
Jurisprudentie
AD7317
Datum uitspraak2002-01-25
Datum gepubliceerd2002-01-25
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/027HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-01-25
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/027HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Nr. C 00/027 HR
Mr. M.R. Mok
Zitting 2 november 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerster]
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Eiseres van cassatie ([eiseres]) is huurder van een winkelruimte te [vestigingsplaats], die zij heeft onderverhuurd aan Cédèf b.v.
Verweerster in cassatie, [verweerster], is rechtsopvolgster van de voormalig eigenaar en verhuurder van de winkelruimte, [betrokkene A], die tijdens de onderhavige procedure is overleden.
1.2. Cédèf heeft enkele brieven aan [betrokkene A] gericht, waarin zij deze heeft laten weten dat zij, als gevolg van een lekkend dak van het pand, waterschade heeft geleden. Vervolgens heeft zij bericht dat er ondanks een noodreparatie nog steeds problemen waren.
Ten slotte heeft Cédèf aan [betrokkene A] een expertiserapport gezonden, waaruit bleek dat zij rond ƒ 45.000 schade had geleden, welk bedrag zij van [betrokkene A] terugvorderde.
1.3.1. [Eiseres] heeft [betrokkene A] gedagvaard voor de kantonrechter te Enschede. Zij heeft gesteld dat Cédèf waterschade heeft geleden en dat Cédèf haar voor die schade aansprakelijk heeft gesteld. [Eiseres] heeft die aansprakelijkheid ook erkend waardoor zij op haar beurt schade heeft geleden.
[Eiseres] achtte [betrokkene A] gehouden die schade te vergoeden, omdat deze zijn verplichtingen op grond van de huurovereenkomst niet is nagekomen, althans omdat het optreden van de lekkages in zijn risicosfeer lag.
1.3.2. [Betrokkene A] heeft betwist dat [eiseres] schade heeft geleden, aangezien deze (nog) geen schade-uitkering aan Cédèf had gedaan.
1.3.3. De kantonrechter heeft dat verweer van [betrokkene A] gehonoreerd en de vordering van [eiseres] bij vonnis van 19 februari 1998 afgewezen.
1.4.1. [Eiseres] is in appel gekomen bij de rechtbank te Almelo. Zij heeft aangevoerd dat zij de schadevergoeding inmiddels aan Cédèf had betaald(1).
Vervolgens is [betrokkene A] overleden. [verweerster] heeft [eiseres] aangezegd dat het geding was geschorst. [Eiseres] heeft [verweerster] als rechtsopvolgster van [betrokkene A] gedagvaard tot voortzetting, waarop [verweerster] een memorie van antwoord heeft genomen.
1.4.2. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 17 februari 1999 een inlichtingencomparitie gelast "in en bij" het winkelpand.
Die comparitie heeft plaatsgevonden op 20 april 1999. Tevens is op diezelfde datum en op 27 mei 1999 een schikkingscomparitie gehouden. Partijen hebben evenwel geen overeenstemming bereikt.
1.4.3. Bij eindvonnis van 22 september 1999 heeft de rechtbank, met verbetering van gronden, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.
1.5. [Eiseres] heeft tegen dit vonnis (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.
[Verweerster] heeft zich bij conclusie van antwoord gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, met aantekening
"dat de beslissing van de Rechtbank berust op een gedachtegang die van de kant van verweerster in cassatie in de feitelijke instanties niet is voorgedragen of verdedigd; zodat verweerster in cassatie, ongeacht de over het cassatieberoep te geven beslissing, buiten de kosten van het geding in cassatie behoort te blijven."
2. BESPREKING VAN HET CASSATIEMIDDEL
2.1. Het cassatiemiddel richt zich enkel tegen het oordeel van de rechtbank dat de stelling van [eiseres] dat [betrokkene A] heeft verzuimd een beheerder aan te stellen toen deze wegens vakantie afwezig was, niet tot toewijzing van de vordering kan leiden.
In het bijzonder bestrijdt het cassatiemiddel de overweging van de rechtbank:
"Alsdan kan de schade immers alleen zijn ontstaan door een gebrekkige (nood)reparatie. Daarvoor kan [verweerster] of haar rechtsvoorganger bezwaarlijk aansprakelijk gehouden worden."
2.2.1. De rechtbank heeft (ro. 4 van haar eindvonnis) vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen:
"Verhuurder is niet aansprakelijk voor de gevolgen van zichtbare of onzichtbare gebreken aan het gehuurde, behalve voor zover de gebreken het gevolg zijn van nalatigheid van de verhuurder ter zake van het voor zijn rekening komend onderhoud."
Vervolgens heeft de rechtbank (in ro. 6) vastgesteld:
"Naar de rechtbank zelf heeft kunnen constateren is er geen sprake (geweest) van achterstallig onderhoud voor wat betreft de dakbedekking."
2.2.2. De twee in de vorige paragraaf genoemde vaststellingen kunnen (uitgaande van de, niet betwiste, rechtsgeldigheid van het geciteerde beding), tezamen beschouwd, slechts tot de conclusie leiden dat zich geen gebeurtenis heeft voorgedaan waarvoor de verhuurder aansprakelijk is.
[Eiseres] heeft deze vaststellingen in cassatie niet bestreden.
2.3.1. Daar komt nog het volgende bij.
De rechtbank heeft in ro. 5 van haar eindvonnis overwogen dat [eiseres] had gesteld dat [betrokkene A] wanprestatie had gepleegd doordat hij niet heeft gezorgd voor een beheerder tijdens zijn vakantie. Dientengevolge konden bij eerder opgetreden kleine lekkages geen passende maatregelen worden getroffenen is de schade ontstaan.
Er zijn echter, zoals de rechtbank in ro. 6 van haar eindvonnis heeft vastgesteld, wel maatregelen getroffen. Er zijn immers (nood)reparaties uitgevoerd. Onder die omstandigheden valt niet in te zien, aldus de rechtbank, dat de afwezigheid van een beheerder de schade heeft veroorzaakt. Met andere woorden: [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schade niet zou zijn ingetreden als er wel een beheerder was aangesteld.
2.3.2. Ook tegen dat oordeel heeft [eiseres] geen klacht gericht(2).
2.4. Zowel het onder 2.2. als het onder 2.3. gestelde brengt mee dat de klachten van het middel, ook indien zij gegrond zouden zijn, toch niet tot cassatie zouden kunnen leiden.
Het middel stuit derhalve af op gebrek aan belang, zodat het geen verder onderzoek behoeft.
3. CONCLUSIE
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiseres in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. M.v.gr. onder 3.
2. Haar proceshouding in feitelijke aanleg maakte dat ook onmogelijk. Zo kon zij in cassatie niet aanvoeren dat de rb. er ten onrechte van uitgaat dat (nood)reparaties zijn uitgevoerd, nu zij zelf heeft gesteld dat er maatregelen zijn getroffen, waartoe op grond van het huurcontract ook de verplichting bestond (prod. 1 bij de c.v.r., art. 7, lid 3).
Uitspraak
25 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/027HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. G.C. Makkink,
t e g e n
[Verweerster], wonende te [woonplaats], Italië,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: voorheen jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper,
thans mr. M.J. Schenck.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 21 februari 1997 [betrokkene A], wonende te [woonplaats] - verder te noemen: [betrokkene A] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Enschede en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [betrokkene A] te veroordelen aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 45.336,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 1996, althans vanaf de dag van de dagvaarding.
[Betrokkene A] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De Kantonrechter heeft bij vonnis van 19 februari 1998 de vordering afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo.
Nadat voorts [betrokkene A] was overleden en verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - als zijn rechtsopvolgster de procedure van hem had overgenomen, heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 17 februari 1999 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 22 september 1999 het bestreden vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.
Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft geconcludeerd tot referte.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiseres] in de kosten.
De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 15 november 2001 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 565,95 aan verschotten en € 455,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 januari 2002.

