Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7018

Datum uitspraak2002-01-29
Datum gepubliceerd2002-01-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03857/00
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. 03857/00 Mr Wortel Zitting: 4 december 2001 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte] 1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van bedrieglijke bankbreuk", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden. 2. Namens verzoeker is tijdig en op een bij wet voorziene wijze cassatieberoep ingesteld. Door of namens verzoeker zijn evenwel geen middelen van cassatie voorgesteld. 3. Ambtshalve wijs ik op het volgende. 4. Verzoeker heeft op 19 september 1996 tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis hoger beroep ingesteld. In de daarvan opgemaakte akte is als adres van verzoeker vermeld: [a-straat 1], [...] [woonplaats]. Dat is niet het adres dat is vermeld in de inleidende dagvaarding. Evenmin komt dat adres overeen met het adres dat verzoeker blijkens het 'proces-verbaal van mededeling van een niet onherroepelijk vonnis of arrest' heeft opgegeven aan de hoofdagent van politie die verzoeker het vonnis in eerste aanleg heeft medegedeeld. 5. Blijkens een daarvan opgemaakte akte is op 25 juni 1997 gepoogd de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep aan verzoeker uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. Dat is niet gelukt omdat er niemand werd aangetroffen. Er is een bericht van aankomst achtergelaten, en de appèldagvaarding is teruggezonden naar de afzender omdat zij niet binnen de in dat bericht gestelde termijn is afgehaald. Op 28 juli 1997 is de appèldagvaarding uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank omdat van verzoeker geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Aangehecht zijn diverse opgaven die inhouden dat, voor zover viel na te gaan, verzoeker niet in het persoonsregister van de gemeente [woonplaats] was opgenomen of opgenomen was geweest, en dat verzoeker op 21 december 1993 vanuit Hunsel is afgevoerd 'wegens vertrek onbekend waarheen'. Op de akte van uitreiking is niet aangetekend dat de griffier de appèldagvaarding per gewone post heeft verzonden naar het adres te [woonplaats]. Het moet er dus voor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. 6. Ter terechtzitting in hoger beroep van 30 september 1997 is tegen de aldaar niet verschenen verzoeker verstek verleend. 7. Vooropgesteld dient te worden dat de in de art. 588 tot en met 590 Sv neergelegde regeling met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, waaronder dagvaardingen en oproepingen, ertoe strekt te verzekeren dat degene voor wie zulke mededelingen zijn bestemd daarvan zoveel mogelijk op de hoogte kunnen komen. Het belang daarvan is uiteraard in het bijzonder groot ten aanzien van de verdachte, voor wie de uitoefening van het aanwezigheidsrecht en overige verdedigingsrechten afhankelijk is van kennisneming van de voor hem bestemde oproepingen. 8. In art. 588, derde lid, aanhef en onder c Sv is het geval voorzien dat, na vergeefse aanbieding van een gerechtelijk stuk op het van de geadresseerde bekende adres en terugzending van dat schrijven naar de autoriteit van wie het is uitgegaan, vastgesteld kan worden dat de geadresseerde op de dag van de vergeefse aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene was ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens. In dat geval dient het gerechtelijk schrijven door de griffier onverwijld als gewone brief naar dat adres verzonden te worden. 9. Er is niet uitdrukkelijk geregeld wat er dient te geschieden indien een gerechtelijk schrijven noch aan de geadresseerde in persoon, noch (bij aanbieding op een adres waarop de geadresseerde is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens) aan een huisgenoot, noch (op het postkantoor of het politiebureau alwaar het vergeefs aangeboden gerechtelijk schrijven ter beschikking van de geadresseerde werd gehouden) aan diens schriftelijk gemachtigde, uitgereikt kon worden, en ook voorafgaand aan de uitreiking aan de griffier geen inschrijvingsadres van de geadresseerde bekend is geworden, maar de laatste in verband met de behandeling van de strafzaak wel een feitelijke woon- of verblijfplaats heeft opgegeven. 10. Met het oog op het hiervoor, onder 7, aangeduide belang is in HR 3 juli 2001, griffienr 01528/00, beslist dat in een dergelijk geval analoge toepassing gegeven moet worden aan art. 588, derde lid, aanhef en onder c, Sv. Na vergeefse aanbieding en uitreiking aan de griffier dient het gerechtelijk schrijven derhalve als gewone brief toegezonden te worden aan het adres dat als feitelijke woon- of verblijfplaats van de geadresseerde in Nederland bekend is. 11. Uit de van het instellen van hoger beroep opgemaakte akte had afgeleid dienen te worden dat verzoeker te kennen heeft gegeven dat hij in verband met de behandeling van dat hoger beroep bereikbaar was op het in die akte vermelde adres. 12. Nu niet blijkt dat de voor verzoeker bestemde dagvaarding in hoger beroep door de griffier aan wie die dagvaarding is uitgereikt als gewone brief is verzonden aan het in de appèlakte vermelde adres [a-straat 1] te [woonplaats], is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep te verschijnen op juiste wijze is betekend, zonder nadere motivering, welke ontbreekt, onbegrijpelijk. 13. Ik concludeer dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd, en dat de dagvaarding in hoger beroep nietig zal worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

29 januari 2002 Strafkamer nr. 03857/00 Ats/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 oktober 1997, nummer 20/002336-96, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 18 april 1994 - de verdachte ter zake van "medeplegen van bedrieglijke bankbreuk" veroor- deeld tot vier maanden gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep. 3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak 3.1. Bij de stukken van het geding bevindt zich een "akte rechtsmiddel" die als klaarblijkelijk toen door hemzelf opgegeven adres van de verdachte inhoudt: [a-straat 1], [...] [woonplaats]. 3.2. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 1997, houdt in dat is getracht die dagvaarding uit te reiken op 25 juni 1997 aan het adres [a-straat 1] te [woonplaats], doch dat op dat adres niemand werd aangetroffen. Aldaar is een bericht van aankomst achtergelaten waarin is vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kan worden afgehaald op het daarin genoemde postkantoor of politiebureau. Op 7 juli 1997 is de brief teruggezonden aan de afzender. Aan de akte van uitreiking zijn gehecht verscheidene opgaven die inhouden dat de verdachte niet was ingeschreven of ingeschreven geweest in het persoonsregister van de gemeente [woonplaats]. De akte vermeldt tenslotte dat de brief op 28 juli 1997 is uitgereikt aan de (waarnemend) Griffier van de Rechtbank "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is." 3.2.1. Vooropgesteld dient te worden dat de in de art. 588-590 Sv neergelegde regeling met betrekking tot de betekening van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, waaronder dagvaardingen en oproepingen, met de uitvoering van welke regeling het openbaar ministerie is belast, ertoe strekt te verzekeren dat degene voor wie een gerechtelijke mededeling is bestemd - in de regel de verdachte - daarvan zo enigszins mogelijk op de hoogte komt. Deze regeling strekt er dus mede toe te bevorderen dat het aanwezigheidsrecht als bedoeld in art. 6, derde lid onder c, EVRM kan worden uitgeoefend. 3.2.2. Ingevolge de laatste volzin van art. 588, derde lid onder c, Sv dient de Griffier van de Rechtbank aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt, deze onverwijld als gewone brief over de post te verzenden als blijkt dat de geadresseerde op de dag van de aanbieding op het in de mededeling vermelde adres en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens was ingeschreven op dat adres. 3.2.3. Niet uitdrukkelijk is geregeld wat dient te geschieden in een geval als het onderhavige, waarin geen GBA-adres doch wel een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en waarop geen uitreiking heeft kunnen plaatsvinden op de wijze als voorzien in art. 588, derde lid aanhef en onder a of b, Sv. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 3.2.1 is vooropgesteld, moet echter dit geval worden gelijkgesteld aan het onder 3.2.2 vermelde geval en dient daarom de daar genoemde bepaling analoog te worden toegepast. 3.2.4. Dat betekent dat de Griffier aan wie de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt, deze onverwijld als gewone brief over de post aan die feitelijke woon- of verblijfplaats dient te zenden. 3.3. De behandeling van de zaak tegen de verdachte heeft in hoger beroep bij verstek plaatsgevonden. 3.4. Nu niet blijkt dat de Griffier van de Rechtbank de gerechtelijke mededeling heeft toegezonden aan het adres [a-straat 1] te [woonplaats], is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 1997 geldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij de uitspraak van de Politierechter is vernietigd; Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 29 januari 2002.