
Jurisprudentie
AB3286
Datum uitspraak2001-09-25
Datum gepubliceerd2001-09-27
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03074/00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2001-09-27
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03074/00
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Mr Jörg
Nr. 03074/00
Zitting 26 juni 2001
Conclusie inzake:
[Verdachte=verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Verzoeker is bij vonnis van 28 januari 1999 van de enkelvoudige appèlkamer van de rechtbank te 's-Hertogenbosch bij verstek veroordeeld tot een boete van f. 660 en een van f. 280 wegens resp. onverzekerd rijden, zonder rijbewijs.
2. Het cassatieberoep is bijtijds en op juiste wijze ingesteld. Een schriftuur houdende middelen van cassatie is niet ingekomen.
3. Ik vermeldde dat het cassatieberoep op juiste wijze is ingesteld, om het contrast te markeren met het hoger beroep, dat niet op juiste wijze is ingesteld, namelijk naar aanleiding van een volmacht, gegeven door de raadsman aan een griffiebeambte. Uw Raad heeft het instellen van rechtmiddel door middel van een dergelijke dubbele volmacht nimmer goedgekeurd, en onlangs nog de achtergronden van deze vaste houding aangegeven (HR 30 januari 2001, NJ 2001, 293 m.nt. JdH). De appèlrechter had het hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk behoren te verklaren. Nu dat niet is gebeurd, ga ik voort met mijn volgende opmerkingen.
4. Het dossier is blijkens het daarop geplaatste stempel op 5 september 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Tussen de dag van het instellen van het cassatieberoep (7 juli 1999) en die van de ontvangst der stukken is derhalve een termijn van 14 maanden verstreken. Uw Raad hanteerde ook destijds al voor deze periode een redelijk termijn van 8 maanden (HR 26 januari 1999, NJ 1999, 326). Deze opmerking betreft dus de snelheid waarmee het hoger beroepstraject is afgewerkt.
5. Dan nu mijn tot vernietiging van de beslissing leidende bemerking. Blijkens de akte van uitreiking is de dagvaarding, na tevergeefs te zijn aangeboden op het adres [a-straat 1] (alwaar verzoeker volgens het GBA-overzicht van 7 januari 1999 stond ingeschreven), en na voor afhalen gereed te hebben gelegen op het postkantoor, teruggezonden aan de griffie. Dit alles is in overeenstemming met art. 588, derde lid, sub b, en sub c, eerste en tweede zin. De derde en laatste zin van dat sub-onderdeel vereist echter dat de griffier de gerechtelijke mededeling onverwijld als gewone brief over de post aan het - inmiddels geverifieerde - adres toezendt, alsmede dat hij dit aantekent op de akte van uitreiking.
6. De akte van uitreiking bevat niet de aantekening dat de gerechtelijke brief als gewone brief is verzonden. De gehele rubriek is opvallend oningevuld gebleven.
7. Dit betekent dat de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep niet in overeenstemming met de wet heeft plaats gevonden, dat het vonnis vernietigd behoort te worden, en dat de zaak opnieuw in appèl behandeld moet worden. Aangezien de appèlrechter rechtens tot geen andere beslissing kan komen, dan een niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, adviseer ik Uw Raad om, wegens proces-economische redenen, zelf de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Uitspraak
25 september 2001
Strafkamer
nr. 03074/00
AGJ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 28 januari 1999, nummer 01/405056-96, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 21 oktober 1997 - de verdachte ter zake van 1. "als bezitter een motorrijtuig op een weg doen rijden, zonder dat hij voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden" en
2. "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld ten aanzien van feit 1. tot een geldboete van zeshonderdzestig gulden, subsidiair dertien dagen hechtenis en ten aanzien van feit 2. tot een geldboete van tweehonderdtachtig gulden, subsidiair vijf dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep, is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1. De akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 1999, houdt in dat die dagvaarding op 8 januari 1999 is uitgereikt ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch aan de (waarnemend) griffier van die rechtbank "omdat de geadresseerde, blijkens de aan deze akte gehechte mededeling van de afdeling bevolking van diens woongemeente, op de dag van aanbieding van de gerechtelijke brief en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens op het op deze akte vermelde adres stond ingeschreven."
Bedoelde akte van uitreiking houdt niet in dat de griffier verklaart deze gerechtelijke brief als gewone brief te hebben verzonden naar het op de akte van uitreiking vermelde adres van geadresseerde.
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen.
Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep op juiste wijze is betekend, is gelet op het bovenstaande ontoereikend gemotiveerd. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren.
3.2. Voorts verdient het volgende opmerking.
3.2.1. De verdachte heeft op 7 juli 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 5 september 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, terwijl de Hoge Raad in deze zaak uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.2. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van genoemde termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. Bij de verdere behandeling van het hoger beroep zal bij een eventuele veroordeling dan ook in die zin met deze overschrijding van de redelijke termijn behoren te worden rekening gehouden.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 25 september 2001.

