Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD3581

Datum uitspraak2001-06-29
Datum gepubliceerd2001-09-19
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers00/03410
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geschil is of kosten van werkzaamheden aan de tuin in aftrek zijn toegelaten als onderhoudskosten van een monumentenwoning. Het Hof is voor deze kosten van oordeel dat deze in huursituaties als onderdeel van de tuinaanleg in het algemeen op initiatief van de bewoner geschieden en dat de kosten voor rekening van de huurder zullen komen. Dit zou anders kunnen zijn indien moet worden geoordeeld dat het desbetreffende onderdeel van de tuin in bouwkundig en architectonisch opzicht zodanig verbonden is met het monumentale pand dat het als geheel in zekere zin een eenheid vormt.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren Z, hierna de inspecteur, gedagtekend 29 augustus 2000, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997. Het beroep is behandeld ter zitting van 15 juni 2001. Beslissing Het Hof verklaart het beroep ongegrond. Gronden 1. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ¦ 205.525. In haar aangifte heeft belanghebbende een bedrag van ¦ 38.763 als onderhoudskosten van haar monumentenwoning in aanmerking genomen. De inspecteur heeft, nadat belanghebbende aan zijn verzoek om nadere informatie te verstrekken heeft voldaan, de aanslag in afwijking van de aangifte vastgesteld op ¦ 229.163 omdat hij van mening is dat een deel van de kosten niet als onderhoudskosten in aftrek kunnen komen. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar aangetekend en de inspecteur heeft, omdat hij van oordeel is dat een bedrag van ¦ 1.929 alsnog in aftrek kan worden gebracht, de aanslag in zijn uitspraak op bezwaar verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 227.234. 2. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar in beroep gekomen bij het Hof. In geschil is of kosten van werkzaamheden aan de tuin ten belope van ¦ 15.403 in aftrek zijn toegelaten als onderhoudskosten. De werkzaamheden laten zich als volgt onderverdelen. a. De aanleg van een pad van de openbare weg naar de voordeur waarbij het pad is verbreed en het trapje van bielzen dat een overgang van niveau overbrugde werd vervangen door metselwerk; b. Het vervangen van folie in de vijver door metselwerk; c. Het vergroten van de entreekuil. Door partijen is ter zitting overeengekomen dat de kosten per onderdeel naar schatting op ongeveer ¦ 5000 gesteld kunnen worden. 3. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Kort en zakelijk weergegeven heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de kosten moeten worden aangemerkt als onderhoudskosten en heeft de inspecteur gesteld dat de kosten ofwel moeten worden aangemerkt als kosten van verbetering dan wel als kosten welke normaliter voor rekening van een huurder komen en uit dien hoofde niet als onderhoudskosten van een monumentenwoning in aftrek zijn toegelaten. 4. Ingevolge artikel 42a, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) kunnen onderhoudskosten met betrekking tot een eigen woning die is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet 1988, in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de zuivere inkomsten met betrekking tot die eigen woning voor zover de in aftrek toegelaten kosten, lasten en afschrijvingen tezamen een zeker bedrag te boven gaan. Onder een eigen woning wordt ingevolge het tweede lid van genoemd artikel verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw met aanhorigheden. 5. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat slechts die categorie van onderhoudskosten in aftrek wordt toegelaten die van invloed is geweest op de berekening van de in artikel 42a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet vermelde en als huurwaarde in aanmerking te nemen forfaitaire bedragen. Tot laatstbedoelde categorie van kosten behoren blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 42a niet "de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties" (Memorie van Antwoord Tweede Kamer zitting 1969-1970- 10.790, nummer 8, bladzijde 25 rechter kolom). Sindsdien aangebrachte wijzigingen van bedoeld eerste lid hebben hierin geen verandering gebracht. 6. Het Hof moet derhalve in de eerste plaats oordelen of de in het geding zijnde kosten voor de toepassing van artikel 35 van de Wet tot de onderhoudskosten van een onroerend goed moet worden gerekend en vervolgens of deze kosten geheel of ten dele in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. 7. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende ermee ingestemd dat het vergroten van de entreekuil een zodanig wezenlijke verandering daarvan met zich meebrengt dat de kosten daarvan geheel als kosten van verbetering moeten worden aangemerkt en niet strekten tot het brengen of houden van de woning in een redelijke staat, overeenkomstig de toestand waarin die zich bij de stichting of op een later tijdstip bevond. 8. Ten aanzien van de werkzaamheden aan de vijver welke hebben bestaan uit het vervangen van de foliebodem door een bodem van metselwerk heeft de inspecteur toegegeven dat in beginsel sprake is van verbetering, doch dat eventueel aftrek van deze kosten kan worden verleend, aangezien noodzakelijk periodiek onderhoud, bestaande uit vervanging van versleten folie, waarschijnlijk tot een vergelijkbare uitgaaf zou hebben geleid. Het Hof is echter met de inspecteur van oordeel dat de aanleg en het bezit van een vijver in het algemeen voortvloeien uit persoonlijke overwegingen en voorkeuren van de bewoner en dat deze kosten in huursituaties daarom normaliter op initiatief en voor rekening van een huurder zullen (op)komen. Dit zou anders kunnen zijn indien moet worden geoordeeld dat de vijver in bouwkundig en architectonisch opzicht zodanig verbonden is met het monumentale pand dat het als geheel in zekere zin een eenheid vormt. Omdat niet dan wel onvoldoende is gesteld of gebleken dat zulks hier het geval is moet worden geoordeeld dat de kosten niet in aanmerking kunnen worden genomen omdat zij in huurverhoudingen door de huurder gedragen plegen te worden. 9. Tenslotte moet het Hof oordelen over de kosten van de werkzaamheden in verband met de aanleg van een pad van de openbare weg naar de voordeur waarbij het pad is verbreed en bielzen die deel uitmaakten van het pad zijn vervangen door metselwerk. Partijen hebben zich ter zitting akkoord verklaard met het aanmerken van de helft van deze kosten als onderhoudskosten. Het Hof is voor deze kosten van oordeel dat de aanleg van een pad van de openbare weg naar de voordeur van een woning in huursituaties als onderdeel van de tuinaanleg in het algemeen op initiatief van de bewoner geschiedt en dat de kosten voor rekening van de huurder zullen komen. Ook hier geldt dat dit anders zou kunnen zijn indien moet worden geoordeeld dat het pad in bouwkundig en architectonisch opzicht zodanig verbonden is met het monumentale pand dat het als geheel in zekere zin een eenheid vormt. Hiervan is echter in het geval van belanghebbende geen sprake. De enkele omstandigheid dat de wijze waarop het metselwerk, en ook dat van de vijver, is uitgevoerd aansluit bij de stijl van de woning is hiervoor onvoldoende. Een en ander brengt mee dat moet worden geoordeeld dat de kosten niet in aanmerking kunnen worden genomen. 10. Gelet op het vooroverwogene verklaart het Hof het beroep ongegrond. Proceskosten Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan op 29 juni 2001 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.