
Jurisprudentie
AD7363
Datum uitspraak2002-01-25
Datum gepubliceerd2002-01-28
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC01/217HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-01-28
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC01/217HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Nr. C 01/217 HR
Mr. M.R. Mok
Zitting 2 november 2001
(bij vervroeging)
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. [Verweerder 1]
2. [Verweerder 2] (niet verschenen)
3. [Verweerder 3]
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. De in cassatie niet verschenen verweerders ([verweerder] c.s.) hebben bij de rechtbank te Dordrecht het faillissement aangevraagd van de vennootschap onder firma [A] en van haar beherende vennoten.
In het verzoekschrift is ook eiser van cassatie ([eiser]) als beherend vennoot genoemd. [Eiser] was ten tijde van het faillissement echter geen beherend vennoot; hij stond ook niet als zodanig ingeschreven in het handelsregister.
1.2. Bij de behandeling van het faillissementsverzoek is alleen [eiser] verschenen. Hij heeft ter zitting niet gesteld dat hij geen beherend vennoot was, maar sprak in plaats daarvan van "wij" en "onze debiteuren".
1.3. De rechtbank heeft [eiser] bij vonnis van 11 maart 1998 failliet verklaard.
[Eiser] is in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Den Haag en heeft toen aangevoerd dat hij geen beherend vennoot was.
Daarop heeft het hof bij arrest van 14 april 1998 het vonnis tot faillietverklaring vernietigd en het verzoek wat betreft [eiser] alsnog afgewezen. Wel heeft het hof 25% van de kosten van de curator ten laste van [eiser] gebracht.
1.4. [Eiser] is vervolgens, wederom voor de rechtbank te Dordrecht, de (onderhavige) procedure tot verkrijging van schadevergoeding begonnen tegen [verweerder] c.s. Hij heeft gesteld dat het verzoek tot faillietverklaring onrechtmatig was en dat hij daardoor materiële en immateriële schade heeft geleden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 14 juni 2000 de vordering afgewezen, omdat het "aan [eiser] toe te rekenen [is] dat ook hij in staat van faillissement is verklaard. Van een aan [verweerder] c.s. toe te rekenen onrechtmatige daad is geen sprake." (ro. 12).
1.5. [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Den Haag.
Het hof heeft bij arrest van 27 maart 2001 het vonnis van de rechtbank - met verbetering van de gronden - bekrachtigd.
1.6. Tegen dit arrest heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen.
2. BESPREKING VAN HET MIDDEL
2.1.1. [Eiser] klaagt allereerst dat art. 6 EVRM is geschonden omdat hem bij de behandeling van het faillissementsverzoek niet is gevraagd in welke hoedanigheid hij is verschenen.
2.1.2. Deze klacht heeft betrekking op een vermeend, niet aan verweerders toe te rekenen, vormverzuim in een andere procedure, nl. de faillissementsprocedure. [eiser] had daartegen kunnen opkomen in het destijds door hem ingestelde hoger beroep tegen de faillietverklaring(1).
Deze klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.
2.2.1. De overige klachten hebben betrekking op de argumenten die het hof tot zijn oordeel hebben gebracht dat, hoewel [verweerder] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld (ro. 6), [eiser] de schade aan zichzelf te wijten heeft en zijn schade billijkheidshalve zelf moet dragen (ro. 7).
[Eiser] betoogt onder meer dat sprake is van een tegenstrijdig arrest, zodat art. 6 EVRM (fair trial) zou zijn geschonden.
2.2.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was van een onrechtmatige daad. [Eiser] droeg, door zijn gedrag ter terechtzitting, zelf schuld aan het gebeurde (ro. 12).
Het hof heeft [eisers] grief tegen afwezigheid van een onrechtmatige daad gehonoreerd, omdat [verweerder] c.s., alvorens het faillissement aan te vragen, het handelsregister hadden moeten consulteren. Het heeft het eigenschuldverweer van [verweerder] c.s. echter gegrond geacht en daarom het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
2.2.3. Dat uit het briefpapier nergens blijkt dat [eiser] vennoot was, doet niet af aan de in de vorige paragraaf weergegeven redenering van het hof.
Overigens hebben [verweerder] c.s. juist betoogd(2) dat de naam van [eiser] wèl voorkomt in het hoofd van het briefpapier van de v.o.f.(3)
2.2.3. Wanneer degene tegen wie een onrechtmatige daad is begaan, zoals het hof heeft overwogen, "in hoge mate zelf schuld heeft" aan de ontstane schade, komt hem slechts een geringe of geen aanspraak op schadevergoeding toe (art. 6:101 BW).
Het hof heeft deze regel toegepast. Zijn arrest is niet tegenstrijdig.
2.3. De klacht dat het hof stellingen van [eiser] zonder meer en zonder nadere motivering heeft gepasseerd, voldoet niet aan de eisen die op grond van art. 407, lid 2, Rv, aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Het middel verduidelijkt immers niet op welke stellingen het 't oog heeft.
Overigens is het oordeel van het hof zozeer verweven met de feiten en omstandigheden van het geval dat het in cassatie niet kan worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk, wat het middel trouwens ook niet aanvoert.
3. CONCLUSIE
Ik concludeer tot verwerping van het beroep, waarbij toepassing van art. 101a van de Wet RO in aanmerking komt, met veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
1. Overigens gaat de klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting. In de faillissementsprocedure, geldt ten aanzien van de schuldenaar die geen getuige is geen met art. 203, lid 1, Rv te vergelijken bepaling.
2. M.v.a., § 3.7., p. 5.
3. Zie prod. 6 en 7 bij c.v.a. in prima.
Uitspraak
25 januari 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/217HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. drs. R.A. van der Hansz,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
2. [Verweerder 2],
3. [Verweerder 3],
allen wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 3 december 1998 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [verweerder] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen in zoverre zullen zijn bevrijd, te veroordelen te betalen de som van ƒ 5.661,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
2. een bedrag ter zake vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade, door de Rechtbank ex aequo et bono vast te stellen op ƒ 2.500,--, of op een zodanig bedrag als de Rechtbank juist zal achten.
[Verweerder] c.s. hebben de vorderingen gemotiveerd bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 31 maart 1999 een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 14 juni 2000 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij arrest van 27 maart 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beant-woording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cas-satie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 januari 2002.

