Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2904

Datum uitspraak2001-10-02
Datum gepubliceerd2001-11-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00153/01
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. 00153/01 Mr Machielse Zitting: 19 juni 2001 Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Bij arrest van 28 september 2000 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld ter zake van het "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod " tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.(1) 2.1. Namens verzoeker heeft mr. S.E.M. Hooijman, advocaat te Amsterdam cassatieberoep ingesteld op 2 oktober 2000. 2.2. De aanzegging als bedoeld in artikel 435 Sv is aan verzoeker in persoon betekend op 12 februari 2001. Nadien is niet door een advocaat namens verzoeker een schriftuur, houdende zijn middelen van cassatie, bij de Hoge Raad ingediend. 2.3. Artikel 437, tweede lid Sv is bij Wet van 28 oktober 1999, Staatsblad 467 gewijzigd. Het gewijzigde artikel is in werking getreden op 1 oktober 2000. 2.4. Eerder genoemde wijzigingswet houdt als artikel VII een bepaling van overgangsrecht in. Kort gezegd houdt die bepaling in dat het gewijzigde artikel 437, tweede lid Sv niet van toepassing is in zaken waarin vóór de datum van inwerkingtreding het cassatieberoep was ingesteld. 2.5. Nu het cassatieberoep is ingesteld ná inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 1999, was verdachte, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door zijn raadsman een cassatieschriftuur te doen indienen. Nu dat niet is gebeurd, moet verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep. 3. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, 1 Deze zaak hangt samen met de zaak, bekend onder griffienummer 00154/01, waarin ik heden eveneens concludeer.


Uitspraak

2 oktober 2001 Strafkamer nr. 00153/01 SO/EDK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2000, nummer 23/003587-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Haarlem" te Haarlem. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 26 november 1999 - de verdachte ter zake van "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot twee jaren en zes maanden gevangenisstraf. 2.Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen. 4.Beslissing De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 2 oktober 2001.