Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7340

Datum uitspraak2002-02-15
Datum gepubliceerd2002-02-15
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/123HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnummer C00/123HR Mr Bakels Zitting 30 november 2001 Conclusie inzake Mund & Fester OHG tegen Caribbean Rice Industry LTD. N.V. 1. Feiten en procesverloop 1.1 Het gaat in deze zaak om de om de uitleg van art. 8:461 lid 2 BW, eerste zin. Centraal staat de vraag of de reisbevrachter in de onderhavige zaak als "vervoerder onder cognossement" in de zin van voornoemd artikellid kan worden aangemerkt. 1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.(1) (a) Caribbean Rice heeft als bevrachter met Rhine Delta Shipping Ltd., rederij van het m.s. "Roermond" (hierna: het schip), met betrekking tot dit schip een reisbevrachtingsovereenkomst gesloten voor het vervoer van een door haar, Caribbean Rice, aan [B] GmbH verkochte partij rijst van Curaçao naar Rotterdam/Schiedam. (b) De koopovereenkomst tussen laatstgenoemde partijen bevatte een C&F-clausule, hetgeen inhoudt dat Caribbean Rice voor vervoer zou zorgen en de kosten daarvan zou betalen, maar dat de verkochte rijst voor risico van [B GmbH] werd vervoerd. (c) Voor het desbetreffende vervoer is op 22 juli 1994 te Curaçao een kapiteinscognossement afgegeven. Hierin is als "shipper" genoemd Aranti N.V. te Curaçao, als "consignee": "to order of shipper" en als "notify address": [B GmbH]. Aranti N.V, in haar hoedanigheid als douane-expediteur voor Caribbean Rice(2), heeft het cognossement geëndosseerd en toegestuurd aan [B GmbH]. (d) In Rotterdam/Schiedam is de lading door de houdster van het cognossement - als hoedanig moet worden aangemerkt: [A] B.V.(3), althans [B] GmbH - tegen presentatie daarvan in ontvangst genomen. De lading bleek toen te zijn beschadigd door zeewater en contaminatie met mais en verfschilfers en vermenging met 'broken rice'. (e) De totale ladingschade beloopt f 877 687,31. De cognossementhouder heeft van de rederij in verband met deze ladingschade een bedrag van f 375 954,05 ontvangen. (f) Wat betreft de resterende schade geldt dat [B] GmbH gedeeltelijk schadeloos is gesteld door de ladingsassuradeuren, die daardoor zijn gesubrogeerd in de eventuele vorderingsrechten van [B] GmbH. Haar eventuele vorderingsrecht betreffende het niet vergoede bedrag heeft [B] GmbH overgedragen aan Mund & Fester, die voorzover nodig tevens is gemachtigd door [A] B.V., [B] GmbH en de ladings-assuradeuren om hun vordering op eigen naam in te stellen. 1.3 Tegen deze achtergrond heeft Mund & Fester bij inleidende dagvaarding van 15 augustus 1995 de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank te Rotterdam. Zij vorderde dat Caribbean Rice zou worden veroordeeld een bedrag van f 501 733, 26 met rente en kosten aan haar te betalen. Aan deze vordering legde zij ten grondslag dat Caribbean Rice aansprakelijk is voor de ladingschade, nu zij ingevolge art. 8:461 lid 2 BW als vervoerder onder cognossement moet worden aangemerkt. 1.4 Caribbean Rice voerde verweer. Zij stelde zich met name(4) op het standpunt dat niet zij, maar Rhine Delta Shipping Ltd. vervoerder bij de laatste overeenkomst in de keten van exploitatieovereenkomsten van het schip is.(5) Caribbean Rice is bij de laatste overeenkomst bevrachter en kan niet als vervoerder onder cognossement als bedoeld in art. 8:461 lid 2 BW worden aangemerkt.(6) 1.5 De rechtbank wees de vordering af. Hiertoe overwoog zij, kort gezegd, als volgt (rov. 4.2). Wanneer een kapiteinscognossement is afgegeven wordt ingevolge van art. 8:461 lid 2 BW mede als vervoerder aangemerkt de tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten van de exploitatieovereenkomsten van het schip. Dit is de bevrachter die met de afzender - dat is de wederpartij van de vervoerder - de vervoerovereenkomst sloot. Partijen zijn het erover eens dat Caribbean Rice de laatste bevrachter van de "Roermond" was. Om als cognossementvervoerder te kunnen worden aangemerkt is echter (tevens) vereist een overeenkomst waarbij Caribbean Rice zich als vervoerder tot het vervoer heeft verbonden. Gesteld noch gebleken is dat zo'n overeenkomst bestaat. Niet juist is de opvatting dat zo'n overeenkomst niet is vereist indien de bevrachter, zoals in het onderhavige geval, eigen lading heeft ingeladen. 1.6 Tegen dit vonnis is Mund & Fester in hoger beroep gekomen bij het hof 's Gravenhage Zij stelde zich primair op het standpunt dat Caribbean Rice ten opzichte van Aranti heeft te gelden als vervoerder omdat de rijst door Aranti N.V. is aangeleverd. Subsidiair betoogde zij dat Caribbean Rice ten opzichte van [B GmbH] als vervoerder gold, nu de goederen op grond van de door hen gesloten koopovereenkomst voor rekening en risico van [B GmbH] waren verscheept. Bij arrest van 21 december 1999 heeft het hof heeft het bestreden vonnis bekrachtigd. Het overwoog hiertoe, zakelijk weergegeven, als volgt. Het feit dat aan Aranti N.V een cognossement is afgegeven, wettigt nog niet de conclusie dat Caribbean Rice met betrekking tot de onderhavige vordering als cognossementvervoerder heeft te gelden. Daarvoor is vereist dat Caribbean Rice zich contractueel tot het vervoer daarvan heeft verbonden. Nu vaststaat dat Caribbean Rice haar in eigendom toebehorende lading heeft ingeladen, kan niet gezegd worden dat zij zich ter zake van het vervoer van die lading jegens een derde had verbonden. Op grond hiervan kan Caribbean Rice niet als vervoerder bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten worden aangemerkt (rov. 3). Daaraan doet niet af dat de door Caribbean Rice vervoerde eigen lading door haar was verkocht aan een derde en dat daarbij bedongen was dat de lading zou worden vervoerd voor risico van die derde (rov. 4). Bij herstelarrest van 25 januari 2000 heeft het hof de kostenveroordeling bij eerdergenoemd arrest - door een kennelijke verschrijving was Caribbean Rice daarin veroordeeld in de kosten van het hoger beroep - hersteld en Mund & Fester alsnog in de kosten van het hoger beroep veroordeeld. 1.7 Tegen deze arresten is door Mund & Fester tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld. Het middel bestaat uit twee onderdelen waarvan het eerste uiteenvalt in drie subonderdelen. Partijen hebben hun onderscheiden standpunten schriftelijk doen toelichten. Mund & Fester heeft nog gerepliceerd. 2. Bespreking van het middel 2.1 Deze zaak betreft de aansprakelijkheid voor ladingschade bij cognossementvervoer. Het cassatieberoep betreft de vraag of reisbevrachter Caribbean Rice op grond van art. 8:641 BW als vervoerder onder cognossement - schuldenaar van de cognossementhouder(8) - kan worden aangemerkt. Het tweede lid van dit artikel regelt wie als zodanig kan worden aangemerkt wanneer, zoals het onderhavige geval, door de kapitein een cognossement is afgegeven.(9) Op grond van dit tweede lid worden - cumulatief - als vervoerder onder cognos-sement aangemerkt(10): de reder, of, indien het schip in rompbevrachting is uitgeven, de (laatste) rompbevrachter en daarnaast de laatste tijd- of reisbevrachter die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten. Volgens $ is die laatste hoedanigheid op # van toepassing. 2.2 Ingevolge art. 5 lid 1 Wet conflicten recht zee-, binnenvaart- en luchtrecht wordt "bij vervoer van zaken onder cognossement (...) de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden, naast degene die het cognossement ondertekende of voor wie een ander het ondertekende, een derde als vervoerder onder het cognossement verbonden (...) is, (...) beantwoord naar het recht van de Staat waarin de haven gelegen is, waar uit hoofde van de overeenkomst moet worden gelost, ongeacht een door partijen bij de vervoersovereenkomst gedane rechtskeuze."(11) Deze verwijzingsregel leidt tot toepasselijkheid van Nederlands recht op de vraag die in dit geschil centraal staat omdat de rijst moest worden gelost in Rotterdam.(12) 2.3 Voordat ik de middelen bespreek, maak ik de volgende opmerking. Tussen partijen staat vast dat de door Carribean Rice aan [B GmbH] verkochte rijst werd vervoerd voor risico van laatstgenoemde. In deze procedure wil Mund & Fester als ladingschadeverzekeraar van [B GmbH], de schade die bij het vervoer van de rijst is ontstaan, (toch) verhalen op Carribean Rice. Aangezien Mund & Fester door deze subrogatie niet in een andere of betere positie komt te verkeren dan [B GmbH] zelf, en in aanmerking genomen dat is gesteld noch gebleken dat Carribean Rice is tekortgeschoten in haar verplichting een behoorlijke vervoerder uit te zoeken, komt de vordering van Mund & Fester erop neer dat zij de tussen partijen bij de koopovereenkomst afgesproken risicoverdeling wenst te negeren. Zij baseert dit op art. 8:461 lid 2 BW, eerste zin. Ik zou menen dat hieraan een onjuiste opvatting omtrent deze bepaling ten grondslag ligt. Zelfs al zou Carribean Rice dientengevolge inderdaad tegenover [B GmbH] als vervoerder onder het cognossement moeten worden aangemerkt - hetgeen mijns inziens overigens niet het geval is, zoals bij de bespreking van de middelen zal blijken - dan nog heeft het uitgeven en accepteren van het cognossement tussen partijen geen schuldvernieuwing ten gevolge of anders gezegd: leidt dit niet ertoe dat hun rechtsverhouding uitsluitend door het cognossement wordt beheerst met abstractie van de onderliggende rechtsverhouding. Dit ligt anders in relatie tot derden te goeder trouw, aan wie verweren ontleend aan de onderliggende rechtsverhouding niet kunnen worden tegengeworpen. Maar [B GmbH] is tegenover Carribean Rice geen derde, doch haar contractuele wederpartij en omdat Mund & Fester haar rechten door cessie of subrogatie rechtstreeks afleidt van [B GmbH], staat ook zij tegenover Carribean Rice met lege handen. Aangetekend moet worden dat deze gedachte noch in eerste instantie, noch in hoger beroep, noch in cassatie door een der partijen naar voren is gebracht. Om bovengenoemde reden meen ik niettemin dat het cassatieberoep al hierop moet afstuiten. Het is in mijn ogen dan ook ten overvloede dat ik de middelen toch bespreek. - Onderdeel A 2.2 Onderdeel A, dat uit drie subonderdelen bestaat, keert zich tegen het oordeel van het hof dat Caribbean Rice niet als vervoerder bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten heeft te gelden (rov.3, 5e volzin). Het hof kwam tot deze conclusie, op grond van de overweging dat " [...] het enkele feit dat aan Aranti N.V. een cognossement is afgegeven op zichzelf de conclusie nog niet wettigt dat Caribbean Rice in het kader van de beoordeling van de onderhavige vordering als cognossementsvervoerder heeft te gelden. Daarvoor is immers vereist [...] een overeenkomst waarbij Caribbean Rice zich als vervoerder tot het vervoer heeft verbonden. Nu ten processe vaststaat dat Caribbean Rice haar in eigendom toebehorende lading heeft ingeladen kan niet gezegd worden dat zij zich terzake van het vervoer van die lading jegens een derde had verbonden" (rov.3). 2.3 Subonderdeel 1 van onderdeel A keert zich tegen deze overweging met de klacht dat het hof daarin heeft miskend dat, gelet op de strekking van artikel 8:461 lid 2 BW ten grondslag liggende oogmerk van bescherming van de cognossementhouder, de afgifte van het cognossement door de kapitein van het schip aan Aranti N.V. en de vermelding daarin van laatstgenoemde als "shipper" [wel] meebrengen dat Caribbean Rice tegenover Aranti N.V. als cognossementvervoerder in de zin van art. 8:461 lid 2 BW heeft te gelden. Het subonderdeel strekt, mede gelet op de schriftelijke toelichting, ten betoge dat art. 8:461 lid 2 BW geen daadwerkelijke vervoerovereenkomst tussen afzender en bevrachter vereist, maar dat, bij gebreke daarvan, een fictieve vervoerovereenkomst voldoende is.(13) Deze vloeide volgens het subonderdeel in het onderhavige geval voort uit de afgifte van het kapiteinscognossement en de aanvaarding daarvan door Aranti N.V. 2.4 Het subonderdeel faalt. Ingevolge art. 8:461 lid 2 BW is, zoals het hof terecht heeft overwogen, alleen die tijd- of reisbevrachter 'vervoerder onder cognossement', die met de afzender een vervoerovereenkomst heeft gesloten. 2.5 Dit volgt in de eerste plaats uit de wettekst zelf. Art. 8:461 lid 2 BW noemt immers als "vervoerder onder cognossement", die (tijd- of reis-)bevrachter, "die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten". Laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten is de overeenkomst met de afzender.(14) De bevrachter die ingevolge art. 8:461 lid 2 BW als 'vervoerder onder het cognossement' kan worden aangesproken, moet dus naast zijn hoedanigheid van bevrachter, tevens naar de afzender toe de hoedanigheid van vervoerder hebben. Met het juridische begrip(15) "vervoerder" wordt bedoeld, de partij die met de afzender een vervoerovereenkomst heeft gesloten (art. 8:370 lid 1 BW).(16) 2.6 De opvatting dat in art. 8:461 lid 2 BW alleen de tijd- of reisbevrachter is bedoeld die zich contractueel tot het vervoer heeft verbonden, blijkt voorts uit de parlementaire geschiedenis. Zo kan aan de MvT (14 049) bij de Vaststellingswet het volgende worden ontleend: "Wanneer het schip in tijd- of reisbevrachting is uitgegeven geldt hetzelfde: de kapitein bindt de reder als vervoerder onder het cognossement [...] Daarnaast echter blijft ook de bevrachter, die met de afzender de vervoerovereenkomst sloot, jegens degeen, die het cognossement verwierf, als vervoerder onder het cognossement gelden". (17) 2.7 Uit de zinsnede "[d]aarnaast echter blijft ook de bevrachter, die met de afzender de vervoerovereenkomst sloot (...) als vervoerder onder het cognossement (...) gelden" (eigen curs.) kan bovendien worden afgeleid dat de wetgever in art. 8:461 lid 2 BW voor de daarin genoemde bevrachters, anders dan voor de reder, geen nieuwe aansprakelijkheid in het leven heeft willen roepen. Naast de, voor het geval waarin een kapiteinscognossement is afgegeven, gecreëerde aansprakelijkheid van de reder, blijft de aansprakelijkheid van de bevrachter als contractuele vervoerder jegens de cognossementhouder bestaan.(18) Deze opvatting blijkt tevens uit de literatuur.(19) 2.8 Aan het voorgaande doet m.i. het volgende citaat uit de MvT (19 979) Invoeringswet niet af: "Het ontwerp bepaalt dat "die laatste tijd- of reisbevrachter die vervoerder is in de keten van exploitatie-overeenkomsten" als vervoerder onder het cognossement wordt beschouwd. Vervoerder onder cognossement is derhalve de tijd- of reisbevrachter die het dichtst staat bij de cognossementshouder, d.w.z. meestal degene die met hem de vervoerovereenkomst sloot."(20) Dat de vervoerder onder cognossement "meestal" de tijd- of reisbevrachter is die met de cognossementhouder de vervoerovereenkomst sloot, betekent m.i. namelijk niet dat niet steeds een vervoerovereenkomst tussen tijd- of reisbevrachter en afzender is vereist. Vermoedelijk is hiermee alleen gedoeld op de opvolgend cognossementhouder, die immers niet (tevens) afzender bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten is.(21) 2.9 Hieruit volgt dat het hof terecht heeft overwogen dat voor de aansprakelijkheid van Caribbean Rice als reisbevrachter op grond van art. 8:461 lid 2 BW is vereist dat zij zich als vervoerder tot het vervoer van de lading heeft verbonden. Anders dan het subonderdeel betoogt, gaat het bij dit vereiste niet om een fictie. De overweging van het hof dat de vermelding van Aranti N.V. als "shipper" (afzender) in het kapiteinscognossement nog niet maakte dat Caribbean Rice jegens Aranti N.V. als vervoerder in de zin van art. 8:461 lid 2 BW heeft te gelden, maar dat daarvoor een vervoerovereenkomst is vereist, geeft daarom niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting [temeer daar tussen Aranti N.V. en Caribbean Rice, zoals ook door Mund & Fester is toegegeven, geen daadwerkelijke vervoerovereenkomst bestond. Aranti N.V. kan zich, nu zij geen derde is, daarom ook niet te goeder trouw beroepen op de schijn van zo'n overeenkomst.(22)]. 2.10 Subonderdeel 2 komt evenals het voorgaande subonderdeel op tegen het oordeel van het hof dat Caribbean Rice niet als vervoerder bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten heeft te gelden (rov. 3, slot). Het klaagt dat het hof hierbij heeft miskend dat Caribbean Rice in ieder geval jegens de derde-cognossementhouder als cognossementvervoerder in de zin van art. 8:461 lid 2 BW heeft te gelden, gezien de vermelding in het cognossement van Aranti N.V. als "shipper" en het ten processe vaststaande feit dat Caribban Rice de laatste bevrachter was ten aanzien van de lading waarop de vordering betrekking heeft. [Het gaat m.i. bij het in dit subonderdeel vervatte beroep op de bescherming van derde-cognossementhouders, niet, zoals door Caribbean Rice is aangevoerd (s.t., nr. 2.6 -2.11) om een tardieve grief (art. 347 lid 1 Rv) of een tardief feit in appel waaraan het hof voorbij moest gaan, of om een novum in cassatie. Uit de gedingstukken blijkt namelijk dat door Mund & Fester tijdig, dat wil zeggen voor appelpleidooi, een - overigens niet zeer uitgewerkt - beroep is gedaan op de stelling dat Caribbean Rice in ieder geval jegens [B GmbH] als vervoerder onder cognossement heeft te gelden, gezien de hoedanigheid van laatstgenoemde als derde-cognossementhouder(23)] 2.11 Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof de bescherming van [B GmbH] als derde-cognossementhouder in zijn overwegingen heeft betrokken.(24) Het onderdeel kan echter, bij gebrek aan belang, geen doel treffen. Het hof had het beroep op de bescherming van de derde-cognossementhouder immers slechts kunnen verwerpen. In de verhouding tussen vervoerder en derde gaat het om wat in het cognossement is vermeld: het cognossement beheerst de positie van de derde-cognossementhouder (art. 8:441 lid 2 BW).(25) Dit mes snijdt evenwel aan twee kanten: op wat in het cognossement staat kunnen derde-cognossementhouders zich beroepen, maar niet op wat niet in het cognossement staat vermeld.(26) In de onderhavige zaak is echter gesteld nog gebleken dat Caribbean Rice in het cognossement als vervoerder is aangeduid. Caribbean Rice staat zelfs in het geheel niet op het cognossement vermeld.(27) Het cognossement noemt slechts Aranti N.V. (als "shipper").(28) (29) Het subonderdeel kan dan ook niet tot cassatie leiden. [of vereist dit toch feitelijk onderzoek waarvoor in cassatie geen plaats is? Mij lijkt van niet, nu het cognossement deel uitmaakt van de stukken van het geding. Anderzijds is de vraag of een partij aan een document bescherming kan ontlenen van feitelijke aard] [alternatief: 2.11 Mund & Fester heeft de stelling, dat Caribbean Rice jegens [B GmbH] als vervoerder onder cognossement moet worden beschouwd op grond van de bescherming die laatstgenoemde als derde-cognossementhouder aan het in de onderhavige zaak geëndosseerde cognossement kan ontlenen, in de feitelijke instanties niet of nauwelijks aangevoerd. Het betreft derhalve een ontoelaatbaar novum in cassatie.(30) Hierop stuit het subonderdeel af.(31)] 2.13 Subonderdeel 3 klaagt dat het hof de conclusie dat Caribbean Rice niet als vervoerder bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten heeft te gelden, ten onrechte heeft onderbouwd met de overweging: "[n]u ten processe vaststaat dat Caribbean Rice haar in eigendom toebehorende lading heeft ingeladen kan niet gezegd worden dat zij zich terzake van het vervoer van die lading jegens een derde had verbonden"(rov.3). Het middel voert aan dat de omstandigheid dat Caribbean Rice haar eigen lading heeft ingeladen niet zonder meer meebrengt dat zij zich niet jegens een derde tot vervoer van die lading heeft verbonden. Voor het antwoord op de vraag of Caribbean Rice als vervoerder kan worden beschouwd is, volgens het subonderdeel, namelijk beslissend voor wiens risico de lading na inscheping kwam. 2.14 Voorzover het subonderdeel klaagt dat de omstandigheid dat Caribbean Rice haar eigen lading heeft ingeladen niet zonder meer meebrengt dat zij zich niet jegens een derde tot vervoer van die lading heeft verbonden, merk ik het volgende op. Inderdaad lijkt het erop dat het hof de beantwoording van de juridische vraag of Caribbean Rice zich als vervoerder jegens de afzender heeft verbonden, uitsluitend/vooral heeft gebaseerd op de feitelijke omstandigheid dat Caribbean Rice eigen lading heeft ingeladen.(32) Het hof heeft kennelijk uit de omstandigheid dat Caribbean Rice haar eigen lading heeft ingeladen, afgeleid dat er geen andere afzender was met wie Caribbean Rice een vervoerovereenkomst kon hebben gesloten. Weliswaar is niet waarschijnlijk dat Caribbean Rice nu het om haar eigen lading gaat tot het vervoer daarvan jegens een derde-afzender heeft verbonden, geheel uitgesloten is het niet. De overeenkomst van goederenvervoer over zee is immers een consensuele, geen reële overeenkomst.(33) 2.15 Het voorgaande neemt evenwel niet weg, dat, zoals hiervoor is besproken, artikel 8:461 lid 2 BW slechts die laatste tijd- of reisbevrachter als "vervoerder onder cognossement" aanwijst, die vervoerder is in de laatste exploitatieovereenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten. Nu is gesteld noch gebleken dat tussen Caribbean Rice en Aranti N.V. een vervoerovereenkomst was gesloten(34) en dit, zoals het hof terecht heeft overwogen, ook niet kan worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat aan Aranti N.V. een cognossement is afgegeven, faalt het subonderdeel bij gebrek aan belang. [of moet alsnog door de feitenrechter worden onderzocht of een vervoerovereenkomst is gesloten?] 2.16 Hieraan doet hetgeen het subonderdeel overigens betoogt niet af. Dit betoog houdt in dat voor het antwoord op de vraag of Caribbean Rice als vervoerder kan worden beschouwd, beslissend is voor wiens risico de lading na inscheping kwam. Nu de verkochte lading op grond van de koopovereenkomst c.f. ("cost & freight") na inscheping voor risico van de koper ([B GmbH]) werd vervoerd, is sprake van een "derde-belanghebbende" bij de lading jegens wie Caribbean Rice als vervoerder kan worden beschouwd. 2.17 Dit betoog loopt stuk op hiervoor besproken omstandigheid dat art. 8:461 lid 2 BW alleen die tijd- of reisbevrachter als vervoerder onder cognossement aanmerkt, die zich als vervoerder jegens de afzender tot het vervoer van de lading heeft verbonden. Daarvan is, in tegenstelling tot hetgeen het subonderdeel betoogt, bij een koopovereenkomst cost & freight (c.f.) geen sprake. Immers, bij een vervoerovereenkomst verbindt de vervoerder zich tot het bereiken van een bepaald resultaat, namelijk dat de goederen tijdig en in de toestand waarin hij deze heeft ontvangen aankomen op de overeengekomen bestemming.(35) Daarentegen gaat bij een koopovereenkomst onder de voorwaarde c.f. het risico ter zake van de lading bij inlading in het zeeschip over op de koper.(36) De door het onderdeel gemaakte vergelijking tussen de posities van de bevrachter-vervoerder en de bevrachter-verkoper c.f. gaat dan ook op een essentieel punt mank. Het op de risico-omslag gebaseerde argument pleit veeleer tegen de stelling dat de bevrachter-verkoper c.f. als vervoerder kan worden aangemerkt.(37) Het subonderdeel kan daarom geen doel treffen. 2.18 Onderdeel B herhaalt, onder verwijzing naar onderdeel A, de daarin opgenomen klachten. Het richt zich tegen rov. 4, waarin het hof het hiervoor besproken betoog van Mund & Fester, dat de lading op grond van de koopovereenkomst voor risico van [B GmbH] kwam, heeft verworpen. Tevens richt het onderdeel zich tegen rov. 5, waarin het hof tot de slotsom komt dat geen van de grieven doel treffen en Mund & Fester in de kosten veroordeelt. Ook dit onderdeel kan niet slagen. Immers, gezien de verwerping van onderdeel A, waarbij tevens de juistheid is gebleken van hetgeen het hof in rov. 4 heeft overwogen, moet onderdeel B het lot van onderdeel A delen. 3. Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep. 1 Hoofdzakelijk ontleend aan het vonnis van 25 september 1997 van de rechtbank Rotterdam, rov. 2. 2 Partijen laten in de cassatiestukken de hoedanigheid van Aranti in het midden, misschien omdat hof noch rechtbank die hoedanigheid uitdrukkelijk heeft vastgesteld. Deze stelling is echter al naar voren gebracht door Carribean Rice bij conclusie van dupliek nr. 6 De juistheid daarvan is door Mund & Fester bij akte houdende uitlating producties nr. 6 niet bestreden. In hoger beroep heeft Carribean Rice bij memorie van antwoord nrs. 12 en 13 nogmaals uitdrukkelijk gesteld dat Aranti optrad als haar douane-expediteur. Dit is door Mund & Fester bij het daarna gevolgde pleidooi onbestreden gelaten, ook in haar "aanvullende opmerkingen" onder 2 (blz. 7). 3 Naar valt aan te nemen de ontvangstexpediteur voor de koper van de partij, [B GmbH]. In de stukken wordt hierover geen uitsluitsel gegeven en voor de beslissing van het geschil mist opheldering van de hoedanigheid waarin [A B.V.] optrad, belang. 4 Zij stelde in eerste aanleg ook nog dat zij was gedagvaard door een niet-bestaande partij. Dit verweer is terecht en op goede gronden door de rechtbank verworpen en in hoger beroep niet opnieuw aan de orde gesteld. 5 CvD, nr. 3. 6 Antwoordakte, nr. 5. 7 De cassatiedagvaarding dateert van 21 maart 2000. 8 Vgl. F.G.M. Smeele, Passieve legitimatie onder cognossement (diss. Rotterdam 1998), Deventer 1998. blz. 3. 9 [Art. 8:641 BW regelt niet de rechtsgevolgen van het zijn van 'vervoerder onder cognossement'. Deze vloeien onder meer voort uit art. 8:442 lid 1 (hoofdelijke verbondenheid jegens de cognossementshouder met betrekking tot aflevering en schadevergoeding overeenkomstig artikel 8:387 BW) en art. 441 lid 2 BW (aansprakelijkheid jegen cognossementshouders).] 10 Teunissen 2001, (T&C BW), art. 8:461, aant. 3. 11 Wet van 18 maart 1993, Staatsblad 168. 12 Schriftelijke toelichting mrs. Wuisman en Polak nr. 5. 13 [blijkens de s.t. geeft Mund & Fester ook toe dat het in het onderhavige geval alleen om een 'fictieve' vervoerovereenkomst tussen Caribbean en Aranti N.V. kan gaan. Het hof zou echter het 'fictieve' karakter van de vervoerovereenkomst in art. 8:461 lid 2 BW hebben miskend, aldus Mund & Fester (s.t., onder 15).] 14 Vgl. G. van Empel/J.B. Huizink, Goederenvervoer over zee, binnenwater en over de weg, Deventer 1996, blz. 84 e.v.; Parl. Gesch. Boek 8, blz. 331 en 355-356. 15 [Vgl. R.E. Japikse, De Zeevervoerder in Boek 8 NBW, in: Ex Iure, Arnhem 1987, blz. 83 en 88][ [weliswaar moet het begrip 'vervoerder onder cognossement' begripsmatig worden onderscheiden van de begrippen 'vervoerder'en 'zeevervoerder' (Smeele, p. 92; HR 2 april 1993, NJ 1994, 650 (JCS). M.i. betekent dit niet dat ook het begrip 'vervoerder' in de zinsnede, "die tijd- of reisbevrachter die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten" in 8:461 lid 2 BW, los zou staan van het vervoerdersbegrip in art. 8:20/8:370 BW]. 16 De voor de beoordeling van dit onderdeel te beantwoorden vraag luidt: kan Caribbean Rice ook zonder feitelijke vervoerovereenkomst met Aranti N.V., jegens deze laatste als vervoerder onder cognossement in de zin van art. 8:461 lid 2 BW worden aangemerkt, op grond van de omstandigheid dat aan Aranti een kapiteinscognossement is verstrekt waarin laatstgenoemde als "shipper" is aangeduid? 17 Parl. Gesch. Boek 8, blz. 483. Zie voorts de (vrijwel) gelijkluidende Toelichting Schadee: "Wanneer het schip in tijd- of reisbevrachting is uitgegeven geldt hetzelfde: de kapitein bindt de reder. Daarnaast echter blijft ook de bevrachter, die met de afzender de vervoerovereenkomst sloot, jegens degeen, die het cognossement verwierf, als vervoerder onder cognossement gelden", Parl. Gesch. Boek 8, blz. 480-481. 18 [Niet bedoeld is een nieuwe aansprakelijkheid in het leven te roepen, bijvoorbeeld van tijd- of reisbevrachters die zich niet jegens de afzender tot het vervoer hebben verbonden.] 19 F.G.M. Smeele, Passieve legitimatie uit cognossement, Deventer 1998, blz. 92-93, voetnoot 75 en blz. 118; R.E. Japikse. De zeevervoerder in Boek 8 NBW, in: Ex Iure, Arnhem 1987, blz. 83 e.v., 87. Zie tevens Ph.H.J.G. van Huizen, Inleiding Handelsrecht, Groningen 1995, blz. 169 [De door Boonk (Zeevervoer onder cognossement, Arnhem 1993, p. 33) [tentatief geformuleerde] opvatting, dat uit HR 24 juni 1988, NJ 1990, 53 (Nielse Danielsen) mogelijk kan worden afgeleid dat iedere bevrachter, ook degene die eigen lading vervoerder, als vervoerder onder cognossement kan worden aangemerkt (arrest gewezen onder oud recht, art. 518 lid 1 en 2 K) overtuigt niet. Boonk baseert zijn opvatting, als ik goed zie, op de overweging van de HR dat het de bevrachter vrij staat om cognossementen af te geven. Omdat, aldus Boonk, cognossementen door vervoerders worden afgegeven, kunnen bevrachters mogelijk steeds als vervoerder worden aangemerkt. Dit is een, naar mijn mening zeer mager argument, dat bovendien steunt op oud recht en voorts haaks staat op de wettekst en de parlementaire geschiedenis daarbij.] 20 Parl. Gesch. Boek 8, blz. 486-487. 21 [De hier verdedigde uitleg is ook door Caribbean Rice aangevoerd, zie Antwoordakte van 1 mei 1997. Van de zijde van Mund & Fester is een andere uitleg aangedragen: in de situatie dat de bevrachter tevens cognossementshouder is, is de bevrachter niet tevens vervoerder (pleitnota mr Boonk van 19 oktober 1999, p. 6)]. 22 Zie Smeele, blz. 82 e.v.; Van Empel/Huizink, blz. 57: de functie van het cognossement tussen de oorspronkelijke partijen is beperkt: in hun relatie gaat de werkelijkheid steeds boven het papier. De werkelijke overeenkomst geldt, niet het cognossement. Alleen na overdracht van het cognossement, dus wanneer het zich in handen van een derde bevindt, verandert dit: tegenbewijs tegen hetgeen in het cognossement is vermeld is niet meer mogelijk. Zie ook art. 8:410 BW, waarin is bepaald dat de verhouding tussen vervoerder en afzender wordt beheerst door de vervoerovereenkomst en niet het cognossement.]. 23 Zie: akte houdende uitlating producties, par. 5, eerste alinea, laatste volzin (blz.4); MvG, par. 17, slotzin (blz. 5) en par. 19 (blz. 6), pleitnota mr Boonk, blz. 7-8. 24 [Dit kan m.i. ook niet in de eerste volzin van rov. 4, die luidt: "ook hetgeen Mund & Fester overigens nog heeft aangevoerd stuit af op hetgeen hiervoor is overwogen", worden gelezen, nu deze volzin, blijkens de daaropvolgende volzin, alleen betrekking heeft op het de stelling van Mund & Fester dat Caribbean Rice als vervoerder gold, gezien de risicoverdeling in de tussen Caribbean Rice en [B GmbH] geldende koopovereenkomst c.f.]. 25 MvT (14 049), Parl. Gesch. Boek 8, blz. 471; Teunissen 2001, (T&C BW), art. 8:441, aant. 2; H. Boonk, Zeevervoer onder cognossement, Arnhem, 1993, blz. 53-55. 26 [Dit leid ik af uit de omstandigheid dat de verhouding tussen de vervoerder en de derde-cognossementshouder wordt beheerst door het cognossement (art. 8:441 BW, zie MvT (14 049), Parl. Gesch. Boek 8, blz. 471.). Dat de derde-cognossementshouder partij wordt bij de vervoerovereenkomst, voorzover in het cognossement weergegeven (Nota n.a.v. Verslag I (19 979), Parl. Gesch. Boek 8, blz. 474), betekent m.i. meer in het algemeen dat de bescherming die de derde-cognossementshouder aan het cognossement kan ontlenen is beperkt tot de gegevens die daarin staan vermeld. Een bron die deze laatste gevolgtrekking met zoveel woorden noemt heb ik echter niet kunnen vinden, dus voorzichtigheid is hier geboden. [Immers, dat de derde-verkrijger zich jegens de vervoerder kan beroepen op bedingen die wel op het cognossement, maar niet in de vervoerovereenkomst staan, lijkt op het geval dat uit het cognossement een vervoerovereenkomst blijkt, die in werkelijkheid niet is gesloten.] 27 Zie CvR, prod. nr.3. [Dat Caribbean Rice niet op het cognossement is vermeld, is ook door Caribbean Rice aangevoerd, zie s.t. 2.11. Door Mund & Fester is niet gesteld dat de bescherming die [B GmbH] aan het cognossement kon ontlenen gebaseerd was op de vermelding van Caribbean Rice als vervoerder. Zij heeft alleen gesteld dat Aranti op het cognossement als 'shipper' (afzender) was genoemd.] 28 CvR, prod. nr. 3. 29 [Bovendien betreft het een beroep op de bescherming die de derde-cognossementshouder jegens de vervoerder aan het cognossement kan ontlenen. De verhouding tussen de vervoerder en de derde-cognossementshouder wordt beheerst door het cognossement (art. 8:441 lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is evenwel dat Caribbean Rice zich contractueel tot het vervoer had verbonden of dat uit het cognossement bleek dat Caribbean Rice vervoerder was.] 30 D.J. Veegens/E. Korthals Altes/H.A. Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, Zwolle 1989, blz. 243. 31 [De gedingstukken waarin volgens Mund & Fester (schriftelijke repliek, onder 3) een beroep wordt gedaan op de bescherming die de derde-cognossementshouder aan de inhoud van het cognossement kan ontlenen, zijn: - De akte houdende uitlating producties, paragraaf 5, eerste alinea, laatste volzin (blz. 4). Hierin wordt wordt weliswaar de positie van [B GmbH] als derde-cognossementshouder genoemd; maar dan vooral in verband met de stelling van Boonk dat uit het onder oud recht gewezen arrest HR 24 juni 1988 NJ 1990, 53 (Nielse Danielsen) kan worden afgeleid dat de bevrachter, vanwege zijn bevoegdheid om cognossementen uit te geven, steeds als vervoerder onder cognossement kan worden beschouwd, ook wanneer deze geen contractueel vervoerder is. - in de memorie van grieven wordt de positie van [B GmbH] alleen als koper bij de koopovereenkomst c.f. en niet als derde-cognossementshouder genoemd. Verder wordt in de memorie van grieven verwezen naar de akte houdende uitlating producties, paragraaf 4-6. - hetzelfde geldt voor de de appelpleitnota (blz. 7/7, nr. 3) ook daarin wordt de positie van derde-cognossementshouder [B GmbH] genoemd in haar hoedanigheid van koper c.f. en het daarvoor ontwikkelde betoog dat [B GmbH] vanwege de risico-omslag derde-ladingbelanghebbende was.] 32 Haak heeft er - overigens in het kader van de vraag wie als afzender kan worden aangemerkt - op gewezen dat in het vervoerrecht de neiging bestaat om (ten onrechte) een feitelijk criterium te hanteren bij de toepassing van rechtsregels, zie K.F. Haak, De aansprakelijkheid van de vervoerder ingevolge de CMR, 's Gravenhage 1984, blz. 288. 33 Vgl. R. Cleton, Hoofdlijnen van het vervoerrecht, Zwolle, blz. 130; J.A.L.M. Loeff, Vervoer ter zee, Zwolle 1981, blz. 20. [het hof had daarom beter, zoals de rechtbank had gedaan (rov. 4.2 vonnis d.d. 25 september 1997), eenvoudig kunnen overwegen dat was gesteld noch gebleken dat tussen Caribbean Rice en de afzender een ('werkelijke') vervoerovereenkomst bestond.] 34 Dat Aranti N.V. en Caribbean Rice nimmer een vervoerovereenkomst hebben gesloten is ook door Mund & Fester toegegeven, zie s.t., nr. 15 ("het enkele feit dat aan Aranti een kapiteinscognossement is afgegeven, vormt juist wél voldoende grondslag voor het aanwezig achten van een - het zij toegegeven: fictieve - vervoerovereenkomst tussen Caribbean Rice en Aranti"). 35 [Deze contractuele aansprakelijkheid rechtvaardigt dat de bevrachter die zich contractueel tot het vervoer heeft verbonden in art. 8:461 lid 2 BW door de cognossementhouder kan worden aangesproken.] 36 Vgl. A. Korthals Altes, J.J. Wiarda, Vervoerrecht, Deventer 1980, blz. 6/7. 37 [wat Mund & Fester in feite probeert, is het risico dat na inlading op grond van de koopovereenkomst bij de koper ([B GmbH]) lag, alsnog op de verkoper/bevrachter (Caribbean Rice) af te wentelen, met de constructie dat [B GmbH] behalve koper, ook derde-cognossementshouder is en in die hoedanigheid de Caribbean Rice als vervoerder mocht beschouwen.]


Uitspraak

15 februari 2002 Eerste Kamer Nr. C00/123HR AP Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de rechtspersoon naar het recht van de Bondsrepubliek Duitsland, MUND & FESTER OHG, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman, t e g e n de vennootschap naar het recht van de Nederlandse Antillen, CARIBBEAN RICE INDUSTRY LTD. N.V., gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.S. Meijer. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Mund & Fester - heeft bij exploiten van 15 augustus 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Caribbean Rice - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd Caribbean Rice te veroordelen om aan Mund & Fester te betalen het bedrag van ƒ 501.733,26, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 1994 tot aan de dag der algehele voldoening. Caribbean Rice heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 25 september 1997 de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Mund & Fester hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 21 december 1999 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft Mund & Fester beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Caribbean Rice heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Mund & Fester mede door mr. M.V. Polak, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van Mund & Fester in de proceskosten. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Caribbean Rice heeft als bevrachter met Rhine Delta Shipping Ltd., rederij van het ms. 'Roermond', met betrekking tot dit schip een overeenkomst van reisbevrachting gesloten voor het vervoer van een door Caribbean Rice aan een derde verkochte partij rijst van Curaçao naar Rotterdam/Schiedam. (ii) Voor dit vervoer is een kapiteinscognossement, gedateerd Curaçao 22 juli 1994, afgegeven, waarin als shipper is genoemd Aranti N.V. te Curaçao (hierna: Aranti) en als consignee "to order of shipper". Aranti heeft het cognossement geëndosseerd waarna het is toegestuurd aan [B] GmbH, die in het cognossement is genoemd onder "notify address". (iii) In Rotterdam/Schiedam is de lading door de houder van het cognossement - als hoedanig moet worden aangemerkt [A] B.V., althans [B GmbH] - tegen presentatie daarvan in ontvangst genomen. De lading bleek toen te zijn beschadigd door zeewater en contaminatie met maïs en verfschilfers en vermenging met 'broken rice'. De totale ladingschade beliep ƒ 877.687,31. De cognossementhouder heeft van de rederij in verband met deze ladingschade een bedrag van ƒ 375.954,05 ontvangen. (iv) [B GmbH] is gedeeltelijk schadeloos gesteld door de ladingassuradeuren, die daardoor zijn gesubrogeerd in haar eventuele vorderingsrecht. Zij heeft haar eventuele vorderingsrecht betreffende het niet vergoede bedrag overgedragen aan Mund & Fester. Ook [A B.V.] heeft haar eventuele vorderingsrecht overgedragen aan Mund & Fester, terwijl Mund & Fester tevens door [A B.V.], [B GmbH] en de lading-assuradeuren is gemachtigd hun vordering op eigen naam in te stellen. 3.2 Mund & Fester heeft in het onderhavige geding gevorderd Caribbean Rice te veroordelen tot betaling van ƒ 501.733,26. Aan deze vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat Caribbean Rice ingevolge art. 8:461 lid 2 BW naast de rederij als vervoerder onder het cognossement moet worden aangemerkt. Caribbean Rice heeft dit standpunt bestreden en aangevoerd dat bij de laatste overeenkomst in de keten van exploitatieovereenkomsten Rhine Delta Shipping Ltd. vervoerder was en zij bevrachter, zodat zij niet vervoerder onder cognossement als bedoeld in art. 8:461 lid 2 is. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. 3.3 Het Hof heeft - mede in aanmerking genomen dat dit uitgangspunt in hoger beroep niet was bestreden - evenals de Rechtbank tot uitgangspunt genomen dat, indien een kapiteinscognossement is afgegeven, ingevolge art. 8:461 lid 2 BW mede als vervoerder wordt aangemerkt de tijd- of reisbevrachter, die vervoerder is bij de laatste overeenkomst in de keten der exploitatieovereenkomsten en dat daarmee bedoeld is de bevrachter die met de afzender - dat is de wederpartij van de vervoerder - de vervoerovereenkomst sloot. Tussen partijen is in geschil, aldus het Hof, de vraag of Caribbean Rice als vervoerder onder cognossement dient te worden aangemerkt. Het Hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord, daartoe overwegende dat "(…) het enkele feit dat aan Aranti N.V. een cognossement is afgegeven op zichzelf de conclusie nog niet wettigt dat Caribbean Rice in het kader van de beoordeling van de onderhavige vordering als cognossementsvervoerder heeft te gelden. Daarvoor is immers vereist (…) een overeenkomst waarbij Caribbean Rice zich als vervoerder tot het vervoer heeft verbonden. Nu ten processe vaststaat dat Caribbean Rice haar in eigendom toebehorende lading heeft ingeladen, kan niet gezegd worden dat zij zich ter zake van het vervoer van die lading jegens een derde had verbonden" (rov. 2-3). 3.4 In de hiervoor weergegeven gedachtengang van het Hof is klaarblijkelijk van doorslaggevende betekenis zijn zienswijze dat de omstandigheid dat de te vervoeren lading eigendom van Caribbean Rice is, eraan in de weg staat dat Caribbean Rice zich jegens een derde heeft verbonden tot het vervoeren van die lading. Indien het Hof, aldus overwegende, ervan is uitgegaan dat een vervoerovereenkomst slechts bestaanbaar is indien de lading eigendom is van een ander dan de vervoerder, heeft het evenwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu immers niet valt in te zien waarom bijvoorbeeld een verkoper van een nog niet aan de koper overgedragen lading zich niet jegens deze zou kunnen verbinden die lading te vervoeren. Zou het Hof niet van deze onjuiste rechtsopvatting zijn uitgegaan, dan heeft het zijn oordeel dat Caribbean Rice zich niet tot het vervoer heeft verbonden, ontoereikend gemotiveerd, nu zonder nadere motivering niet duidelijk is op grond waarvan in het gegeven geval de omstandigheid dat de lading eigendom was van Caribbean Rice tot de slotsom leidt dat zij niet als vervoerder een vervoerovereenkomst heeft gesloten. Onderdeel A.3, dat hierover klaagt, treft derhalve doel, zodat het bestreden arrest niet in stand kan blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling in ver-band met het navolgende. 3.5 Noch de Rechtbank noch het Hof heeft vastgesteld of het cognossement waarin Aranti als 'shipper' is vermeld en dat door haar is geëndosseerd, aan haar is afgegeven en door haar is geaccepteerd in haar hoedanigheid van (eerste) cognossementhouder, zoals Mund & Fester heeft gesteld, dan wel in haar hoedanigheid van enkel douane-expediteur voor Caribbean Rice, zoals Caribbean Rice heeft betoogd. Na verwijzing zal dan ook alsnog moeten worden onderzocht of het cognossement is afgegeven aan Aranti als cognossementhouder dan wel uitsluitend als douane-expediteur voor Caribbean Rice, en, zo deze vraag in eerstvermelde zin moet worden beantwoord, of dit meebrengt dat tussen haar als afzender en Caribbean Rice als vervoerder een vervoerovereenkomst, een en ander in de zin van art. 8:461 lid 2, is tot stand gekomen. 3.6 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat 's Hofs arrest van 25 januari 2000, waarin het een misslag in de kostenveroordeling heeft hersteld, evenmin in stand kan blijven. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de arresten van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 december 1999 en 25 januari 2000; verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt Caribbean Rice in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Mund & Fester begroot op € 4.353,86 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 15 februari 2002.