Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AB2936

Datum uitspraak2001-11-02
Datum gepubliceerd2001-11-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01688/00
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. 01688/00 Mr Wortel Zitting: 19 juni 2001 Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verzoeker is door de Arrondissementsrechtbank te Maastricht in hoger beroep wegens "terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, de openbare orde verstoren" veroordeeld tot een geldboete van fl. 150,= subsidiair drie dagen hechtenis. Tevens heeft de Rechtbank de proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf verlengd met één jaar. 2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve vraag ik evenwel de aandacht voor het volgende. 3. De zaak is in eerste aanleg behandeld bij de Kantonrechter te Maastricht op 5 maart 1999. Verzoeker is op de terechtzitting van de Kantonrechter verschenen. De oproeping voor deze zitting is aan verzoeker in persoon uitgereikt op de wijze zoals voorzien in art. 385 Sv. Het door een opsporingsambtenaar opgemaakte "proces-verbaal, dubbel van de oproeping" bevindt zich bij de stukken. Er blijkt uit dat het is opgemaakt, en de oproeping voor de terechtzitting van de Kantonrechter aan verzoeker is uitgereikt, op 27 december 1998. 4. Dientengevolge is art. 386 Sv toepasselijk zoals die bepaling luidt sinds 1 februari 1998, op welke datum de wijzigingswet van 15 januari 1998, Stb 31 in werking is getreden (Besluit van gelijke datum, Stb. 32). In het eerste lid van art. 386 Sv is bepaald dat de oproeping moet voldoen aan de in art. 261, eerste lid, Sv gestelde eisen, met dien verstande dat kan worden volstaan met een verkorte aanduiding van het feit. In het tweede lid van art. 386 Sv is voorgeschreven dat bij de oproeping wordt vermeld dat de korte aanduiding van het feit bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zal worden aangevuld of verbeterd, terwijl in het derde lid van art. 386 Sv is bepaald dat de aanvulling of verbetering per post zal worden toegezonden aan de verdachte aan het door hem opgegeven adres. In het tweede lid van art. 386 Sv is voorts voorgeschreven dat de schriftelijke aanvulling of verbetering van de aanduiding van het feit tien dagen voor de zitting ter griffie kan worden ingezien. 5. Het bij de stukken gevoegde "proces-verbaal, dubbel van de oproeping" houdt in dat de overtreding is begaan op 27 december 1998 te 03.55 uur, op de openbare weg de Finestraat te Maastricht, terwijl die overtreding is omschreven als: "in het openbaar in staat van dronkenschap de orde verstoren". Dat stuk behelst niet dat bij het uitreiken van die oproeping is vermeld, als voorgeschreven in art. 386, tweede lid, Sv, dat de korte aanduiding van het feit zou worden aangevuld of verbeterd. 6. Terzijde merk ik op dat het er naar uitziet dat in deze zaak gebruik is gemaakt van een (proces-verbaal mede inhoudende vermelding van) oproeping, toegesneden op de oude regeling. Vóór 1 februari 1998 was in het vierde lid van art. 386 Sv bepaald dat in de oproeping, ofschoon die aan de uit art. 261, eerste lid, Sv voortvloeiende eisen moet voldoen, volstaan kan worden met een korte aanduiding van het feit. Hetgeen thans is voorgeschreven in art. 386, tweede en derde lid, kwam in de voorheen geldende regeling betreffende de oproeping ter terechtzitting van de Kantonrechter niet voor. Het door de opsporingsambtenaar opgemaakte proces-verbaal lijkt te zijn geënt op het Besluit betreffende de voor de oproeping te gebruiken formulieren van 20 april 1994, Stcrt 1994, 82. Voor zover dezerzijds kon worden nagegaan is er nog geen ministeriële regeling getroffen teneinde de voor oproeping ter zitting van de Kantonrechter te gebruiken formulieren in overeenstemming te brengen met de sinds 1 februari 1998 geldende wettelijke regeling, met name het bepaalde in art. 386 lid 2 Sv. 7. Voorts blijkt uit het proces-verbaal der terechtzitting in eerste aanleg niet dat de officier van justitie aan de Kantonrechter een nadere opgave van het tenlastegelegde feit heeft overgelegd, zoals voorgeschreven in art. 393, eerste lid, Sv. 8. Het niet-naleven van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, en in het derde lid van art. 386, en van het bepaalde in art. 393, eerste lid, Sv is in de wet niet met nietigheid bedreigd. Desalniettemin roept een en ander de vraag op of de Rechtbank op juiste en begrijpelijke gronden heeft aangenomen dat de oproeping voor de terechtzitting van de Kantonrechter een geldige is geweest. Het is een wezenlijk vereiste van een behoorlijke procesvoering dat een verdachte behoorlijk op de hoogte wordt gebracht van het strafbare feit dat hij zou hebben begaan. Een beschuldiging die onvoldoende precies is om een doeltreffende verdediging mogelijk te maken is niet aanvaardbaar. Dat geldt ook voor de tenlastelegging die is opgenomen in een oproeping voor een zitting van een Kantonrechter, waaraan niet afdoet dat de aan Kantonrechters ter beoordeling voorgelegde vergrijpen in de regel van betrekkelijk geringe ernst, en de door Kantonrechters opgelegde straffen doorgaans niet zeer ingrijpend zijn. 9. Ook ten aanzien van de in de art. 383 en volgende Sv bedoelde oproeping voor een terechtzitting van de Kantonrechter, in verband met de daaraan in art. 386 Sv gestelde eisen, kan zich het geval voordoen dat het tenlastegelegde feit zo gebrekkig is omschreven dat die oproeping, al is dat in de wet niet met zoveel woorden bepaald, nietig verklaard moet worden. De rechter zal dit in zijn onderzoek moeten betrekken. 10. De omschrijving van de overtreding in de aan verzoeker uitgereikte oproeping behelst de plaats waar, en het tijdstip waarop, die overtreding is begaan, en dat zij bestond uit het in het openbaar verstoren van de orde in staat van dronkenschap. Er is niet omschreven waaruit de ordeverstoring heeft bestaan. Vermelding van de gedragingen die de orde hebben verstoord lijkt mij in een op art. 426 Sr gestoelde tenlastelegging niet te mogen ontbreken. In dit opzicht is de beschrijving van het ten laste gelegde feit in de aan verzoeker uitgereikte, en ter beoordeling aan de Kantonrechter voorgelegde, oproeping incompleet te noemen. 11. Ik bespeur bij mijzelf de sterke neiging praktisch te willen zijn, en niettegenstaande deze onvolledigheid in de aan verzoeker kenbaar gemaakte omschrijving van de hem verweten overtreding aan te nemen dat verzoeker volledig heeft begrepen waarvan hij werd beschuldigd en waartegen hij zich moest verweren. Blijkens het bovengenoemde "proces-verbaal, dubbel van de oproeping" heeft verzoeker namelijk tegenover de verbalisant verklaard: "Ik heb 18 pils gedronken van het merk "Warsteiner" in een café achter de molen, [...]. Ik voel mij niet dronken. Ik weet dat ik luidkeels geroepen en geprovoceerd heb. Ik heb hiervan geen spijt. Ik betaal de boete niet", terwijl verzoeker in eerste aanleg verklaarde: "Het is juist dat ik die bewuste avond veel gedronken had. Ik kan me er nog veel van herinneren, ook dat ik zes uur in de cel heb moeten zitten te ontnuchtering (...)." 12. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat verzoeker wist dat hem werd verweten dat hij na forse consumptie van alcohol de orde heeft verstoord door luidkeels roepen en uitdagend gedrag, dat verzoeker op het moment waarop hij tegenover de verbalisant zijn verklaring aflegde niet in die mate onder de invloed van alcohol was dat hij geen besef had van zijn opmerkingen, en dat hij ook ter terechtzitting in eerste aanleg nog wist waar het over ging. 13. Hier staat tegenover dat de onvolledige beschrijving van het ten laste gelegde feit (waarvan sprake is indien het hierboven ingenomen standpunt gevolgd kan worden dat bij een op art. 426 Sr gebaseerde tenlastelegging moet worden omschreven waaruit de ordeverstoring heeft bestaan) meebracht dat aan de Kantonrechter niet alle feiten en omstandigheden zijn gepresenteerd op grond waarvan hij vast kon stellen dat aan de delictsomschrijving geheel is voldaan. Ik kom tot de slotsom dat de Rechtbank de oproeping voor de terechtzitting in eerste aanleg nietig had moeten verklaren. Aangezien art. 393 Sv niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op de behandeling in hoger beroep bij een Rechtbank, zodat het in dat hoger beroep niet mogelijk is de korte aanduiding van het feit alsnog aan te vullen, had de Rechtbank de zaak, na de oproeping nietig te hebben verklaard, terug moeten wijzen naar de Kantonrechter. 14. Een tweede ambtshalve opmerking betreft de in het vonnis van de Rechtbank opgenomen bewezenverklaring. Die luidt: "in het openbaar in staat van dronkenschap de orde verstoren." De bewezenverklaring voldoet niet aan de daaraan op grond van art. 358 lid 2 jo art. 359 lid 2 Sv te stellen eisen, reeds omdat de plaats waar, en de dag waarop het feit is begaan niet zijn vermeld, en naar mijn inzicht ook omdat de bewezenverklaring niet inhoudt op welke wijze de orde in het openbaar is verstoord. Overigens behelzen ook de door Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niets omtrent de plaats en tijd van de bewezenverklaarde overtreding. Een derde opmerking betreft een misslag die, als zij het enige mankement in de uitspraak van de Rechtbank zou zijn, wellicht als een kennelijk verschrijving zou zijn aan te merken die de Hoge Raad zou kunnen herstellen. Naar aanleiding van een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, opgelegd onder parketnummer 03/260381/98, heeft de Rechtbank de bij de eerdere uitspraak bepaalde proeftijd verlengd met één jaar. Daarbij heeft de Rechtbank vermeld dat het gaat om een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Blijkens de stukken gaat het evenwel om een op 25 september 1998 gewezen vonnis waarbij een deels voorwaardelijke geldboete is opgelegd. 15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 5 maart 1999 is vernietigd, en tot terugwijzing van de zaak naar het Kantongerecht te Maastricht teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

2 oktober 2001 Strafkamer nr. 01688/00 SO/AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 28 september 1999, nummer 03/260572-98, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 5 maart 1999 - de verdachte ter zake van "terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, de orde verstoren" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderdvijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis. Voorts heeft de Rechtbank de proeftijd, bepaald bij het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 25 september 1998, verlengd met één jaar. 2.Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter te Maastricht van 5 maart 1999 is vernietigd, en de zaak zal terugwijzen naar het Kantongerecht te Maastricht opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. 3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 3.1. Deze zaak is in eerste aanleg behandeld bij het Kantongerecht te Maastricht op 5 maart 1999 in aanwezigheid van de verdachte. In aanmerking genomen dat zich bij de stukken van het geding geen inleidende dagvaarding bevindt doch wel een "proces-verbaal, dubbel van de oproeping", inhoudende dat de oproeping voor de zitting van de Kantonrechter van 5 maart 1999 aan de verdachte op 27 december 1998 in persoon is uitgereikt, is de verdachte voor de hiervoor bedoelde terechtzitting van de Kantonrechter opgeroepen op de wijze zoals voorzien in art. 385 Sv. Het voornoemde "proces-verbaal, dubbel van de oproeping", houdt in als datum en tijdstip waarop de geconstateerde gedraging is verricht: 27 december 1998, 03.55 uur. Als plaats is vermeld: Finestraat te Maastricht. Het gedrag is omschreven als: "in het openbaar in staat van dronkenschap de orde verstoren". 3.2. Indien een verdachte met toepassing van art. 385 e.v. Sv wordt opgeroepen dient de oproeping, ingevolge het bepaalde in art. 386, eerste lid, Sv, te voldoen aan de eisen gesteld in art. 261, eerste lid, Sv met dien verstande dat kan worden volstaan met een korte aanduiding van het feit. Ingevolge het tweede lid van art. 386 Sv dient deze korte opgave voorafgaand aan de zitting te worden aangevuld of verbeterd terwijl het derde lid van deze bepaling voorschrijft dat deze aanvulling of verbetering aan de verdachte wordt toegezonden. Voorts bepaalt art. 393, eerste lid, Sv dat het openbaar ministerie bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de schriftelijke nadere opgave van het tenlastegelegde feit aan de Kantonrechter overlegt en dat de nadere opgave voor wat betreft de grondslag van de verdere vervolging geldt als dagvaarding. 3.3. Gelet op de omschrijving van het feit in het "proces-verbaal, dubbel van de oproeping" is volstaan met een korte aanduiding van het feit, als bedoeld in art. 386, eerste lid, Sv, die op zichzelf niet een voldoende, aan de eisen van art. 261 Sv beantwoordende, opgave van het tenlastegelegde feit behelst. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding houden niets in waaruit kan blijken dat overeenkomstig genoemde bepalingen schriftelijk nadere opgave is gedaan van het tenlastegelegde feit. Gelet daarop is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat het aan de verdachte tenlastegelegde feit genoegzaam is omschreven niet naar de eis der wet met redenen omkleed. 4.Slotsom Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad zal de inleidende oproeping nietig verklaren. 5.Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd; Verklaart de inleidende oproeping nietig. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 2 oktober 2001.