Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD6126

Datum uitspraak2001-07-02
Datum gepubliceerd2001-11-26
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats's-Hertogenbosch
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/24359, 01/26831
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / belangenafweging. De vreemdeling, van Oekraïnse nationaliteit, heeft bij het AC Zevenaar een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op diezelfde datum is een aanwijzing gegeven ingevolge artikel 55 Vw 2000. Niet ter discussie staat dat artikel 55 Vw 2000 geen wettelijke basis voor vrijheidsontneming vormt, maar wel voor een vrijheidsbeperkende maatregel, in die zin dat aanwijzingen kunnen worden gegeven dat een vreemdeling zich beschikbaar moet houden in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning. Vraag is of de concrete situatie voor de vreemdeling op het AC Zevenaar vrijheidsontneming inhield. Van belang is dat het AC-onderzoek - waaraan de vrijheidsbeperking is gekoppeld - plaatsvindt ten behoeve van (de asielaanvraag van) de vreemdeling. De rechtbank overweegt dat de vreemdeling enkel verplicht wordt in een bepaalde ruimte te verblijven indien dit in verband met onderzoeksdoeleinden noodzakelijk is (vergelijk hoofdstuk A5/3.1.1 Vc 2000). In de Vc staat tevens vermeld dat gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek, hij zich buiten de aangewezen plaats kan begeven. Verder maakt naar het oordeel van de rechtbank het feit dat vreemdelingen die tijdens een AC-procedure hun aanvraag om verlening van een vtv intrekken aansluitend in vreemdelingenbewaring kunnen worden gesteld, de vrijheidsbeperking in een AC niet onrechtmatig. De vreemdelingenbewaring berust immers op een wettelijke grondslag die met voldoende waarborgen is omkleed. Overigens is niet in geschil dat slechts een kleine minderheid van de vreemdelingen die in een AC hun aanvraag om verlening van een vtv intrekt, in bewaring wordt gesteld. De grond voor de inbewaringstelling is in casu gelegen in artikel 59, tweede lid, Vw 2000, dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen toepassen. Gesteld kan worden dat de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte tijd na de inbewaringstelling voor handen zouden zijn, zodat verweerder mocht aannemen dat het belang van de openbare orde geacht werd de bewaring van de vreemdeling te vorderen. Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 15 juni 2001 volgt dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt. Beroep ongegrond.


Uitspraak

UITSPRAAK ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 'S-GRAVENHAGE ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken UITSPRAAK Zaaknummer: AWB 01/24359 VRONTO A3 AWB 01/26813 VRONTO A3 Datum uitspraak: 2 juli 2001 Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 juncto artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000) in het geschil tussen: A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1967 en van Oekraïense nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, de vreemdeling, en de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. PROCESVERLOOP Op 7 juni 2001 is de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw2000 in bewaring gesteld. Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, van de Vw2000 van 11 juni 2001, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling sedert drie dagen in bewaring verblijft zonder beroep te hebben ingesteld tegen de inbewaringstelling. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 01/24359 VRONTO A3. Het beroep is behandeld ter zitting van 18 juni 2001, waarbij de vreemdeling in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. C.M.E. Bakker. Als tolk in de Russische taal was aanwezig drs. N.I. de Jong. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Bij beroepschrift van 20 juni 2001, ontvangen ter griffie van de rechtbank op 22 juni 2001, is namens de vreemdeling beroep ingesteld tegen de beschikking van 3 juni 2001, waarbij de vreemdeling een aanwijzing is gegeven ingevolge artikel 55 van de Vw2000. Tevens is om toekenning van schadevergoeding verzocht. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer AWB 01/26813 VRONTO A3. Ter zitting van 25 juni 2001 heeft de voortgezettte behandeling plaatsgevonden van het beroep geregistreerd onder nummer AWB 01/24359 VRONTO A3. Dit beroep is gevoegd behandeld met het beroep geregistreerd onder nummer AWB 01/26813 VRONTO A3. Ter zitting is de vreemdeling vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij mr. P. van Zijl. II. OVERWEGINGEN De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is. Tevens beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de krachtens artikel 55 van de Vw2000 gegeven aanwijzing. Namens de vreemdeling is - kort weergegeven - aangevoerd dat de vreemdeling voorafgaande aan de inbewaringstelling in het Aanmeldcentrum (AC) te Zevenaar heeft verbleven. Gedurende deze periode is de vreemdeling ten onrechte van zijn vrijheid beroofd geweest, waardoor ook de daarop volgende maatregel van vreemdelingen- bewaring als onrechtmatig moet worden beschouwd. Gesteld is dat sprake is van vrijheidsontneming waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Voorts is namens de vreemdeling aangegeven dat de grond voor de inbewaringstelling is gelegen in artikel 59, tweede lid, van de Vw2000. Een inbewaringstelling die op deze grond is gebaseerd, mag evenwel niet standaardmatig plaatsvinden. Er dient een belangenafweging plaats te vinden, waarbij ook de omstandigheid dat de vreemdeling vanwege zijn transseksualiteit problemen ondervindt in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, mee dient te wegen. Verder is aangevoerd dat op 27 juni 2001 de president van deze rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, uitspraak zal doen op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening alsmede inzake het beroep gericht tegen de beschikking van 7 juni 2001, waarbij de aanvraag om toelating als vluchteling niet is ingewilligd. Gesteld is dat indien voornoemd beroep gegrond wordt verklaard dan wel het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, vast staat dat de aanvraag van de vreemdeling ten onrechte in een AC-procedure is afgedaan. De vreemdeling had dan ook niet verplicht mogen worden gedurende een langere periode in het AC - onder oplegging van een aanwijzing - te verblijven. Daarmee komt in de visie van de gemachtigde van de vreemdeling vast te staan dat ten onrechte artikel 59, tweede lid, van de Vw2000 is toegepast. De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt daarmee alsnog onrechtmatig. De gemachtigde van de vreemdeling heeft om toekenning van schadevergoeding verzocht voor de periode dat de vreemdeling in bewaring heeft verbleven. Voorts is namens de vreemdeling beroep ingesteld tegen de bij beschikking van 3 juni 2001 gegeven aanwijzing - inhoudende dat de vreemdeling zich binnen het AC te Zevenaar beschikbaar dient te houden in verband met de behandeling van de asielaanvraag - omdat deze aanwijzing in feite neer zou komen op vrijheidsontneming waarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Er wordt om toekenning van schadevergoeding verzocht van f. 75,-- voor iedere dag, doorgebracht het AC te Zevenaar. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting onder meer betoogd dat het enkele feit dat de vreemdeling in een AC heeft verbleven, de rechtmatigheid van de inbewaringstelling niet aantast. In dit kader is gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te Amsterdam, de dato 20 april 2001, AWB 01/13939. Gesteld wordt dat de vreemdeling zich vrijelijk op het terrein van het AC heeft kunnen begeven. Voorts heeft de vreemdeling voortdurend de mogelijkheid gehad door intrekking van zijn aanvraag om toelating als vluchteling het AC te verlaten. Verder heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden, alvorens tot inbewaringstelling op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw2000 over is gegaan. De gemachtigde van verweerder heeft gesteld dat zowel het beroep gericht tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring als het beroep in verband met de op 3 juni 2001 gegeven aanwijzing - inhoudende dat de vreemdeling zich binnen het AC te Zevenaar beschikbaar dient te houden in verband met de behandeling van de asielaanvraag - ongegrond verklaard dienen te worden en dat de vreemdeling geen recht op schadevergoeding toekomt. Ten aanzien van het beroep, gericht tegen de voortduring van de vreemdelingenbewaring, overweegt de rechtbank het volgende. De vreemdeling heeft op 3 juni 2001 bij het AC te Zevenaar een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op diezelfde datum is een aanwijzing gegeven ingevolge artikel 55 van de Vw2000, inhoudende dat de vreemdeling zich in het AC te Zevenaar beschikbaar dient te houden in verband met de behandeling van de aanvraag. Artikel 55, eerste lid, van de Vw2000 bepaalt dat de vreemdeling die rechtmatig verblijf geniet op grond van artikel 8, onder f, van de Vw2000 zich in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning beschikbaar dient te houden op een door Onze Minister aangewezen plaats, overeenkomstig hem daartoe door de bevoegde autoriteiten gegeven aanwijzingen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit artikel niet een wettelijke basis voor vrijheidsontneming. Niet staat ter discussie dat dit artikel wel een wettelijke grondslag biedt voor een vrijheidsbeperkende maatregel, in die zin dat aanwijzingen kunnen worden gegeven dat een vreemdeling zich beschikbaar moet houden in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de concrete situatie voor de vreemdeling op het AC te Zevenaar vrijheidsontneming inhield. In dit kader wordt het volgende overwogen. Bij de beoordeling van de invulling van de vrijheidsbeperkende maatregel acht de rechtbank van belang dat het AC-onderzoek - waaraan de vrijheidsbeperking is gekoppeld - plaatsvindt ten behoeve van (de asielaanvraag van) de vreemdeling. Hierin zit een wezenlijk verschil met vrijheidsontnemingen als hechtenis ter vervanging van geldboete en wettelijke gijzeling. Immers, in dergelijke situaties wordt een persoon van zijn vrijheid beroofd omdat hij weigert te voldoen aan een eis van de overheid, terwijl een AC-onderzoek plaatsvindt ten behoeve van de (asielaanvraag van de) vreemdeling. Verder overweegt de rechtbank dat de vreemdeling enkel verplicht wordt in een bepaalde ruimte te verblijven indien dit in verband met onderzoeksdoeleinden noodzakelijk is. Dit uitgangspunt is terug te vinden in hoofdstuk A5/3.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Daarin staat tevens vermeld dat gedurende de tijd dat de vreemdeling zich niet beschikbaar hoeft te houden voor het onderzoek, hij zich buiten de aangewezen plaats kan begeven. Niet is gebleken dat verweerder in strijd met dit uitgangspunt heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard van de AC-procedure met zich dat een vreemdeling zich veelal - gedurende de 48 uren die de AC-procedure vergt - beschikbaar zal moeten houden voor onderzoeksdoeleinden. Dat de vreemdeling die periode in het AC heeft moeten doorbrengen, impliceert derhalve niet zonder meer dat sprake is van vrijheidsontneming. In dit kader wijst de rechtbank op de door verweerder overgelegde uitspraak van deze rechtbank, de dato 20 april 2001, geregistreerd onder nummer AWB 01/13939, waarbij werd geoordeeld dat het niet onaannemelijk was dat de vreemdeling op het AC diende te verblijven omdat zijn aanwezigheid aldaar noodzakelijk was in verband met het onderzoek in het kader van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning. In de thans ter beoordeling voorliggende zaak is evenmin onaannemelijk dat verblijf van de vreemdeling in het AC te Zevenaar noodzakelijk was in verband met een dergelijk onderzoek. Verder maakt naar het oordeel van de rechtbank het feit dat vreemdelingen die tijdens een AC-procedure hun aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf intrekken aansluitend in vreemdelingenbewaring kunnen worden gesteld, de vrijheidsbeperking in een AC niet onrechtmatig. De vreemdelingenbewaring berust immers op een wettelijke grondslag die met voldoende waarborgen is omkleed. Overigens is niet in geschil dat slechts een kleine minderheid van de vreemdelingen die in een AC hun aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf intrekt, in bewaring wordt gesteld. Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van vrijheidsontneming heeft de gemachtigde van de vreemdeling gewezen op het zogeheten Schiphol-Oost-arrest van de Hoge Raad de dato 9 december 1988, NJ 1989, 14. In dit arrest was sprake van een vreemdeling die verbleef in het AC te Schiphol. Het stond vreemdelingen in dit AC vrij om het centrum te verlaten indien en zodra er gelegenheid bestond om uit Nederland te vertrekken. In bedoelde zaak was evenwel geen sprake van een reële gelegenheid tot vertrek naar een ander land, zodat verblijf op het AC te Schiphol werd aangemerkt als vrijheidsontneming. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit evengenoemd arrest niet dat in de thans ter beoordeling voorliggende zaak de vreemdeling onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest. Anders dan in die zaak, heeft de vreemdeling niet verbleven op het AC te Schiphol maar op een zogeheten land-AC dat de vreemdeling door het intrekken van zijn aanvraag had mogen verlaten, ook als hij daarbij niet uit Nederland vertrok. Het enkele feit dat de vreemdeling bij besluit van 7 juni 2001 is aangezegd Nederland te verlaten, doet hieraan niet af. Voorts heeft de gemachtigde van de vreemdeling een beroep gedaan op het zogeheten Belgische landlopers arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), de dato 18 juni 1971, Publ. ECHR, Series A, vol. 12 (1971), waarin is geoordeeld dat aan landlopers hun vrijheid was ontnomen ondanks het feit dat zij zichzelf voor opvang hadden aangemeld. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit evengenoemd arrest niet dat in de thans ter beoordeling voorliggende zaak de vreemdeling onrechtmatig van zijn vrijheid beroofd is geweest. Anders dan in die zaak, was het voor de vreemdeling mogelijk een einde te maken aan de periode die door hem als vrijheidsberoving werd ervaren. Het stond de vreemdeling immers vrij om na intrekking van zijn aanvraag om toelating als vluchteling, het AC te Zevenaar te verlaten. Verder is namens de vreemdeling gewezen op het arrest Engel van het EHRM, de dato 8 juni 1976, Publ. ECHR, Series A, vol. 22 (1976), inzake disciplinaire bestraffing van militairen. De vergelijking met het vrijheidsbenemende karakter van het zogeheten streng arrest en de plaatsing in een tuchtklasse als bedoeld in de Wet op de Krijgstucht van 1903 enerzijds en het verblijf van een vreemdeling in een AC anderzijds, snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout. Het streng arrest behelst verblijf in een cel gedurende de gehele dag, terwijl bij plaatsing in een tuchtklasse de nacht in een cel wordt doorgebracht. Van cellulaire opsluiting is in het AC te Zevenaar echter geen sprake. Tenslotte is namens de vreemdeling gewezen op de uitspraak van deze rechtbank, zittinghoudende te 's-Gravenhage, de dato 6 augustus 1998, geregistreerd onder nummer AWB 98/5590, waarin is geoordeeld dat aan een vreemdeling in een wachtruimte van het AC te Rijsbergen zijn vrijheid was ontnomen. In die zaak was echter niet gebleken dat de vreemdeling wist dat hij de ruimte kon verlaten. In de thans ter beoordeling liggende zaak, heeft de vreemdeling aangegeven te hebben geweten dat er een mogelijkheid bestond het AC te Zevenaar te verlaten, zodat een vergelijking met de aangehaalde uitspraak niet opgaat. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de vreemdeling gedurende zijn verblijf in het AC te Zevenaar zijn vrijheid is ontnomen, dan wel dat sprake zou zijn van onrechtmatige vrijheidsbeperking. Hierin ligt dan ook geen grond de op het verblijf in het AC volgende vreemdelingenbewaring onrechtmatig te achten. De rechtbank is voorts van oordeel dat de inbewaringstelling op een juiste grondslag berust. De grond voor de inbewaringstelling is in casu gelegen in artikel 59, tweede lid, van de Vw2000, dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen toepassen. Daartoe wordt overwogen dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, noch heeft gehad, en bij de inbewaringstelling in het bezit was van een geldig paspoort. Verweerder heeft op 7 juni 2001 een vlucht geboekt naar de Oekraïne. Op 18 juni 2001 zou de vreemdeling vertrekken naar zijn land van herkomst. Onder deze omstandigheden kan worden gesteld dat de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte tijd na de inbewaringstelling voor handen zouden zijn, zodat verweerder - gelet op het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Vw2000 - mocht aannemen dat het belang van de openbare orde geacht werd de bewaring van de vreemdeling te vorderen. De stelling van de gemachtigde van de vreemdeling dat niet is gebleken dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden bij toepassing van artikel 59, tweede lid, van de Vw2000, kan de rechtbank niet volgen. Daartoe wordt overwogen dat uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal de dato 15 juni 2001 volgt dat verweerder een dergelijke belangenafweging wel heeft gemaakt. Voor zover namens de vreemdeling is betoogd dat daarbij ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat hij als gevolg van zijn transseksualiteit problemen ondervindt in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, overweegt de rechtbank dat de vreemdeling zich voor die problemen kan wenden tot de bevoegde autoriteiten binnen de penitentiaire inrichting waar hij verblijft. Ter zitting is ook gebleken dat de vreemdeling een cel apart van de overige inbewaringgestelden heeft gekregen. In dit kader merkt de rechtbank voorts op dat de bewaring geacht wordt van korte duur te zijn, nu toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet gesteld kan worden dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling heeft gewerkt. Immers, op 7 juni 2001 is een vlucht geboekt teneinde de vreemdeling naar de Oekraïne te kunnen uitzetten. Op 18 juni 2001 zou de uitzetting geëffectueerd worden. Echter, vanwege het feit dat de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend alsmede beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 7 juni 2001, is de uitzetting - in afwachting van de uitspraak in voorlopige voorziening - opgeschort. Op 22 juni 2001 zijn bij de rechtbank, zittinghoudende te Zwolle, het verzoek en het beroep ter zitting behandeld. Indien in evengenoemde procedures wordt geoordeeld dat beslissing op de aanvraag van de vreemdeling niet enkel op grond van een AC-procedure had mogen worden afgedaan, doet dat, anders dan namens de vreemdeling is aangevoerd, niet af aan de rechtmatigheid van de periode die de vreemdeling in het AC heeft doorgebracht. Dat oordeel treft immers de vraag of er alvorens te beslissen op de aanvraag, nader onderzoek verricht had moeten worden en niet de vraag of het AC-onderzoek onrechtmatig was. De rechtbank ziet dan ook niet in dat de inbewaringstelling van de vreemdeling onrechtmatig moet worden geacht bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening en gegrondverklaring van het beroep gericht tegen de beschikking van 7 juni 2001. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Het namens de vreemdeling ingediende verzoek om schadevergoeding in verband met de vreemdelingenbewaring zal worden afgewezen, nu ingevolge artikel 106 van de Vw2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, hetgeen in casu niet het geval is. Ten aanzien van het beroep, gericht tegen op 3 juni 2001 gegeven aanwijzing - inhoudende dat de vreemdeling zich binnen het AC te Zevenaar beschikbaar dient te houden in verband met de behandeling van de asielaanvraag - overweegt de rechtbank het volgende. Zoals hiervoor reeds ten aanzien van de rechtmatigheid van de bewaring is overwogen, kan niet worden gesteld dat de aan de vreemdeling gegeven aanwijzing zich beschikbaar te houden in verband met de behandeling van zijn asielaanvraag, moet worden aangemerkt als vrijheidsontneming dan wel onrechtmatige vrijheidsbeperking. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de gegeven aanwijzing niet in strijd is met de Vw2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Gelet op het voorgaande moet de krachtens artikel 55 van de Vw2000 gegeven aanwijzing rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de vreemdeling een schadevergoeding toe te kennen voor de periode doorgebracht in het AC te Zevenaar. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken. Mitsdien wordt als volgt beslist. III. BESLISSING De rechtbank, verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond; verklaart het beroep gericht tegen de op 3 juni 2001 gegeven aanwijzing ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gedaan door mr. S.J.O. de Vries als rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Vermunt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2001. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Het hoger beroep moet schriftelijk worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Ingevolge artikel 85, derde lid, van de Vw2000 dienen de grieven gelijktijdig met voornoemde verklaring te worden ingediend. Afschrift verzonden: 3 juli 2001