Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD6918

Datum uitspraak2001-08-14
Datum gepubliceerd2002-01-04
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsZwolle
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 01/20835 OVERIN GV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Opvang / beëindigen RVA-verstrekkingen. Verzoekers, met Somalische nationaliteit, hebben bezwaar gemaakt tegen de beschikking om de Rva-verstrekkingen te beëindigen. Tevens hebben zij verzocht om een voorlopige voorziening inhoudende dat verweerder gehouden is de Rva-verstrekkingen te hervatten zolang niet in hoogste instantie ten gronde is beslist over het voortzetten of beëindigen van de verstrekkingen. Ten aanzien van de bevoegdheid van de president acht de president zich bevoegd van het verzoek kennis te nemen. De president kan verzoekers niet volgen in hun verweer dat de Rva 1997 onverbindend moet worden geacht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht ervan is uitgegaan dat verzoekers onvoldoende meewerken aan hun vertrek uit Nederland. De president is van oordeel dat het besluit van 3 mei 2001 op onzorgvuldige wijze totstandgekomen. Verweerder heeft in het besluit geen inhoudelijke overweging gewijd aan de verklaringen van verzoekers dat zij bereid zijn om mee te werken aan hun terugkeer. Slechts volstaan is met het weergeven van de (door de IND verstrekte) gegevens. Op grond van deze gegevens is, na marginale toetsing, besloten om de Rva-verstrekkingen te beëindigen. Verder overweegt de president dat verweerder geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen over de vraag tot welk moment een rechtmatig verwijderbare vreemdeling kan terugkomen op zijn (aanvankelijke) weigering, medewerking te verlenen, zonder dat de verstrekkingen worden beëindigd (dan wel waarna de verstrekkingen worden hervat). Op grond van al het vorenstaande, bezien in onderlinge samenhang, is het voorshands twijfelachtig of het bestreden besluit van 3 mei 2001 de rechtmatigheidtoets kan doorstaan. Gelet hierop dient het belang van verzoekers bij continuering van de opvang hangende de behandeling van het bij de rechtbank aanhangige beroepschrift te prevaleren boven het belang van verweerder bij het onthouden van opvang. Toewijzing verzoek.


Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE Zittingsplaats Zwolle Vreemdelingenkamer President regnr.: Awb 01/20835 OVERIN GV UITSPRAAK inzake: A, geboren op [...] 1965, B, geboren op [...] 1967, mede ten behoeve van hun vier minderjarige kinderen, verblijvende te C, van Somalische nationaliteit, IND dossiernummer 9410.03.0212, verzoekers, gemachtigde: mr. V.W.J.M. Kuit, advocaat te Amsterdam; tegen: het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA), gevestigd te Rijswijk, verweerder, gemachtigde: mr. J.P. van der Valk, advocaat te 's-Gravenhage. 1 PROCESVERLOOP 1.1 Bij beschikking van 3 mei 2001 heeft verweerder de verstrekkingen aan verzoekers in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: Rva 1997) met onmiddellijke ingang beëindigd. 1.2 Namens verzoekers is tegen deze beschikking bij schrijven van 14 mei 2001 bezwaar gemaakt. Verzoekers is medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mogen afwachten. 1.3 Bij verzoekschrift van eveneens 14 mei 2001 hebben verzoekers de president verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat verweerder gehouden is de Rva-verstrekkingen te hervatten zolang niet in hoogste instantie ten gronde is beslist over de voortzetting of beëindiging van de verstrekkingen. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en heeft op 12 juli 2001 een verweerschrift ingediend. Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 juli 2001. Verzoekers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van de heer mr. G. Turksema, medewerker Afdeling Juridische Zaken van het COA. 2 OVERWEGINGEN 2.1 Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. I. Ten aanzien van de vraag naar de bevoegdheid van de (president van de) rechtbank te 's-Gravenhage (vreemdelingenkamer) 2.2 De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting betoogd dat de president van de rechtbank te 's-Gravenhage (de vreemdelingenkamer) niet bevoegd is zich uit te spreken over het thans voorliggende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de gemachtigde naar voren gebracht dat uit de memorie van toelichting op artikel 3a van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: Wet COA) (TK 1999-2000, 26 975, nr. 3, pag. 13) blijkt dat de wetgever heeft bedoeld dat artikel 3a Wet COA uitsluitend beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk maakt indien het besluit of de handeling (van het COA) het gevolg is van een beslissing op een (asiel)aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), anders gezegd, verband houdt met de van rechtswege intredende gevolgen van een (niet) inwilligende beschikking. Voorts heeft de gemachtigde er op gewezen dat in diezelfde toelichting op pag. 11 is aangegeven dat er niet snel sprake zal zijn van zo'n afzonderlijk besluit, omdat de artikelen 42 en 43 Vw 2000 immers van rechtswege de beëindiging van de verstrekkingen in het leven roepen. In de onderhavige zaak is sprake van een asielaanvraag die nog onder de "oude" Vreemdelingenwet is ingediend (op 3 oktober 1994) en afgewezen, welke afwijzende beslissing onherroepelijk is geworden (bij rechterlijke uitspraak van 24 juli 1998). Er is dus geen sprake van een asielaanvraag op grond van de Vw 2000 of van een meeromvattende beschikking als bedoeld in de toelichting op artikel 3a Wet COA, en dus ook niet van een afzonderlijk besluit dat daarmee in verband staat, aldus de gemachtigde. Conclusie van de gemachtigde is dat artikel 3a Wet COA niet op de onderhavige zaak van toepassing is, en dus ook niet artikel 71 Vw 2000, waar de competentie van de rechtbank te 's-Gravenhage is geregeld. 2.3 De gemachtigde van verzoekers heeft ter zitting aangegeven zich te refereren aan het door de president te geven oordeel. 2.4 De president zal allereerst ingaan op het betoog van de gemachtigde van verweerder. Toetsingskader 2.5 Artikel 3a Wet COA - ingevoerd bij de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000, Stb. 496), in werking getreden op 1 april 2001, tegelijk met de Vreemdelingenwet 2000 (Wet van 23 november 2000, Stb. 495) - luidt als volgt: 1. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zijn de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vreemdelingenwet 2000 van toepassing op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet. 2. In afwijking van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 worden handelingen van het orgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig die worden verricht in het kader van de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet, voor de toepassing van deze wet met een beschikking gelijkgesteld. De afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 zijn op die beschikking van toepassing. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 82 van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing. Artikel 1 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vw 2000 luidt als volgt: 1. Ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen een besluit dat krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asiel-zoekers, dat is genomen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, dan wel een handeling krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asiel- zoekers, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. 2. Indien tegen een besluit krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet een bezwaar- of beroepschrift is ingediend, blijft op de behandeling daarvan het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Oordeel van de president 2.6 In de Wet COA zoals die thans vigeert, is in het eerste lid van artikel 3a bepaald dat, in afwijking van artikel 72, derde lid, Vw 2000, de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing zijn op besluiten in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA. Het onderhavige besluit tot beëindiging van de aan verzoeker verleende verstrekkingen in het kader van de Rva 1997 dateert van 3 mei 2001, derhalve van ná het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Vw 2000, waarbij artikel 3a Wet COA is ingevoegd. Het in artikel 1 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vw 2000 neergelegde overgangsrecht is derhalve niet van toepassing op het besluit van 3 mei 2001. 2.7 De president stelt vast dat de tekst van artikel 3a Wet COA op zichzelf duidelijk is, en geen uitleg behoeft. Daarom komt naar het oordeel van de president geen betekenis toe aan het betoog van de gemachtigde van verweerder, als zou de regering in de memorie van toelichting tot uitdrukking hebben gebracht dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is indien - kort gezegd - het bestreden besluit het gevolg is van een beslissing op een (asiel)aanvraag die nog onder de "oude" Vreemdelingenwet is ingediend en onherroepelijk is afgewezen. Uit artikel 3a Wet COA volgt dat met ingang van de inwerkingtreding, 1 april 2001, van de Invoeringswet 2000 een besluit in het kader van het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA, wordt behandeld op de voet van de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000. Dit brengt mee dat ingevolge artikel 71 Vw 2000 de rechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over beroepen ingesteld tegen besluiten als vorenbedoeld. Derhalve acht de president zich bevoegd van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening kennis te nemen. 2.8 Uit het hiervoor onder 2.6 en 2.7 overwogene vloeit het volgende voort. Het bestreden besluit, dat ziet op de beëindiging van verstrekkingen krachtens de Wet COA, is genomen op 3 mei 2001, derhalve ná het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Vw 2000. Zoals hiervoor is vastgesteld, betekent dit dat in casu artikel 1 van hoofdstuk 11 van de Invoeringswet Vw 2000 toepassing mist. Ingevolge het van toepassing zijnde artikel 3a Wet COA zijn op een besluit, als het thans bestreden besluit, de afdelingen 1, 3 en 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 van toepassing. Dit brengt mee dat, ingevolge artikel 80 Vw 2000, artikel 7:1 Awb in casu niet van toepassing is. Ingevolge artikel 69 juncto artikel 71 Vw 2000 had tegen het besluit van 3 mei 2001 binnen vier weken rechtstreeks beroep moeten worden ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage. Verzoeker heeft bij brief van 14 mei 2001 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. De president zal dit geschrift verder aanmerken als beroepschrift tegen het besluit van 3 mei 2001. Omdat verweerder in het besluit van 3 mei 2001 geen juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 3:45, tweede lid, Awb - verweerder heeft verzoekers gewezen op de mogelijkheid om binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen, conform welke mededeling verzoekers hebben gehandeld- , behoort onder toepassing van artikel 6:11 Awb niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege te blijven. De president merkt voor de goede orde nog op dat ingevolge artikel 3a, derde lid, Wet COA artikel 82 Vw 2000 niet van toepassing is. In artikel 82, eerste lid, Vw 2000 is bepaald dat de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Dit betekent dat, met de indiening van het door de president als beroepschrift aangemerkte geschrift van 14 mei 2001, de werking van het besluit van 3 mei 2001 niet is opgeschort. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden aangemerkt als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. II. Ten aanzien van het al dan niet verbindend zijn van de Rva 1997 2.9 Verzoekers hebben zich, onder verwijzing naar een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank te Amsterdam van 13 maart 2001 (NAV 2001/143, m.nt. B.K. Olivier en F. Larsson), op het standpunt gesteld dat de Rva 1997 onverbindend is. Uit die uitspraak blijkt dat de Rva immers niet door de ingevolge de Wet COA bevoegde Minister (in casu de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (hierna: WVC)) maar door de Staatssecretaris van Justitie is vastgesteld. Ter zitting hebben verzoekers in dit verband ook gewezen op artikel 44 van de Grondwet en de betekenis van het eerste lid van dat artikel. Verweerder heeft dat standpunt van verzoekers gemotiveerd bestreden. De president overweegt daarover als volgt. 2.10 Op grond van artikel 3, eerste lid, Wet COA is het COA belast met de opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 12 Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid. De Minister van Justitie (Staatssecretaris van Justitie) heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de vaststelling, bij ministerieel besluit van 18 december 1997 (Stcrt. 246), van de Rva 1997. Nadien is de Rva 1997 meermalen gewijzigd, laatstelijk bij ministerieel besluit van 10 mei 2001 (Stcrt. 92, in werking getreden op 16 mei 2001). 2.11 De president kan verzoekers niet volgen in hun verweer dat de Rva 1997 onverbindend moet worden geacht. Noch de tekst noch de strekking van het genoemde artikel 44 van de Grondwet verzet zich er tegen, dat de Minister van Justitie of de Staatssecretaris van Justitie wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de opvang van asielzoekers in plaats van een andere Minister, in casu de Minister van destijds WVC. Dat de instelling van ministeries ingevolge dat artikel bij koninklijk besluit geschiedt, impliceert immers eo ipso dat eveneens bij koninklijk besluit kan worden bepaald welke overheidstaken bij welk ministerie worden ondergebracht. Tegen deze achtergrond verzet geen enkele rechtsnorm zich ertegen, dat de verantwoordelijkheid voor de opvang van asielzoekers en dus ook voor de uitvoering van de Wet COA krachtens koninklijk besluit aan de Staatssecretaris van Justitie wordt geattribueerd en sedertdien bij hem berust. Het verweer van verzoekers op dit punt treft derhalve geen doel. III. Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden 2.12 Verzoekers zijn afkomstig uit Somalië en hebben zich op 3 oktober 1994 in Nederland aangemeld als asielzoeker. Op 24 juli 1998 is hun aanvraag om toelating als vluchteling definitief afgewezen bij uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle. In verband hiermee hebben verzoekers de aanzegging gekregen om Nederland te verlaten. 2.13 Blijkens een op 22 mei 200 op ambtseed opgemaakt proces-verbaal zijn aan verzoekers op 9 mei 2000, in het kader van het oude stappenplan, de formulieren BRV 1 en BRV 2 uitgereikt. In formulier BRV 1 is vermeld dat verzoekers Nederland daadwerkelijk moeten verlaten; dat zij in de gelegenheid worden gesteld terug te keren naar hun land van herkomst; en dat zij, indien zij niet in het bezit zijn van een geldig reisdocument, zich moeten wenden tot de diplomatieke vertegenwoordiging van dat land. Voorts is in BRV 1 vermeld dat aan verzoekers formulier BRV 2 ter ondertekening wordt voorgelegd waarmee zij zich bereid verklaren zelf stappen te ondernemen ter verkrijging van een reisdocument waarmee zij kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. BRV 1 vermeldt verder - voorzover hier van belang - dat indien verzoekers niet meewerken aan het verkrijgen van een reisdocument (o.a. door uitdrukkelijk te verklaren niet te willen meewerken aan terugkeer en/of te weigeren een formulier BRV 2 te ondertekenen), de Rva-voorzieningen zullen worden gestopt. BRV 2 is een, door de betrokken vreemdeling te ondertekenen, formulier waarbij deze verklaart dat hij onmiddellijk actie zal ondernemen ter verkrijging van een reisdocument, waarmee hij naar zijn land van herkomst kan terugkeren; dat hij zelf binnen veertien dagen naar de diplomatieke vertegenwoordiging van zijn land zal gaan om een reisdocument aan te vragen; en dat hij de vreemdelingendienst over veertien dagen zal informeren over de stand van zaken van de aanvraag. Gebleken is dat de inhoud en strekking van BRV 1 en BRV 2 op 9 mei 2000 aan verzoekers zijn kenbaar gemaakt in de Somalische taal. Eveneens op 9 mei 200 is aan verzoekers de folder "Terugkeer programma" van de IOM (International Organisation for Migration) uitgereikt. Ook daarvan zijn aan hen inhoud en strekking kenbaar gemaakt. Verzoekers hebben op 9 mei 2000 - ten tijde van de uitreiking van de formulieren BRV 1 en BRV 2 - het volgende verklaard: "Het is mij en mijn vrouw bekend dat wij uitgeprocedeerd zijn. Wij kunnen echter niet terugkeren naar Somalië omdat het daar zo onveilig is dat het onze dood zal betekenen. Tevens zullen wij vandaag de BRV 2 niet ondertekenen omdat wij er in alle rust over willen nadenken en overleg willen voeren met onze advocaat. Wij zullen u binnen zeven dagen laten weten wat ons standpunt is". 2.14 Blijkens een schrijven van 9 juni 2000 van de korpschef van de regiopolitie IJsselland is, onder verwijzing naar een op dezelfde dag met verzoekers gevoerd gesprek en eerdere gesprekken met verzoekers, aan verzoekers aangezegd om binnen zeven dagen (vóór 17 juni 200) Nederland te verlaten. 2.15 Op 6 juli 2000 is een formulier BRV 3 opgesteld, waarop door de vreemdelingen-dienst Regiopolitie IJsselland - onder meer - is aangekruist dat verzoekers "weigeren een formulier BRV 2 (waarin zij verklaren actie te ondernemen ter verkrijging van de benodigde documenten) te ondertekenen". 2.16 Vervolgens heeft verweerder bij het bestreden besluit van 3 mei 2001 de aan verzoekers in het kader van de Rva verleende verstrekkingen per die datum beëindigd. IV. Inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening Toetsingskader 2.17 Zoals hierboven in rechtsoverweging 2.10 reeds is aangegeven, heeft de Staatssecretaris van Justitie, op basis van artikel 12 Wet COA, bij ministerieel besluit van 18 december 1997 de Rva 1997 vastgesteld, welke regeling nadien meermalen is gewijzigd. De Rva 1997 voorziet in de opvang van asielzoekers die niet beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De opvang omvat de in artikel 5, eerste lid, Rva 1997 genoemde verstrekkingen, waaronder zijn begrepen onderdak, een wekelijkse financiële toelage, een eenmalige bijdrage aan kleedgeld, recreatieve en educatieve activiteiten, de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling, een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid en betaling van buitengewone kosten. In artikel 8 Rva 1997 is (onder meer) geregeld in welke gevallen de verstrekkingen eindigen. Het eerste lid van voormeld artikel 8 Rva 1997 is gewijzigd bij - voorzover hier van belang - ministerieel besluit van 27 maart 2001 (Stcrt. 63, in werking getreden op 1 april 2001). Artikel III van deze Wijziging Rva 1997 van 27 maart 2001 luidt als volgt: "Indien er ten aanzien van de asielzoeker: a. vóór 10 februari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist; b. een last tot uitzetting is gegeven, en c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, eindigen de verstrekkingen na de inwerkingtreding van deze regeling, in afwijking van artikel 8, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten." 2.18 Niet in geschil is dat vóór 10 februari 2000 op de asielaanvraag van verzoekers (in bezwaar) negatief is beslist, ten aanzien van hen een last tot uitzetting is gegeven en dat zij ingevolge een door de korpschef gedane aanzegging tot vertrek Nederland hadden dienen te verlaten. 2.19 Tot 10 februari 2000 werd door verweerder bij de toepassing van artikel 8 Rva 1997 het beleid gevoerd, neergelegd in een herzien stappenplan, dat op 8 januari 1999 door de Staatssecretaris van Justitie aan het COA is toegezonden (het zogenoemde stappenplan III). Dit beleid strekt ertoe de verstrekkingen aan uitgeprocedeerde documentloze asielzoekers voort te zetten, indien en zolang zij meewerken aan hun vertrek uit Nederland. Niet in geschil is dat het stappenplan III op verzoekers van toepassing is. 2.20 Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht ervan is uitgegaan dat verzoekers onvoldoende meewerken aan hun vertrek uit Nederland. Standpunt van verweerder 2.21 Verweerder heeft de verstrekkingen in het kader van het Rva 1997 beëindigd, overwegende dat verzoekers, nadat is vastgesteld dat zij rechtmatig verwijderbaar zijn en dat hen is aangezegd Nederland te verlaten, geen medewerking wensen te verlenen aan hun terugkeer naar het land van herkomst. Stanpunt van verzoekers 2.22 Verzoekers menen dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat niet aan het meewerkcriterium wordt voldaan. Verzoekers zijn wel degelijk bereid het mogelijke te doen om terugkeer naar hun land van herkomst te regelen. Ter ondersteuning hiervan verwijzen verzoekers naar een brief van hun gemachtigde d.d. 15 juni 2000, een telefoongesprek van hun gemachtigde met de vreemdelingendienst op 19 juni 2000, een brief van hun gemachtigde aan de vreemdelingendienst d.d. 27 juni 2000 met daarbij het op die datum ondertekende formulier BRV 2. Ook in latere gesprekken met de COA op 3 maart 2001 en de vreemdelingendienst op 3 april 2001 heeft de gemachtigde van verzoekers aangegeven dat verzoekers wel willen meewerken aan hun terugkeer. Verzoekers benadrukken dat zij twijfel hadden het formulier BRV 2 te tekenen aangezien hun eerdere gemachtigde adviseerde het document niet te tekenen. Verzoekers hebben zich hierbij niet neergelegd en hebben vervolgens een second opinion gevraagd. Verzoekers hebben zich bovendien gewend tot de IOM in Zwolle en aldaar gesproken met de heer Henk Veldhuis. De heer Veldhuis heeft verzoekers medegedeeld dat er een vertegenwoordiger van de diplomatieke post in Genève zou komen op een bepaalde datum. Verzoekers hebben die dag ook contact opgenomen met de IOM, maar de man was niet gekomen. Nadien hebben verzoekers niets meer gehoord van de IOM. Verzoekers verwijzen voorts naar een uitspraak van de president van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2001 (AWB 01/911 VRWET), dat ook tardieve ondertekening van formulier BRV 2 dient te worden geaccepteerd. Daarnaast stellen verzoekers dat, gelet op de uitspraak van de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) van 5 juni 2001, moet worden aangenomen dat feitelijke terugkeer naar Somalië onmogelijk is, zodat reeds daarom de beëindiging van de verstrekkingen onrechtmatig is nu de regelgever uitgaat van een koppeling van opvang aan feitelijke terugkeermogelijkheden. Oordeel van de president 2.23 De president ziet aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe wordt het volgende overwogen. Naar het oordeel van de president is de bestreden beschikking d.d. 3 mei 2001 op onzorgvuldige wijze totstandgekomen. Hiertoe is het volgende redengevend. Uit de bestreden beschikking blijkt dat het COA, na marginale toetsing, de Rva-verstrekkingen heeft beëindigd omdat verzoekers niet hebben voldaan aan de verplichting om zelf alles te doen wat redelijkerwijs van hen verlangd kan worden teneinde mee te werken aan hun terugkeer naar Somalië. Het COA is tot deze conclusie gekomen op grond van de volgende gegevens; - gelet op de constatering van de IND dat verzoekers niet voldoende meewerken aan het verkrijgen van de benodigde reis- en identiteitspapieren voor terugkeer naar het land van herkomst; - gelet op de verklaring van verzoekers dat zij geen medewerking wensen te verlenen aan verwijdering uit Nederland naar hun land van herkomst, gedaan op 9 juni 2000 aan J.P.J. Abbingh, medewerker van de IND, Regionale Directie, Noord-Oost, waarvan deze een rapportage terugkeergesprek uitgeprocedeerde vreemdeling heeft opgemaakt; - gelet op het feit dat verzoekers niet voldoen aan de voor continuering van de opvang vereiste inspanningsverplichting om mee te werken aan hun terugkeer naar het land van herkomst, de vaststelling dat verzoekers weigeren medewerking te verlenen aan terugkeer van de Vreemdelingendienst/IND op juiste gronden is geconstateerd is, en door het COA overgenomen dient te worden. In weerwil van het vorenstaande hebben verzoekers aangegeven dat zij wel degelijk bereid zijn het mogelijke te doen om terugkeer naar hun land van herkomst te regelen. Verzoekers hebben ter ondersteuning hiervan verwezen naar een brief van hun gemachtigde d.d. 15 juni 2000, een telefoongesprek van hun gemachtigde met de vreemdelingendienst op 19 juni 2000, een brief van hun gemachtigde aan de vreemdelingendienst d.d. 27 juni 2000 met daarbij het op die datum ondertekende formulier BRV 2. Gelet op het vorenstaande stelt de president vast dat verweerder in het bestreden besluit d.d. 3 mei 2001 geen inhoudelijke overweging heeft gewijd aan bovengenoemde informatie met betrekking tot de verklaringen van verzoekers dat zij bereid zijn om mee te werken aan hun terugkeer. Verweerder heeft in het besluit volstaan met het weergeven van de (door de IND verstrekte) hierbovengenoemde gegevens en op grond van deze gegevens, na marginale toetsing, besloten om de Rva-verstrekkingen te beëindigen. Ingevolge artikel 3:2 Awb rust op verweerder de verplichting om bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen te vergaren. In dit verband merkt de president voorts op dat het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengt dat het bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaat van de feiten en omstandigheden zoals deze op het moment van het nemen van het besluit bekend zijn (geworden). Naar het oordeel van de president heeft verweerder zich bij het nemen van het bestreden besluit van dit uitgangspunt onvoldoende rekeningschap gegeven. De president neemt hierbij nog in aanmerking dat de gemachtigde van verzoekers heeft aangegeven dat hij diverse gesprekken met de COA op 30 maart 2001 heeft gevoerd. In deze gesprekken is de bereidheid van verzoekers om mee te werken aan hun terugkeer ter sprake gekomen. Uit het bestreden besluit valt evenwel niet af te leiden of verweerder de inhoud van deze gesprekken bekend waren en zo ja of verweerder die bij de besluitvorming heeft betrokken. 2.24 Verzoekers hebben een uitspraak aangehaald van 4 mei 2001 van de president van de rechtbank Amsterdam, waarin deze aangeeft dat het hem ambtshalve bekend is dat verweerder als beleid hanteert dat indien de vreemdeling hangende de bezwaarschriftprocedure terugkomt op zijn aanvankelijke weigering mee te werken aan terugkeer naar zijn land van herkomst, het stappenplan alsnog zal worden doorlopen en de verstrekkingen gedurende die periode zullen worden voortgezet. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat deze uitspraak niet als maatgevend kan worden beschouwd. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting evenwel geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag tot welk moment een rechtmatig verwijderbare vreemdeling kan terugkomen op zijn (aanvankelijke) weigering, medewerking te verlenen, zonder dat de verstrekkingen worden beëindigd (dan wel waarna de verstrekkingen worden hervat). 2.25 Op grond van al het vorenstaande, bezien in onderlinge samenhang, is het voorshands twijfelachtig of het bestreden besluit van 3 mei 2001 de rechtmatigheidstoets kan doorstaan. Gelet hierop dient het belang van verzoekers bij continuering van de opvang hangende de behandeling van het bij de rechtbank aanhangige beroepschrift te prevaleren boven het belang van verweerder bij het onthouden van opvang. Het verzoek komt dan ook in die zin voor inwilliging in aanmerking. 2.26 Ten overvloede zij nog opgemerkt dat, gelet op de hierboven aangegeven grond voor toewijzing van de voorlopige voorziening, niet wordt toegekomen aan een oordeel over hetgeen door verzoekers naar voren is gebracht aangaande de problematiek van feitelijke terugkeer naar Somalië. 2.27 Gelet op het vorenstaande, ziet de president aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ1.420,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt ƒ710,- en wegingsfactor 1). 3. BESLISSING De president van de rechtbank: - wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het besluit van verweerder van 3 mei 2001 toe; - schorst het besluit van verweerder van 3 mei 2001 totdat op het beroep is beslist; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ1.420,-, onder aanwijzing van het COA als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. van Uchelen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.L.J. Fernhout als griffier op ---------------- Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden: 14 augustus 2001