Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2374

Datum uitspraak2001-06-29
Datum gepubliceerd2001-08-01
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR00/119HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rekest nr. R00/119 Mr. J. K. Moltmaker Omgangsregeling Parket, 13 april 2001 Conclusie inzake De Raad voor de Kinderbescherming Directie Noord tegen 1. [de moeder] en 2. [de vader] Edelhoogachtbaar College, 1 Feiten en procesgang 1.1 Voorgeschiedenis De voorgeschiedenis van deze zaak heb ik weergegeven in punt 1.1 van mijn conclusie van heden in de zaak nr. R00/118. 1.2 De onderhavige procedure 1.2.1 De onderhavige procedure is ingeleid bij een verzoekschrift van 19 oktober 1999 van de vader. Hij heeft daarbij de rechtbank te Leeuwarden verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Nadien heeft de vader zijn verzoek aangevuld met een subsidiair verzoek tot gezagswijziging. 1.2.2 De rechtbank te Leeuwarden heeft bij beschikking van 15 december 1999 een voorlopige, in duur geleidelijk aan toenemende omgangsregeling vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat begeleiding door (een medewerker van) de RvdK dient plaats te vinden. 1.2.3 De vader heeft in kort geding gevorderd de moeder te veroordelen tot nakoming van de door de rechtbank in haar beschikking van 15 december 1999 vastgestelde omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom. De President heeft deze vordering afgewezen bij vonnis van 7 februari 2000. 1.2.4 De moeder is van de beschikking van de rechtbank van 15 december 1999 in hoger beroep gekomen. Zij stelt dat omgang niet in het belang van de kinderen is. De vader heeft incidenteel geappelleerd. 1.2.5 Bij afzonderlijke beschikking van 28 juni 2000, nr. 0000006, heeft het hof de beschikking van de rechtbank weliswaar vernietigd, maar zijn uitspraak bevat een soortgelijke opdracht aan de RvdK (maar dan over een latere periode). Het dictum van 's hofs beschikking is gelijkluidend aan die van de beschikking van dezelfde datum, nr. 0000036, voor zover geciteerd in punt 1.2.6 van mijn conclusie van heden in de zaak nr. R00/118. 1.2.6 De RvdK heeft als belanghebbende tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. Met het in het verzoekschrift tot cassatie door de RvdK verdedigde standpunt, dat de raad ontvankelijk is in cassatie, verenig ik mij. In het middel van cassatie verzoekt de RvdK het verzoekschrift in cassatie in de zaak nr. R00/118 als herhaald en ingelast te beschouwen. 1.2.7 Onder verwijzing naar mijn betoog in de conclusie in de zaak nr. R00/118 ben ik van mening, dat de beschikking van het hof moet worden vernietigd. Indien overeenkomstig mijn voormelde conclusie de zaak nr. R00/118 naar een ander hof wordt verwezen, lijkt mij verwijzing van de onderhavige zaak niet nodig. 2 Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof van 28 juni 2000, nr. 0000006. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G i.b.d


Uitspraak

29 juni 2001 Eerste Kamer Rek.nr. R00/119HR Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING DIRECTIE NOORD, gevestigd te Leeuwarden, VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n 1. [De moeder], wonende te [woonplaats], 2. [De vader], wonende te [woonplaats], VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 20 oktober 1999 ter griffie van de Rechtbank te Leeuwarden ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie sub 2 - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen hem en zijn minderjarige kinderen, [kind 1] en [kind 2] een omgangsregeling vast te stellen. Verweerder in cassatie sub 1 - verder te noemen: de moeder - heeft het verzoek ter terechtzitting van 18 november 1999 bestreden. Ter terechtzitting heeft de vader subsidiair verzocht het gezag over de kinderen op te dragen aan hem. De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 1999 een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, de Raad voor de Kinderbescherming - hierna: de RvdK - opgedragen alles te doen wat in haar vermogen ligt ter bevordering van de uitvoering van voornoemde omgangsregeling en elke verdere beslissing aangehouden tot een nader te bepalen zitting in de maand juni 2000. Hierna heeft de vader de moeder in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd de moeder te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling zoals deze is vastgelegd door de Rechtbank bij beschikking van 15 december 1999, met als sanctie een dwangsom, alsmede machtiging van de vader om voormelde beschikking met behulp van de sterke arm te doen uitvoeren door de RvdK met als sanctie lijfsdwang jegens de moeder. De President van de Rechtbank heeft bij vonnis van 7 februari 2000 die vordering afgewezen. Tegen de beschikking van de Rechtbank van 15 december 1999 heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De moeder heeft verzocht de beschikking van de Rechtbank van 15 december 1999 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen. De vader heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende hem te belasten met het gezag over de kinderen. Bij beschikking van 28 juni 2000 (rekestnummer 0000006) heeft het Hof de beschikking waarvan beroep voorzover het betreft de door de Rechtbank vastgestelde omgangsregeling vernietigd en, onder wijziging van de beschikking van 12 maart 1997 van de Rechtbank te Leeuwarden, in zoverre opnieuw beslissende voorlopig - totdat de Rechtbank nader zal hebben beslist - een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld en bepaald dat een medewerker van de RvdK de omgang zal begeleiden, zoals nader in zijn dictum omschreven. Voorts heeft het Hof bepaald dat de RvdK de hem bij de beroepen beschikking gegeven opdracht onder zijn verantwoordelijkheid kan delegeren aan andere daartoe geëigende maatschappelijke instellingen en de verzochte verklaring voor recht afgewezen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. Hierna heeft de vader de moeder in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Leeuwarden en - kort gezegd - gevorderd: de moeder te veroordelen om hem iedere keer een dwangsom te betalen wanneer zij niet meewerkt aan de uitvoering van de voorlopige omgangsregeling zoals deze is vastgelegd door het Hof te Leeuwarden van 28 juni 2000; de vader en de RvdK te Leeuwarden te machtigen om voormelde beschikkingen met behulp van de sterke arm te doen uitvoeren door de RvdK, in die zin dat deze gemachtigd zal worden zich de toegang te verschaffen tot de woning van [de moeder] om de kinderen daar op te halen en om, indien de moeder dan nog niet meewerkt of de kinderen niet aanwezig laat zijn, als sanctie lijfsdwang jegens de moeder op te leggen. De President heeft na een tussenvonnis van 9 augustus 2000, waarbij aan de moeder bewijs is opgedragen, bij eindvonnis van 1 december 2000 de vordering van de vader afgewezen. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de RvdK als belanghebbende in de zin van art. 426 lid 1 Rv. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vader noch de moeder hebben een verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot vernietiging van de beschikking van het Hof van 28 juni 2000, nr. 0000036, en tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof ter verdere behandeling en beslissing. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (i) [De vader] en [de moeder], zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit hun huwelijk zijn twee kinderen geboren, [kind 1] in 1991 en [kind 2] in 1993. (ii) Tussen de vader en de moeder is echtscheiding uitgesproken. Bij beschikking van 11 april 1995 heeft de Rechtbank bij wege van voorlopige voorziening op verzoek van de vader een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld. De moeder heeft haar medewerking aan deze omgangsregeling gestaakt per 11 mei 1995. (iii) Bij beschikking van de Rechtbank van 13 september 1995 is de moeder belast met het gezag over de kinderen. (iv) Bij de onder (iii) genoemde beschikking heeft de Rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming (verder: RvdK) opdracht gegeven de mogelijkheden voor een omgangsregeling te onderzoeken. (v) De RvdK heeft de Rechtbank op 4 januari 1996 geadviseerd geen omgangsregeling vast te stellen. De Rechtbank heeft dit advies niet gevolgd en bepaald dat drie proefcontacten tussen de vader en de kinderen zouden plaatsvinden ten kantore van de RvdK en onder diens begeleiding. (vi) Omdat de moeder medewerking aan de proefcontacten heeft geweigerd, heeft de RvdK de opdracht tot begeleiding van de proefcontacten teruggegeven. (vii) Bij beschikking van 3 juli 1996 heeft de Rechtbank een voorlopige omgangsregeling opgelegd tussen de vader en de kinderen. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld. (viii) De moeder is bij vonnis in kort geding van 16 september 1996 op vordering van de man veroordeeld tot medewerking aan drie proefcontacten. Deze proefcontacten hebben plaatsgevonden op 15 november en 13 december 1996, en op 10 januari 1997. (ix) Bij beschikking van het Hof van 27 november 1996 is de onder (vii) genoemde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd. (x) Bij beschikking van 26 februari 1997 heeft de Rechtbank de kinderen onder toezicht gesteld teneinde te bewerkstelligen dat de omgangsregeling zou worden geëffectueerd. (xi) Omdat de omgang tussen de vader en de kinderen geheel door de gezinsvoogd werd gecontroleerd en er geen aanwijzingen waren dat hierin spoedig verandering zou komen, achtte de Rechtbank het vaststellen van een omgangsregeling niet meer opportuun. Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling is daarom afgewezen bij beschikking van 12 maart 1997. (xii) De ondertoezichtstelling heeft niet geleid tot het ermee beoogde resultaat en is in de eerste helft van 1999 door de Kinderrechter beëindigd. 3.2 In de onderhavige procedure heeft de vader verzocht een omgangsregeling vast te stellen. Subsidiair heeft hij verzocht het gezag te wijzigen. Bij beschikking van 15 december 1999 heeft de Rechtbank een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld die, kort gezegd, erop neerkomt dat wekelijks een in duur toenemende omgang tussen de vader en de kinderen zou plaatsvinden, aanvankelijk onder begeleiding van de RvdK te zijnen kantore, later ten huize van de vader zonder begeleiding van de RvdK. De Rechtbank heeft daarbij bepaald dat de stukken in handen van de RvdK zouden worden gesteld en de RvdK opgedragen alles te doen wat in zijn vermogen ligt ter bevordering van de uitvoering van de omgangsregeling. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft bij zijn beschikking van 28 juni 2000, rekestnummer 0000006 de beschikking van de Rechtbank vernietigd voorzover het de omgangsregeling betreft en een andere omgangsregeling vastgesteld. Daarbij heeft het Hof bepaald, kort gezegd, dat de RvdK de door het Hof vastgestelde omgangsregeling actief diende te begeleiden. Het middel keert zich tegen 's Hofs beslissing voor zover daarin aan de RvdK is opgedragen de door het Hof vastgestelde omgangsregeling te begeleiden. 3.3 Bij beoordeling van het middel moet tot uitgangspunt worden genomen dat volgens art. 1:238 lid 2 BW, de taken en bevoegdheden van de RvdK bij de wet worden bepaald. De wet houdt geen bepaling in volgens welke de RvdK de taak heeft een door de rechter vastgestelde omgangsregeling te begeleiden. De wet kent ook de rechter niet de bevoegdheid toe de RvdK de taak op te leggen een door de rechter vastgestelde omgangsregeling te begeleiden. Dat de RvdK een taak zou hebben als hier bedoeld vloeit ook niet voort uit andere wettelijke regels en met name uit art. 16 Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind en art. 8 EVRM kan het bestaan van een dergelijke taak niet worden afgeleid. Weliswaar dient de Staat, naar voortvloeit uit genoemde bepalingen, al het mogelijke te doen wat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verwacht om het recht van de vader op omgang met zijn kinderen te effectueren, maar dit brengt niet mee dat de RvdK de taak heeft een door de rechter vastgestelde omgangsregeling te begeleiden. Uit hetgeen zo-even is overwogen vloeit voort dat onderdeel 1 van het middel, dat strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat het niet de bevoegdheid had de RvdK te belasten met de taak de door het Hof vastgestelde omgangsregeling te begeleiden, gegrond is. 3.4 Gegrondbevinding van onderdeel 1 brengt mee dat de onderdelen 2 en 3 geen behandeling behoeven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 juni 2000; verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dat Hof. Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 juni 2001.