlijke huishouding. Indien betrokkenen van mening zijn geen gezamenlijke huishouding te willen voeren, kunnen zij deze beëindigen waarna het uitkeringsrecht kan herleven of ontstaan. Gezien deze uitleg van de wetgever kan niet worden gezegd dat deze hiermee ook de bedoeling gehad heeft het recht te laten herleven in geval een nabestaande in het huwelijk is getreden en de nieuwe echtgenoot binnen 6 maanden overlijdt. Personen die in het huwelijk treden worden immers niet onverwachts geconfronteerd met het feit dat ze als gezamenlijke huishouding worden aangemerkt, aldus verweerder.
2.2. Voor de onderhavige beroepszaak zijn de navolgende bepalingen van belang.
Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op uitkering indien de nabestaande in het huwelijk treedt, dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.
Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Anw herleeft, voor de nabestaande wiens uitkering op grond van het eerste lid, onderdeel b, wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding is geëindigd, het recht op een nabestaandenuitkering met ingang van de eerste dag van de maand dat hij, uiterlijk binnen zes maanden na het eindigen van de nabestaandenuitkering, deze gezamenlijke huishouding niet meer voert.
2.3. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of verweerder artikel 16, derde lid, van de Anw op de juiste wijze heeft uitgelegd.
Verweerder stelt zich, blijkens het bestreden besluit zoals toegelicht in het verweerschrift en ter zitting, op het standpunt dat dit artikellid geen toepassing kan vinden indien de gezamenlijke huishouding is geëindigd door overlijden van een van de echtgenoten.
Ter zitting is namens verweerder nogmaals benadrukt dat de (juridische) vorm waarin het samenleven is gegoten voor de toepassing van dit artikellid geen verschil maakt. De rechtbank neemt derhalve als uitgangspunt dat artikel 16, derde lid, van de Anw zowel op gehuwd als op ongehuwd samenwonenden van toepassing kan zijn.
Volgens verweerder is bepalend of de nabestaande zelf besluit de gezamenlijke huishouding te beëindigen, dan wel de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. In het laatste geval kan het recht op uitkering volgens verweerder niet herleven, maar ontstaat in beginsel een nieuw recht op uitkering.
Eiseres meent dat het recht op uitkering op grond van artikel 16, derde lid, van de Anw ook in geval van overlijden herleeft.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 16, derde lid, van de Anw geen uitzondering op de herleving van het recht op uitkering wordt gemaakt voor de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden. Evenmin blijkt uit de tekst van dit artikellid dat de herleving van het recht op uitkering is beperkt tot de gevallen waarin de gezamenlijke huishouding wordt beëindigd door een wilsbesluit van de nabestaande.
Verweerder kan worden toegegeven dat zijn uitleg van het artikellid aansluit bij memorie van toelichting bij de wet tot Wijziging van de Algemene nabestaandenwet in verband met gebleken onbillijkheden (Tweede Kamer, 1997-1998, 25 900, nr. 3), althans bij de in paragraaf 2.2 gegeven voorbeelden. Echter, in deze paragraaf wordt, zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, aan het eind het volgende overwogen:
"Een dergelijke herlevingsperiode geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden, maar om redenen van rechtszekerheid voor alle gevallen waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren, de uitkeringsgevolgen daarvan aanvaardt, maar waarbij vervolgens de gezamenlijke huishouding binnen korte tijd weer beëindigd wordt."
Uit deze alinea kan de rechtbank niet anders dan afleiden dat de nabestaandenuitkering herleeft in alle gevallen waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding die binnen zes maanden wordt beëindigd.
Derhalve moet de rechtbank concluderen dat noch in de wetstekst - die uit oogpunt van rechtszekerheid in beginsel beslissend is - noch in de memorie van toelichting een uitzondering wordt gemaakt voor gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt door overlijden, doch integendeel in de memorie van toelichting expliciet staat dat de herlevingsperiode uit oogpunt van rechtszekerheid geldt voor alle gevallen waarin de gezamenlijke huishouding eindigt. Voor de door verweerder gegeven uitleg van artikel 16, derde lid, van de Anw vindt de rechtbank dan ook onvoldoende steun in de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis.
De verwijzing naar de laatste volzin van bladzijde 6 van de memorie van toelichting leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel nu deze zin ziet op de (tijdelijke) overgangsregeling van artikel 67 van de Anw en niet op artikel 16, derde lid, van de Anw. Laatstgenoemd artikellid geeft aanspraak op (herleving van) een nabestaandenuitkering, los van het overgangsrecht.
Verweerder heeft nog aangevoerd dat eiseres geen aanspraak kan maken op artikel 16, derde lid, van de Anw omdat door het overlijden van de heer B ingevolge artikel 15 van de Anw een nieuw recht op een nabestaandenuitkering is ontstaan en dit nieuwe recht voorgaat op herleving van het oude recht.
De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In de Anw is een dergelijke regel niet neergelegd en ook overigens heeft verweerder geen rechtsregel aangewezen op grond waarvan dit uitgangspunt in dit geval zou gelden. Het systeem van de Anw dwingt naar het oordeel van de rechtbank niet tot deze uitleg van verweerder.
Al met al concludeert de rechtbank dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 16, derde lid, van de Anw niet ziet op die situaties waarin sprake is van beëindiging van een gezamenlijke huishouding door overlijden.
Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Het zal dan ook worden vernietigd en het beroep zal gegrond worden verklaard.
Verweerder zal met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres dienen te nemen.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, is het redelijk om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De rechtbank acht de in het dictum op te nemen proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht, redelijk.
Bovendien dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed.
3. Beslissing:
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van ¦ 1420,-;
gelast dat verweerder eiseres het door haar betaalde griffierecht van ¦ 60,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Kok, in tegenwoordigheid van mr. Panis als griffier, op 6 april 2001
Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002 te 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan op de dag na de dag waarop het afschrift van de uitspraak is verzonden.
Afschrift verzonden d.d.:

