Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD5513

Datum uitspraak2001-06-05
Datum gepubliceerd2001-11-14
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Gravenhage
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/207667
Statusgepubliceerd


Indicatie

SAMENVATTING Bewaring / toezending stukken. De gemachtigde van de vreemdeling is van mening dat de ter zitting overgelegde en op 29 mei 2001 ingezonden stukken tardief zijn. Hij heeft daarbij gewezen op de Richtlijnen Bewaringszaken 2000 waarin is gesteld dat de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op de tweede werkdag voor de zitting om 12.00 ter griffie ontvangen dienen te zijn. De rechtbank overweegt dat deze richtlijn niet uitsluit dat de rechtbank kan toestaan dat op een later tijdstip nog stukken worden overgelegd, mits dit niet in strijd komt met een goede procesorde en de wederpartij voldoende gelegenheid heeft hierop te reageren. In dit geval zijn ter zitting enkele stukken met betrekking tot het strafrechtelijk voortraject overgelegd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hiervan ter zitting kennis genomen en naar aanleiding hiervan verklaard dat aan het strafrechtelijk voortraject zijns inziens geen gebreken kleven. Het op 29 mei 2001 toegezonden stuk betreft de beschikking waarin de asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling door het te laat overleggen c.q. toezenden van voornoemde stukken niet in zijn belangen is geschaad. Beroep ongegrond.


Uitspraak

UITSPRAAK ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig __________________________________________________ UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep vrijheidsontnemende maatregel __________________________________________________ Reg.nr : AWB 01/20767 VRWET Inzake : A, crv nummer 1209009223, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Ter Apel, hierna te noemen de vreemdeling, gemachtigde mr. H.P. Vos, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. E.J.B. Spierings, ambtenaar ten departemente. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING 1. De vreemdeling heeft gesteld te zijn geboren op [...] 1977 en de Sierraleoonse nationaliteit te hebben. 2. Op 18 mei 2001 heeft de rechtbank een beroepschrift op grond van artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) van de vreemdeling ontvangen. Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerder van 17 mei 2001 waarbij de vreemdeling de maatregel van bewaring is opgelegd . In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding. 3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 28 mei 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig mevrouw P.J. van Raalte, tolk in de Engelse taal. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder enkele ontbrekende stukken van het dossier overgelegd. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld stukken met betrekking tot de asielprocedure van de vreemdeling op 29 mei 2001 aan de rechtbank en aan de gemachtigde van de vreemdeling te zenden, waarna de gemachtigde van de vreemdeling uiterlijk binnen twee dagen kon reageren. Bij faxbericht van 29 mei 2001 heeft verweerder een stuk toegestuurd. Bij faxbericht van dezelfde datum heeft de gemachtigde van de vreemdeling hierop gereageerd. II. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000. 2. Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 3. De gemachtigde van de vreemdeling is van mening dat de ter zitting overgelegde en op 29 mei 2001 toegezonden stukken tardief zijn. Hij heeft daarbij gewezen op de Richtlijnen Bewaringszaken 2000 waarin is gesteld dat de op de zaak betrekking hebbende stukken uiterlijk op de tweede werkdag vòòr de zitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen dienen te zijn. De rechtbank overweegt dat deze richtlijn niet uitsluit dat de rechtbank kan toestaan dat op een later tijdstip nog stukken worden overgelegd, mits dit niet in strijd komt met een goede procesorde en de wederpartij voldoende gelegenheid heeft hierop te reageren. In dit geval zijn ter zitting enkele stukken met betrekking tot het strafrechtelijk voortraject overgelegd. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hiervan ter zitting kennis genomen en naar aanleiding hiervan verklaard dat aan het strafrechtelijk voortraject zijns inziens geen gebreken kleven. Het op 29 mei 2001 toegezonden stuk betreft de beschikking d.d. 10 november 1999 waarin de asielaanvraag van de vreemdeling is afgewezen. De gemachtigde van de vreemdeling heeft in het faxbericht van die datum verklaard dat die beschikking hem geen aanleiding geeft tot nadere opmerkingen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vreemdeling door het te laat overleggen c.q. toezenden van voornoemde stukken niet in zijn belangen is geschaad. 4. De rechtbank overweegt met betrekking tot de grief van de vreemdeling dat de zitting niet binnen de termijn van artikel 94, tweede lid, Vw2000 heeft plaatsgevonden en dat de bewaring op die grond onrechtmatig moet worden geacht als volgt. Ingevolge artikel 94, tweede lid, Vw2000 bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de zevende dag na ontvangst van het beroepschrift dan wel de kennisgeving plaats. Op 18 mei 2001 heeft het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken te Haarlem (CIV) het beroepschrift van de vreemdeling ontvangen. Gelet op het bepaalde in artikel 94, tweede lid, Vw2000 ving de termijn van zeven dagen aan op 19 mei 2001 en liep deze door tot en met 25 mei 2001. Ingevolge artikel 1 van de Algemene termijnenwet (ATW) wordt een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Bij Koninklijk Besluit van 20 augustus 1999, nr. 99.003816, is 25 mei 2001 gelijkgesteld met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, derde lid, ATW. Gelet hierop is de termijn verlengd tot en met maandag 28 mei 2001. De rechtbank overweegt daarbij dat de termijn waarbinnen ingevolge artikel 94, tweede lid, de zitting plaats moet vinden, geen termijn van vrijheids-beneming betreft, als bedoelde in artikel 4, aanhef en onder c, van de ATW, zodat die wet op deze termijn van toepassing is.. De rechtbank is dan ook van oordeel dat is voldaan aan de zeven dagen-termijn als bedoeld in artikel 94, lid 2, van de Vw2000. 5. De rechtbank is van oordeel dat de procedure die heeft geleid tot de inbewaringstelling rechtmatig is verlopen. Immers, uit de feiten en omstandigheden als weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding vloeide een redelijk vermoeden voort dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Gelet op het bepaalde in artikel 53 jo. artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve de bevoegdheid de vreemdeling aan te houden. Aangezien hierna is gebleken dat de vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verblijft, is hij onmiddellijk na de strafrechtelijke invrijheidstelling in bewaring gesteld. Het gehoor als bedoeld in artikel 59 Vw2000 juncto artikel 5.2 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb2000) heeft plaatsgevonden 1 uur en 20 minuten na de inbewaringstelling. Blijkens het proces-verbaal is de oorzaak hiervan gelegen in het vervoer van de vreemdeling van de plaats van voorgeleiding bij de officier van justitie naar een politiebureau. Gelet hierop en in aanmerking nemend dat artikel 5.2, tweede lid onder c. Vb 2000, ruimte biedt om het gehoor na aanvang van de inbewaringstelling te doen plaatsvinden indien een voorafgaand gehoor niet kan worden af-gewacht en gelet op de omstandigheid dat voldaan is aan de voorwaarde van het derde lid dat de vreemdeling in dat geval zo spoedig mogelijk na de tenuitvoerlegging van de bewaring wordt gehoord, ziet de rechtbank in dit tijdsverloop geen aanleiding de inbewaringstelling onrechtmatig te achten. 6. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden de vreemdeling krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw2000 in het belang van de openbare orde en met het oog op de uitzetting, in bewaring heeft gesteld. De vreemdeling beschikt niet over een geldige titel tot verblijf, is niet in het bezit van een geldig identiteitsbewijs, heeft zich aan het vreemdelingentoezicht onttrokken en beschikt niet over voldoende middelen van bestaan. Bovendien wordt de vreemdeling verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Gelet hierop bestaat ten aanzien van hem het ernstige vermoeden dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken. 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat. Verweerder heeft ter vaststelling van de identiteit van de vreemdeling het voornemen om hem te presenteren bij de Sierraleoonse autoriteiten. Indien mocht komen vast te staan dat de vreemdeling de Sierraleoonse nationaliteit heeft zal verweerder de vreemdelingenbewaring opheffen. 8. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. 9. Het beroep is derhalve ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding de opheffing van de maatregel te bevelen. Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. 10. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. III. BESLISSING De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage RECHT DOENDE: 1. verklaart het beroep ongegrond; 2. wijst het verzoek om schadevergoeding af. IV. RECHTSMIDDEL Krachtens artikel 95 Vw2000 staat tegen deze uitspraak voorzover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel voor partijen hoger beroep open. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Voorzover in deze uitspraak is beslist op het verzoek om schadevergoeding staat daartegen krachtens artikel 84 aanhef en onder d Vw2000 geen hoger beroep open. Aldus gedaan door mr. H. Ollermann en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2001, in tegenwoordigheid van mr. N. Hobby, griffier. afschrift verzonden op: 11 juni 2001