Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD3448

Datum uitspraak2001-08-08
Datum gepubliceerd2001-09-07
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers00/01040
Statusgepubliceerd


Uitspraak

Gerechtshof Arnhem tweede meervoudige belastingkamer nummer 00/01040 U i t s p r a a k op het beroep van [X te Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen te [P] op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te melden aan hem opgelegde aanslag vermogensbelasting 1998. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof 1.1. De aanslag, gedagtekend 3 november 1999, is berekend naar een vastgesteld vermogen van ƒ 7.656.000,- met inachtneming van een belastingvrije som van ƒ 193.000,-. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak van 20 april 2000 de aanslag gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op 16 mei 2001. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [de Inspecteur]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Zonder bezwaar van de wederpartij heeft de Inspecteur twee stukken overgelegd, inhoudende kopieën van gedeelten uit de jaarstukken 1999 van A BV] en jaarstukken van B-1 BV]. 1.4. Het onderwerpelijke beroep van belanghebbende is gelijktijdig behandeld met belanghebbendes beroepschrift tegen de uitspraak van de inspecteur inzake inkomstenbelasting 1997 (bij het Hof bekend onder nummer 00/01041). 2. Feiten Het Hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, de volgende feiten vast. 2.1. Belanghebbende is als fiscalist werkzaam onder de naam [X-1] belastingadviseurs. Daarnaast is hij enig aandeelhouder van [B-2] BV en van C BV] en voor 50 percent aandeelhouder van [D] BV en [E] Management BV. Onder deze houdstermaatschappijen vallen participaties in diverse dochtermaatschappijen. Op pagina 2 van het verweerschrift is een organogram opgenomen, welke als hier ingelast dient te worden aangemerkt. 2.2. Belanghebbende heeft bij de onderhavige aangifte de in artikel 7 van de Wet op de vermogensbelasting 1964 (hierna: Wet VB) vervatte ondernemingsvrijstelling geclaimd voor de waarde van zijn aandelen in [B-2] BV en in [C] BV. [B-2] BV is enig aandeelhouder van [B-1] BV. [B-1] BV is enig aandeelhouder van Holding [F] BV en [G] BV, en voor 50 percent aandeelhouder van [H] BV en [A] BV, alsmede voor 30 percent aandeelhouder van [I] BV en voor 1,7 percent aandeelhouder van [J] BV. [C] BV is enig aandeelhouder van [X-2] BV en voor 50 percent aandeelhouder van [K] BV. Van deze vennootschappen kan voor het onderhavige geschil van het navolgende worden uitgegaan. 2.3. [B-2] BV was enig aandeelhouder van [B-1] BV en verrichtte verder, anders dan als houdstermaatschappij, geen activiteiten. 2.4. [B-1] BV bezat onder meer een effectenportefeuille en een verhuurde onroerende zaak te [Q] en verrichtte voorts, anders dan als houdstermaatschappij voor eerdergenoemde vennootschappen, geen activiteiten. 2.5. Holding [F] BV bezat een woning te [R]. Belanghebbende heeft jegens de Inspecteur verklaard (verweerschrift pagina 3) dat ten aanzien van een in 1996 gekocht pand aan de [a-weg 1 te P] dat in 1997 weer is verkocht sprake was van een aantrekkelijk beleggingspand. 2.6. [G] BV bezat een verhuurde onroerende zaak te [S], de toelichting op de balans van de jaarrekening vermeldt: "Het pand wordt door de vennootschap als onroerend goed geëxploiteerd" (verweerschrift pagina 3). 2.7. [H] BV was een lege vennootschap zonder (beleggings)activiteiten. 2.8. [A] BV bezat meerdere grotere onroerende zaken, die onder meer verhuurd werden aan zakelijke dienstverleners. Sinds juli 1998 was [A] in gesprek met de Hogeschool [L] over de ontwikkeling van een kantoorpand. 2.9. [I] BV exploiteerde een aannemingsbedrijf, de Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat [B-1] BV daaraan geen (mede) leiding gaf. 2.10. [J] BV exploiteerde een grote, verhuurd onroerende zaak waarbij het beheer werd gevoerd door een aparte directie. 2.11. [C] BV was enig aandeelhouder van [X-2] BV en voor 50 percent aandeelhouder van [K] BV en verrichtte verder, anders dan als houdstermaatschappij, geen activiteiten. [X-2] BV verrichtte geen activiteiten meer, en [K] BV was een lege vennootschap zonder (beleggings)activiteiten. Belanghebbende merkt in zijn beroepschrift op pagina 4 hierover op: "De feitelijke werkzaamheden van [C] BV en haar dochtermaatschappijen bestaat niet in het onmiddellijk of middellijk beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheid". In zijn pleitnota voegt belanghebbende daaraan toe, dat in dezen sprake is van een langdurige liquidatie nadat in het verleden in deze vennootschappen wel sprake is geweest van activiteiten. 2.12. In zijn bezwaarschrift van 15 november 1999 (bijlage 6 bij het verweerschrift) tegen de aan [B-1] BV voor het jaar 1997 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting, merkt belanghebbende op: "[B-1] BV en met haar gelieerde vennootschappen bezitten reeds decennia lang onroerend goed. Al deze onroerende goederen werden en worden verworven met het oog op duurzame exploitatie". 2.13. [B-1] BV berekende geen management fee aan haar dochtervennootschappen. Wel werd in 1997 nog een managementfee gefactureerd voor in 1993 aan [J] BV verrichte werkzaamheden. Daarnaast realiseerde [B-1] BV in 1997 een management fee van ƒ 111.601,- welke, zo heeft belanghebbende ter zitting toegelicht, voor ongeveer de helft bestond uit een van [M] NV voor werkzaamheden in België ontvangen fee. Belanghebbende was van deze NV via de Holding [B] Group SA middellijk aandeelhouder. Voor het resterend gedeelte bestond de management fee 1997 uit een vergoeding van [E] Management BV voor de werkzaamheden inzake [J] BV van belanghebbende als aandeelhouder van [E] Management BV, zoals het bijwonen van aandeelhoudersvergaderingen. 2.14. Over 1997 heeft belanghebbende bij geen van de vennootschappen waarin hij een aanmerkelijk belang heeft een zakelijk salaris, als bedoeld in artikel 12a Wet op de loonbelasting 1964, bedongen. 2.15. Belanghebbende was tevens directeur van [A] BV. In die hoedanigheid heeft hij in de periode 1997 tot en met 2000 diverse werkzaamheden verricht (belanghebbendes pleitnota, pagina’s 4 en 5. Deze activiteiten betroffen gesprekken en onderhandelingen over (voorgenomen) aankopen van onroerende zaken en (voorgenomen) projectontwikkeling. 2.16. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur naast de correctie op eerdergenoemde ondernemingsvrijstelling tevens een correctie van ƒ 357.000,- toegepast. Daarvan is ƒ 17.000,- in verband met privé gebruik auto hier niet in het geding. Het restant ad ƒ 340.000,- heeft betrekking op een hogere waardering van de aandelen [B-1] BV in verband met een vordering van de vennootschap op belanghebbende. In zijn pleitnota gaat belanghebbende alsnog akkoord met deze correctie, zij het dat zijns inziens ten onrechte geen rekening is gehouden met een Vpb-latentie, zodat volgens belanghebbende de correctie beperkt dient te worden tot ƒ 221.000,-. 2.17. Ten aanzien van de in 1.4. bedoelde procedure inzake de inkomstenbelasting 1997 is geoordeeld dat belanghebbende en de Inspecteur in november 1998 een compromis hebben bereikt op een aantal punten. In een brief van 19 november 1998 is ter zake opgenomen: "Voor de beoordeling van mijn belastingplicht wordt ervan uitgegaan, dat ik in ieder geval voor de jaren 1996 en 1997 geacht wordt binnenlands belastingplichtig te zijn". 2.18. De Inspecteur brengt in zijn verweerschrift naar voren dat bij het vaststellen van de aanslag verzuimd is om rekening te houden met een substantieel hogere waarde van de vastgoedportefeuille van [A] BV. Indien belanghebbende door het Hof geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wenst hij deze hogere waarde in aanmerking te nemen in het kader van de zogenoemde interne compensatie binnen de aanslag. 3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of ten aanzien van de aandelen in B-2] BV en in [C] BV de ondernemingsvrijstelling van artikel 7 van de Wet VB van toepassing is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend. Voorts is (na pleidooi) nog in geschil of bij de correctie van ƒ 340.000,- in verband met de vordering van [B-1] BV op belanghebbende, rekening gehouden moet worden met een Vpb-claim, welke vraag door belanghebbende eveneens bevestigend wordt beantwoord. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting, behoudens het hiervoor bedoelde geschilpunt, geen nieuwe argumenten of verweren toegevoegd. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aanslag tot één naar een belastbaar vermogen van ƒ 3.343.205,-. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat, indien het Hof tot de conclusie komt dat er geen compromis tot stand is gekomen, hij in 1997 buitenlands belastingplichtig is. De Inspecteur concludeert primair tot bevestiging van zijn uitspraak. Subsidiair beroept de Inspecteur zich op interne compensatie binnen de aanslag. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Op grond van artikel 7, lid 2, Wet VB wordt (afhankelijk van de omvang van het vermogen, geheel dan wel gedeeltelijk) vrijstelling verleend voor het in een onderneming belegde vermogen. Artikel 7, lid 3, letter c van bedoelde wet breidt deze vrijstelling uit tot het vermogen dat betrekking heeft op: "aandelen … die voor belastingplichtige behoren tot een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, in een in Nederland gevestigde vennootschap, niet zijnde een beleggingsinstelling … of een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middelijk, beleggen van vermogen of daarmee overeenkomstige werkzaamheid". 4.2. Het vermogen van belanghebbende bestond deels uit en had derhalve mede betrekking op aandelen in [B-2] BV en in [C] BV. Deze aandelen vormden voor belanghebbende een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Voor de toepassing van de ondernemingsvrijstelling van de Wet VB is derhalve van belang of met betrekking tot beide vennootschappen sprake is van de hoedanigheid van een lichaam waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat in het, onmiddellijk of middellijk, beleggen van vermogen of een daarmee overeenkomstige werkzaamheid. 4.3. Uit de onder 2.3. tot en met 2.12. genoemde feiten leidt het Hof af dat de werkzaamheden van beide vennootschappen het normaal vermogensbeheer niet te boven gingen. Ten opzichte van de dochterondernemingen was slechts sprake van een passieve participatie. Dat geldt te meer, nu de meeste (klein)dochterondernemingen leeg en inactief waren dan wel alleen een effectenportefeuille of onroerende zaken beheerden. Maar ook voor zover de feitelijke werkzaamheden van een aantal (klein) dochtermaatschappijen meer omvatten dan alleen het beheer van een beleggingsportefeuille en onroerende zaken, is in dezen niet gebleken van een actieve interventie en bemoeienis door [B-2] BV en [C] BV. in deze dochterondernemingen. 4.4. Dit oordeel vindt steun in het bij 2.9. omschreven feit dat [B-1] BV geen leiding gaf aan het aannemingsbedrijf van [I BV]. Zulks wordt voorts onderschreven door de kwalificatie van belanghebbende in 2.5., te weten: ‘beleggingspand’ en door de opmerking van belanghebbende in 2.12. dat er bij het onroerend goed in de diverse vennootschappen sprake is van ‘duurzame exploitatie’. Hieruit blijkt niet van projectontwikkeling of van enig andere activiteit die normaal vermogensbeheer van onroerende zaken te boven zou gaan. 4.5. Het betoog van belanghebbende dat sprake was van langdurige liquidatie bij de vennootschappen in de [C] groep wordt door het Hof ver worpen. Daarvoor zijn de voorheen uitgeoefende activiteiten al te lang geleden gestaakt. 4.6. Voorts acht het Hof van belang dat belanghebbende geen ‘gebruikelijk loon’ heeft bedongen bij [B-2] BV of [C] BV of bij een van de dochterondernemingen. Daarmee heeft belanghebbende, zo heeft de Inspecteur gemotiveerd gesteld, het standpunt ingenomen dat er geen sprake was van door hem uitgevoerde werkzaamheden bij deze vennootschappen die het normaal vermogensbeheer te boven zouden gaan. Nu genoemde vennootschappen ook geen andere personeelsleden in dienst hebben, volgt het Hof de Inspecteur in diens gevolgtrekking dat dan ook uit dien hoofde geen sprake kan zijn van werkzaamheden die uitgaan boven normaal vermogensbeheer. 4.7. Tegenover de gemotiveerde stelling van de Inspecteur dat [B-1] BV bij haar dochtervennootschappen geen management fee declareerde waaruit activiteiten zouden blijken welke meer omvatten dan normaal vermogensbeheer, heeft belanghebbende niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er desondanks sprake was van (te declareren) werkzaamheden. De in 1997 bij [B-1] BV verantwoorde management fee betrof deels werkzaamheden uit 1993, deels werkzaamheden van belanghebbende in België waarvan de opbrengst -zo die al gelet op het in 4.6. gestelde bij [B-1] BV zou moeten vallen- van niet meer dan ondergeschikte betekenis was; voor het resterende deel betrof die fee werkzaamheden van belanghebbende in zijn positie als aandeelhouder van [E] Management BV. Ook ter zitting heeft belanghebbende niet duidelijk gemaakt waarom deze laatste fee door [B-1] BV werd gedeclareerd in plaats van door belanghebbende persoonlijk. 4.8. De werkzaamheden voor [A] BV in de periode 1997 tot en met 2000 heeft belanghebbende, zo begrijpt het Hof, gedaan in zijn persoonlijke hoedanigheid van directeur van [A] BV. Van een relatie met [B-1] BV of gelieerde vennootschappen is niets gebleken, te meer niet nu geen van de daarvoor in aanmerking komende vennootschappen voor deze activiteiten van belanghebbende een vergoeding heeft gefactureerd aan [A] BV. Deze activiteiten van belanghebbende hebben dan ook, ongeacht het tijdstip, de aard en de omvang, geen invloed op de toepassing van de ondernemingsvrijstelling. 4.9. Nu het Hof in de gelijktijdig behandelde zaak inzake de inkomstenbelasting 1997 oordeelde dat het compromis daadwerkelijk tot stand is gekomen, kan belanghebbendes subsidiaire stelling in dezen buiten behandeling blijven. 4.10. Zoals in 2.16. is vastgesteld, staat de correctie van ƒ 340.000,- in verband met de vordering van [B-1] BV op belanghebbende, op zich niet meer ter discussie. Het Hof volgt echter belanghebbende in zijn stelling dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de Vpb-claim. De bate die [B-1] BV als zodanig toekwam is bij de vennootschap belast met vennootschapsbelasting. De correctie op dit onderdeel moet dan ook met ƒ 119.000,- teruggebracht worden tot ƒ 221.000,-. 4.11. Het Hof volgt op dit punt het standpunt van belanghebbende, zodat het subsidiaire standpunt van de Inspecteur aan de orde komt waarbij hij zich beroept op interne compensatie in verband met een substantieel hogere waarde van de vastgoedportefeuille van [A] BV. Tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende heeft de Inspecteur dat standpunt evenwel onvoldoende onderbouwd, zodat het Hof de Inspecteur in dit standpunt niet zal volgen. 4.12. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep doel treft, in zoverre dat bij de aanslag rekening gehouden moet worden met de Vpb claim ad ƒ 119.000,-. 5. Proceskosten Belanghebbendes proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op ƒ 50,- aan reis- en verblijfkosten. Beslissing Het Gerechtshof vernietigt de bestreden uitspraak; vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar vermogen van ƒ 7.537.000,-; gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van ƒ 60,-; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van ƒ 50,-, en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden. Aldus gedaan te Arnhem op 8 augustus 2001 door mr. P.M. van Schie, voorzitter, mr. T.J. Matthijssen en mr.drs. A.M. van Amsterdam, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. den Ouden, fiscaal jurist, en mr. A.W.M. van der Waerden als griffier. (A.W.M. van der Waerden) (P.M. van Schie) De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 augustus 2001 Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.