
Jurisprudentie
AB3175
Datum uitspraak2001-10-23
Datum gepubliceerd2001-12-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02110/00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-12-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02110/00
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Mr. Fokkens
Nr. 02110/00
Zitting 5 juni 2001
Conclusie inzake
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens doodslag en poging tot doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.
2. Namens verdachte heeft mr. G. Meijer, advocaat te Amsterdam, zes middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel houdt in dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden. Subsidiair dient deze overschrijding te leiden tot strafvermindering, aldus de steller van het middel.
4. Tussen het instellen van het cassatieberoep d.d. 30 december 1998 en de binnenkomst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad d.d. 22 mei 2000 zijn bijna zeventien maanden verstreken. Dat is te lang (HR NJ 2000, 721). In zoverre is het middel gegrond. De sanctie van niet-ontvankelijkheid is alleen dan de aangewezen sanctie indien sprake is van een uitzonderlijk geval. Alhoewel de overschrijding in deze zaak erg lang is, is de overschrijding niet dusdanig dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging moet worden verklaard (zie HR NJ 1998, 304 en HR NJ 1999, 27). De Hoge Raad kan rekening houdend met de mate van overschrijding de opgelegde straf verminderen.
5. Het tweede middel houdt in dat de voorzitter ten onrechte aan de raadsman heeft medegedeeld dat verzoeken van de raadsman om aantekening te doen in het proces-verbaal van de zitting niet meer zouden worden toegestaan. Een beperking van het recht op aantekening van bepaalde omstandigheden, verklaringen of opgaven als daarom wordt verzocht, zoals dat is neergelegd in art. 326, vierde lid, j° 330 Sv is niet toegestaan, aldus de steller van het middel.
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting houdt in:
"De raadsman deelt mee dat hij zojuist in de strafzaak tegen de gelijktijdig terechtstaande verdachte [betrokke[betrokkene A] deze [betrokkene A] heeft horen verklaren (...) De raadsman verzoekt de voorzitter deze verklaring van [betrokkene A] in het proces-verbaal van deze zaak te relateren.
De voorzitter deelt mede dat van vermeld verzoek aantekening wordt gedaan in het proces-verbaal van deze terechtzitting, maar dat het heel ongebruikelijk is dat op deze wijze van verklaringen, afgelegd in de zaken van de gelijktijdig terechtstaande verdachten [betrokkene A] en [betrokkene B], in het proces-verbaal van de terechtzitting in deze zaak melding wordt gemaakt en dat dergelijke verzoeken niet meer worden toegestaan."
7. Het middel kan niet slagen. In de eerste plaats is het door de verdediging gedane verzoek door de voorzitter ingewilligd en blijkt niet dat een dergelijk verzoek nogmaals is gedaan en toen is afgewezen. In de tweede plaats kan de klacht niet slagen, omdat art. 326 Sv ziet op al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt. De verklaring van een medeverdachte in een andere strafzaak valt daar niet onder.
8. Het derde middel houdt in dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1998 niet blijkt dat de openbare zitting weer is hervat toen de reden voor de sluiting van de deuren niet meer bestond.
9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1998 heeft de raadsman verzocht met gesloten deuren uiteen te mogen zetten waarom verdachte niet ter zitting was verschenen. Hierop is door de voorzitter als beslissing van het Hof meegedeeld:
"dat het verzoek van de raadsman om sluiting van de deuren wordt ingewilligd aangezien naar het oordeel van het hof de openbaarheid het belang van een goede rechtspleging zou schade en hij beveelt dat de zaak verder zal worden behandeld met gesloten deuren."
10. Nadat de raadsman had toegelicht waarom verdachte niet was verschenen, heeft de voorzitter als beslissingen van het Hof medegedeeld dat het onderzoek voor onbepaalde tijd werd geschorst, dat de getuige [getuige] opnieuw moest worden opgeroepen en dat de verdachte voor de nadere terechtzitting diende te worden opgeroepen. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat de deuren zijn geopend, voordat die beslissingen zijn meegedeeld, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied.
11. Nu de eerstvolgende terechtzitting in het openbaar heeft plaatsgevonden en uit het proces-verbaal van die terechtzitting kan blijken dat pogingen tot het achterhalen van het verblijfsadres van de getuige [getuige] niet zijn geslaagd, dat diens oproeping aan de griffier is betekend en dat verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht ter terechtzitting te verschijnen, is dat verzuim gecompenseerd omdat de betreffende beslissingen van het Gerechtshof alsnog ter openbare terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Het middel kan dan ook niet slagen.
12. Het vierde middel stelt dat de behandeling in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdig gerecht. Op de terechtzitting van 16 september 1998 heeft de raadsman het hof gewraakt omdat de voorzitter op de terechtzitting van 3 juli 1998 een uiteenzetting van de zaak heeft gegeven, waarbij hij heeft gesproken over het verwisselen van kleding en het kaliber van de kogel waardoor het slachtoffer [slachtoffer] getroffen zou zijn. Volgens de raadsman ging het hier om omstreden punten en heeft het hof door deze uiteenzetting van de voorzitter er blijk van gegeven niet onbevooroordeeld tegenover de zaak te staan.
13. De wrakingskamer heeft dit wrakingsverzoek als volgt afgewezen:
"Het hof neemt als uitgangspunt dat de gewraakte opmerkingen door de voorzitter ten onrechte zijn gemaakt. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de opmerking over de kleding werd gemaakt in een inleiding op een ingewikkelde en geruchtmakende strafzaak met kennelijk mede een voorlichtend karakter, voorafgaande aan de eigenlijke behandeling ter zitting en voorts dat de voorzitter -zo begrijpt het hof de gang van zaken- de opmerking na gemaakt bezwaar onmiddellijk heeft teruggenomen. Voor de opmerking over de kogel geldt dat het een als zodanig onmiddellijk onderkende misslag betrof, die ook onmiddellijk is gecorrigeerd. Gezien deze omstandigheden kan in redelijkheid niet worden geconcludeerd dat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid in deze zaak schade zou (hebben) kunnen leiden, noch dat de gerechtvaardigde schijn zou zijn gewekt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou (hebben) kunnen leiden."
14. De betreffende uitlatingen zijn niet weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting. Wel is in het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek om wraking van het hof terug te vinden wat ter terechtzitting van 3 juli 1998 heeft plaatsgevonden. Nu dit proces-verbaal deel uitmaakt van de stukken kan op grond van dat proces-verbaal de feitelijke grondslag voor het middel worden gevonden. Vgl. HR NJ 1998, 189 en de noot van Knigge onder dat arrest.
15. Het middel bevat drie klachten. De eerste klacht betreft de omstandigheid dat het Hof voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting kennis heeft genomen van de stukken uit het vooronderzoek. Hierdoor zou het Hof hebben gehandeld in strijd met de onschuldspresumptie en heeft de berechting in hoger beroep niet plaatsgevonden door een onpartijdig gerecht, aldus de steller van het middel. Deze klacht faalt reeds omdat de enkele omstandigheid dat de rechter voorafgaand aan de terechtzitting kennis heeft genomen van de zaak, niet betekent dat hij niet onpartijdig is. Vgl EHRM inzake Thomann (NJ 1998, 184), in welke zaak de omstandigheid dat de rechter de verdachte bij verstek had veroordeeld volgens het Hof nog niet betekende dat dezelfde rechter de zaak na verzet niet meer als een onpartijdige rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM kan behandelen.
16. De tweede klacht ziet op het feit dat door de voorzitter is gemeld dat het Hof alvorens het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op basis van het dossier een analyse van de gebeurtenissen heeft gemaakt. Ook die omstandigheid betekent niet dat het hof niet meer als een onpartijdig gerecht kon gelden: het stond het hof vrij om bij de voorbereiding van de zaak een analyse te maken van de punten die bij het onderzoek ter terechtzitting in het bijzonder aan de orde zouden moeten komen, omdat deze opheldering behoefden. Met rechterlijke vooringenomenheid heeft dat niets te maken.
17. De derde klacht betreft de hierboven genoemde uitlatingen van de voorzitter over verwisseling van kleding en het kaliber van de in het lichaam van [slachtoffer] geschoten kogel. Ten aanzien van hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, moet worden uitgegaan van het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek tot wraking. Uitgaande van die vaststellingen kan ik voor de gronden waarom deze klacht faalt, verwijzen naar de beslissing op het verzoek tot wraking van de strafkamer van het hof.
18. Het middel faalt.
19. Het vijfde middel houdt in dat het Hof heeft nagelaten gemotiveerd te beslissen op een in hoger beroep gevoerd Meer-en-Vaartverweer.
20. Door de verdediging is aangevoerd:
"In verband met de verwonding van [slachtoffer] valt in het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium d.d. 20 mei 1997 te lezen dat het hier zowel om een kogel van het kaliber 6.35 mm als 7.65 mm of kogels met overeenkomstige afmetingen zou kunnen gaan. Nu verschillende getuigen verklaren dat zij binnen twee of drie mannen hebben zien schieten, blijft de met de bewijsmiddelen te verenigen maar met een bewezenverklaring strijdige mogelijkheid open dat de betreffende kogel niet van het kaliber 7.65 mm is."
21. Anders dan de steller van het middel meent, is hier geen sprake van een Meer-en -Vaartverweer. Uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte ter plaatse een aantal kogels van het kaliber 7.65 heeft afgevuurd en dat [slachtoffer] aldaar toen door een kogel is getroffen. Uit het tot het bewijs gebezigde rapport van het gerechtelijk laboratorium volgt dat het kaliber van de kogel in het lichaam van [slachtoffer] - die niet uit het lichaam van [slachtoffer] verwijderd kon worden - niet met zekerheid kan worden vastgesteld, maar dat het zeer wel een kogel van het kaliber 7.65 zou kunnen zijn. Uit dit geheel - er is geschoten met een wapen van het kaliber 7.65 en [slachtoffer] is getroffen door een kogel die van dat kaliber zou kunnen zijn - is door het Hof niet onbegrijpelijk geconcludeerd dat de kogel die [slachtoffer] heeft getroffen inderdaad een kogel van het kaliber 7.65 was. De met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat de kogel in het lichaam van [slachtoffer] een ander kaliber had, wordt in de bewijsvoering dus niet opengelaten.
Het middel faalt.
22. Het zesde middel keert zich tegen 's Hofs verwerping van het door de verdediging ter zitting in hoger beroep gevoerde verweer dat verklaringen van verdachte niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat zij onrechtmatig verkregen zijn. De overweging van het hof dat niet aannemelijk is dat er enige rechtsregel is geschonden bij de verhoren zou onbegrijpelijk zijn, nu vaststaat dat verdachte bij een van de verhoren is misleid, doordat hem in strijd met de waarheid is verteld dat een getuige zou hebben verklaard dat hij had gezien, dat verdachte gericht op de portier had geschoten.
23. Ook dit middel is ondeugdelijk. De overweging van het hof heeft betrekking op de politieverhoren op 23 en 24 februari 1997. Dat verdachte bij zijn verhoor op 5 maart 1997 is misleid doet daar niet aan af, omdat de tijdens dat verhoor afgelegde verklaring niet voor het bewijs is gebruikt.
24. De middelen II tot en met VI kunnen worden afgedaan met de in art. 101a RO bedoelde motivering.
Het eerste middel deels gegrond achtend, concludeer ik dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen voor wat betreft de strafoplegging, de opgelegde straf zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
23 oktober 2001
Strafkamer
nr. 02110/00
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 december 1998, nummer 23/000249-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uit-spraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Sticht", Unit I, te Utrecht.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 21 januari 1998 - de verdachte ter zake van (zaak A) 1. "doodslag" en (zaak A) 2. en 3. en (zaak B) "poging tot doodslag, meermalen gepleegd" veroordeeld tot veertien jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in voege als in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, vermindering daarvan en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, zodat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging althans strafvermindering dient te volgen.
3.2. De verdachte heeft op 29 december 1998 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 22 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 8 mei 2001 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.
3.3. Dat brengt mee dat nu de verdachte gedurende die termijn in voorlopige hechtenis verkeerde, de redelijke termijn is overschreden. Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren en strafvermindering worden toegepast.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Met een beroep op art. 326 Sv klaagt het middel dat de voorzitter ten onrechte heeft medegedeeld dat verzoeken van de raadsman om aantekening te doen in het proces-verbaal niet meer worden toegestaan.
4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 1998 houdt het volgende in:
"De raadsman deelt mee dat hij zojuist in de strafzaak tegen de gelijktijdig terechtstaande verdachte [betrokkene A] deze [betrokkene A] heeft horen verklaren (...) De raadsman verzoekt de voorzitter deze verklaring van [betrokkene A] in het proces-verbaal van deze zaak te relateren.
(...)
De voorzitter deelt mede dat van vermeld verzoek aantekening wordt gedaan in het proces-verbaal van deze terechtzitting, maar dat het heel ongebruikelijk is dat op deze wijze van verklaringen, afgelegd in de zaken van de gelijktijdig terechtstaande verdachten [betrokkene A] en [betrokkene B], in het proces-verbaal van de terechtzitting in deze zaak melding wordt gemaakt en dat dergelijke verzoeken niet meer worden toegestaan."
4.3. Art. 326 Sv luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang:
"1. De griffier houdt het proces-verbaal der
terechtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting voorvalt.
(...)
3. De voorzitter kan gelasten dat in het proces-verbaal van eenige bepaalde omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening zal worden gedaan.
4. Gelijke aanteekening geschiedt (...) op verzoek van de verdachte (...)."
4.4. Art. 326 Sv geeft een regeling omtrent hetgeen een proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak van een verdachte dient te bevatten en welke invloed de in die bepaling genoemde personen op de inhoud van het proces-verbaal kunnen hebben. Als gevolg daarvan komt een verzoek van een verdachte tot het doen van aantekening, zoals in het onderhavige geval, slechts dan voor inwilliging in aanmerking indien het betrekking heeft op omstandigheden, verklaringen of opgaven die zich hebben voorgedaan, onderscheidenlijk zijn afgelegd in zijn eigen strafzaak. Blijkens het hiervoor onder 4.2 overwogene betrof het verzoek evenwel verklaringen die in een andere zaak waren afgelegd. De aankondiging van de voorzitter in het vervolg daarvan geen aantekening te zullen doen, is dan ook niet in strijd met enige rechtsregel. Daaraan doet niet af dat een eerder verzoek kennelijk wel werd gehonoreerd en evenmin dat de zaak van de ander blijkbaar gelijktijdig, doch niet gevoegd met die van de verdachte werd behandeld.
4.5. Het middel faalt dus.
5. Beoordeling van het derde middel
5.1. In het middel wordt geklaagd dat de zitting niet wederom als openbare zitting is hervat nadat de reden van de sluiting van de deuren was komen te vervallen.
5.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 16 september 1998 heeft het Hof de raadsman op diens verzoek achter gesloten deuren de gelegenheid gegeven uiteen te zetten waarom de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Uit datzelfde proces-verbaal kan niet blijken dat de deuren na die toelichting op bevel van het Hof weer zijn geopend zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat zulks niet is geschied.
5.3. Ingevolge art. 269, eerste lid, Sv dient het onderzoek ter terechtzitting in het openbaar te geschieden. Dat wil zeggen dat, indien de behandeling van de zaak gedeeltelijk met gesloten deuren heeft plaatsgevonden, deze weer geopend dienen te worden zodra er geen reden meer is voor de sluiting van de deuren en het onderzoek wordt voortgezet.
5.4. Het proces-verbaal van de eerdergenoemde terechtzitting behelst, na de weergave van de toelichting van de raadsman, niet meer of anders dan dat de voorzitter als beslissingen van het Hof meedeelt - kort samengevat -:
- dat de hernieuwde oproeping van de getuige [getuige] ter terechtzitting wordt bevolen tegen een nog
nader te bepalen tijdstip;
- dat het onderzoek wordt geschorst voor onbepaalde tijd en- dat de behandeling zal plaatsvinden in de arrondissementsrechtbank te Amsterdam.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 1998 houdt op de eerste bladzijde onder meer in:
- dat die terechtzitting in het openbaar wordt gehouden;
- dat de voorzitter de zaak doet uitroepen;
- dat het Hof het onderzoek hervat in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing ervan ter terechtzitting van 16 september 1998 bevond en
- dat de getuige [getuige] niet is verschenen.
5.5. Uit het voorgaande volgt dat de voorzitter op de terechtzitting van 16 september 1998 heeft verzuimd de deuren te heropenen alvorens de hiervoor onder 5.4 samengevatte beslissingen van het Hof mee te delen. Het Hof heeft evenwel dit verzuim hersteld door in het begin van de eerste daaropvolgende terechtzitting, waarop het op 16 september 1998 geschorste onderzoek is hervat, de zaak in het openbaar te doen uitroepen, ter plaatse waar die terechtzitting werd gehouden en door het niet-verschijnen van de getuige [getuige] in het openbaar aan de orde te stellen. Immers, de voorzitter heeft daarmee de ter terechtzitting van 16 september 1998 niet in het openbaar gedane mededelingen naar de kern genomen herhaald. Nu door dit herstel de met de eis van openbaarheid gediende belangen tot hun recht zijn gekomen en de belangen van de vervolging en van de verdediging niet zijn geschaad, heeft het herstel tot gevolg dat aan het begane verzuim niet een sanctie behoeft te worden verbonden.
Het middel, dat aan het hiervoor overwogene voorbijgaat, kan dus niet tot cassatie leiden.
6. Beoordeling van het vijfde middel
6.1. Het middel klaagt erover dat het Hof ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit niet gemotiveerd heeft beslist op het verweer dat het slachtoffer [slachtoffer] was geraakt door een kogel van een ander kaliber dan 7.65 mm. Daardoor zou die met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid zijn opengebleven, welke mogelijkheid haar weerlegging niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.
6.2. Het middel miskent dat de mogelijkheid dat [slachtoffer] niet is geraakt door een kogel van het kaliber 7.65 mm niet onverenigbaar is met de bewezenverklaring. Daarin wordt immers in het geheel geen gewag gemaakt van het
kaliber van de kogel waardoor [slachtoffer] is getroffen. Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag dus niet tot cassatie leiden.
7. Beoordeling van het vierde en het zesde middel
Deze middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
8. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
9. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze 12 jaar en 6 maanden beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier E.H. Schulten, en uitgesproken op 23 oktober 2001.

