Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2929

Datum uitspraak2001-08-01
Datum gepubliceerd2001-08-01
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/2860
Statusgepubliceerd


Indicatie

Belanghebbende verhuurt aan een aantal werknemers en de weduwe van een ex-werknemer woningen. Het betreft zogenaamde agrarische bedrijfswoningen die ten dienste staan aan het tuinbouwkassenbedrijf. De controlerend ambtenaar achtte de in rekening gebrachte huurprijs te laag en heeft een taxateur van de Belastingdienst opdracht gegeven de woningen te taxeren. Ook belanghebbende heeft de woningen laten taxeren door een beëdigd taxateur die de huurwaarde van de woningen heeft getaxeerd uitgaande van de in het Pachtnormenbesluit vastgestelde waarderingsvoor-schriften. Belanghebbende heeft met hetgeen zij heeft aangevoerd geen begin van bewijs geleverd dat door de Belastingdienst, landelijk dan wel door de eenheid Grote ondernemingen te P of enige andere eenheid, beleid wordt gevoerd dat afwijkt van het wettelijke criterium. De door belanghebbende gestelde waardeverminderende omstandigheden zijn verdisconteerd in de aan de naheffingsaanslag ten grondslag liggende minnelijke waardering van de economische huurwaarden. Voor zover belanghebbende nog bedoeld heeft te stellen dat de waardering op grond van de in het Pachtnormenbesluit vastgestelde waarderingsvoorschriften tot een voor haar gunstiger resultaat leidt, heeft zij die stelling naar 's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Derde Meervoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X B.V. te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het hoofd van de Belastingdienst te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 23 juni 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1997. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2001. Het door belanghebbende ingestelde beroep bij het Hof bekend onder kenmerknummer 00/2861 is gelijktijdig met de onderhavige zaak behandeld. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Gronden 1.1. Belanghebbende verhuurt aan een aantal werknemers en de weduwe van een ex-werknemer de woningen a-weg 3, 5 en 7 en b-dijk 6 en 8 te Z. Het betreft zogenaamde agrarische bedrijfswoningen die ten dienste staan aan het tuinbouwkassenbedrijf. 1.2. Bij belanghebbende is in 1999 een boekenonderzoek ingesteld dat zich richtte op de loonbelasting/premie volksverzekeringen voor het onderhavige tijdvak. Tijdens het onderzoek stuitte de controlerend ambtenaar op de door belanghebbende aan de huurders in rekening gebrachte huurprijs. Daar deze ambtenaar deze huurprijs te laag achtte heeft hij een taxateur van de Belastingdienst, A, opdracht gegeven de onder 1.1. genoemde woningen a-weg 3 en 5 en b-dijk 6C en 8 te taxeren. 1.3. De onderhavige naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 11 november 1999 en is gebaseerd op de uitkomst van de in 1.2. vermelde taxaties. Bij wijze van compromis is het niet in geld genoten loon ter zake van het genot van de woning a-weg 7 vastgesteld op het bedrag van de besparing. 1.4. Ook belanghebbende heeft de onder 1.2. genoemde woningen laten taxeren door een beëdigd taxateur, C, die de huurwaarde van de betreffende woningen heeft getaxeerd uitgaande van de in het Pachtnormenbesluit vastgestelde waarderingsvoor-schriften. 1.5. De inspecteur heeft ten einde het tussen partijen bestaande geschil te beslechten de gemachtigde uitgenodigd om te komen tot een minnelijke waardering van de economische huurwaarde. Op 1 mei 2000 zijn beide hiervoor genoemde taxateurs tot elkaar kunnen komen. Van de op minnelijke wijze vastgestelde economische huurwaarde is een taxatierapport opgesteld (bijlage 5 bij het verweerschrift). Op 3 mei 2000 deelde de gemachtigde de taxateur van de belastingdienst mede dat belanghebbende met de uitkomsten van het rapport niet kon instemmen, aangezien de Belastingdienst te P er een ander en voor belanghebbende gunstiger beleid op nahoudt en de minnelijke waarderingswijze wat belanghebbende betreft enkel betrekking had op de vaststelling van het aan de woningen toe te kennen puntenaantal volgens het woningenwaarderingsstelsel. 1.6. Belanghebbende heeft alle eenheden Grote ondernemingen van de Belasting-dienst aangeschreven met het verzoek hun beleid met betrekking tot de onderwerpelijke waarderingsproblematiek kenbaar te maken. Aan dit verzoek werd door de betreffende eenheden geen gevolg gegeven. 1.7. Bij de bestreden beschikking van 23 juni 2000 is de naheffingsaanslag verminderd met inachtneming van de uitkomsten van het hiervoor onder 1.5. genoemde taxatierapport. 2. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende zich met vrucht kan beroepen op het gelijkheidsbeginsel en de waarde van het genot van de woningen aldus dient te worden vastgesteld op de minimaal redelijke huurprijs. Zo het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt is tussen partijen in geschil of de inspecteur met de door hem vastgestelde huurwaarden in het economische verkeer in voldoende mate rekening heeft gehouden met de specifieke aard en ligging van de onderhavige woningen. 3.1. Ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft belangheb-bende gewezen op een in het Weekblad voor Fiscaal Recht, WFR 1992/900, gepubliceerd artikel van mr. C.P.A. Bakker R.A.. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd geen begin van bewijs geleverd dat door de Belastingdienst, landelijk dan wel door de eenheid Grote ondernemingen te Amsterdam of enige andere eenheid, beleid wordt gevoerd dat afwijkt van het wettelijke criterium. 3.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de Wet op de loonbelasting 1964 jo artikel 11, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 wordt de waarde van het genot van woningen als de onderhavige vastgesteld op de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Het Hof stelt voorop dat op de inspecteur de bewijslast rust de door hem voorgestane waarde aannemelijk te maken. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op het onder 1.5. genoemde taxatierapport. Gelet op de inhoud van dit taxatierapport en de daarop gegeven toelichtingen heeft het Hof geen reden aan de betrouwbaarheid van de daarin vervatte taxatie te twijfelen. Zulks geldt temeer, nu deze taxatie is uitgevoerd door de beide deskundigen van partijen. Het vorenoverwogene brengt naar 's Hofs oordeel mee dat de inspecteur tegenover het niet, althans onvoldoende, gemotiveerde standpunt van de gemachtigde terecht is uitgegaan van de in het taxatierapport vermelde economische huurwaarden. 3.3. Hetgeen belanghebbende aanvoert omtrent de specifieke aard en ligging van de woningen voert het Hof niet tot een andere conclusie aangezien deze omstandig-heden, naar de inspecteur heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht, al zijn verdisconteerd in de aan de naheffingsaanslag ten grondslag liggende minnelijke waardering van de economische huurwaarden. Voor zover belanghebbende nog bedoeld heeft te stellen dat de waardering op grond van de in het Pachtnormenbesluit vastgestelde waarderingsvoorschriften tot een voor haar gunstiger resultaat leidt, heeft zij die stelling naar 's Hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd. In hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd heeft het Hof geen aanleiding gevonden andersluidend te oordelen. 4. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 30 mei 2001 door mrs. Van Ballegooijen, Den Boer en Faase, in tegenwoordigheid van mr. Van Berkensteijn als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door de voorzitter van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt u van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.