Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7374

Datum uitspraak2002-02-01
Datum gepubliceerd2002-02-01
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR01/074HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. R01/074HR Mr Huydecoper Parket, 7 december 2001 Conclusie inzake [De man], Verzoeker tot cassatie tegen [De vrouw] Verweerster in cassatie (niet verschenen) Feiten en procesverloop 1) In deze zaak heeft de verweerster in cassatie (de vrouw) nadere vaststelling verzocht van de door de verzoeker tot cassatie (de man) te betalen alimentatie. Partijen verschilden daarbij vooral over één voor de beoordeling van de alimentatieverplichting alleszins wezenlijk gegeven, nl. over de vraag of de vrouw ten opzichte van de man onverantwoord heeft gehandeld door het voortijdig beëindigen van een betrekking voor bepaalde tijd die zij in [...], Marokko, had aanvaard (en die haar in staat stelde om, zolang die betrekking voortduurde, voor het grootste deel in haar eigen onderhoud te voorzien). 2) Wat betreft die vraag heeft het hof, in afwijking van wat de rechtbank in eerste aanleg had beslist, het standpunt van de vrouw gehonoreerd. In het verlengde daarvan heeft het hof, met voorbijgaan aan enige tegenwerpingen van de man aangaande de behoefte van de vrouw, de alimentatie vastgesteld zoals de vrouw had verzocht. Daartegen komt de man in cassatie op(1). De vrouw voert in cassatie geen verweer. Bespreking van het cassatiemiddel 3) Het middel stelt twee verschillende vragen aan de orde, die maar zijdelings verband met elkaar houden. De eerste vraag komt erop neer, of de bestreden beschikking als gebrekkig moet worden aangemerkt omdat daarin een relevant gegeven dat in de procedure naar voren was gekomen, over het hoofd is gezien. 4) Ik meen dat het middel hier met recht over klaagt. Van de kant van de vrouw was, zoals het middel aangeeft, in appel aangevoerd dat zij sinds kort voor de mondelinge behandeling in appel tijdelijk een aantal dagdelen werkt(2). In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is een verklaring van de vrouw van een vergelijkbare strekking opgenomen - met dien verstande dat die verklaring niet inhoudt dat de betreffende werkzaamheden "tijdelijk" zouden zijn(3). Met deze gegevens is niet te rijmen dat, zoals het hof heeft aangenomen, de vrouw momenteel geen inkomsten zou hebben. 5) Een betrekking voor acht uur per week (dit gegeven ontleen ik aan de in het proces-verbaal weergegeven verklaring van de vrouw) of voor "een aantal dagdelen" (pleitnota in appel namens de vrouw) geeft immers, naar algemene ervaringsregels, aanspraak op een honorering die niet als verwaarloosbaar kan worden aangemerkt. Dat kan natuurlijk in bepaalde omstandigheden anders zijn; maar zonder nader onderzoek kan er niet voetstoots van worden uitgegaan dat dat inderdaad anders is. 6) Men kan bij wege van gissing wel redenen bedenken die het hof kunnen hebben doen besluiten om met het hier bedoelde gegeven geen rekening te houden - het hof kan bijvoorbeeld gedacht hebben dat de werkzaamheden waarvan de vrouw mededeling deed inderdaad van (zeer) tijdelijke aard waren, en daarom buiten beschouwing mochten worden gelaten(4). Door dit soort giswerk kan een motiveringsgebrek echter niet worden goedgemaakt(5). Dat wordt ook niet anders door het feit dat aan de motivering van oordelen die alleen de behoefte of de draagkracht van partijen in een alimentatiegeschil betreffen, geen hoge eisen mogen worden gesteld(6). Ook een summiere motivering mag geen onbegrijpelijke vaststelling (of lacune) vertonen. 7) Het kan voorkomen dat een misslag bij de vaststelling van de gegevens die voor een alimentatiebeoordeling bepalend zijn, van zo geringe betekenis is dat daaraan voorbij mag worden gegaan(7). (Ook) dat is echter uitzonderlijk(8). Het thans te beoordelen geval is m.i. te rekenen tot de (meerderheids)categorie waarbij de misslag niet als verwaarloosbaar kan worden gekwalificeerd. Ik acht de klacht dus gegrond. Dat zo zijnde, ga ik niet nader in op een aantal bijkomende argumenten waarmee deze klacht wordt ondersteund. 8) Het tweede onderdeel van het middel, genummerd B, klaagt over het oordeel van het hof dat onaannemelijk is dat de vrouw binnen afzienbare tijd in staat zal zijn om in Nederland een vergelijkbaar inkomen (nl. vergelijkbaar met het inkomen uit haar betrekking in [...]) te verwerven. Voorzover deze klacht voortbouwt op dezelfde bezwaren als de eerste klacht (zie al. 3.7 van de toelichting) meen ik dat die gegrond is, om dezelfde redenen als gelden voor onderdeel A. Voor het overige meen ik daarentegen dat deze klacht niet opgaat. 9) Het eerste argument van de klacht berust, als ik het goed begrijp, erop dat vast zou staan dat de vrouw (nog) geen gerichte pogingen heeft gedaan om een vergelijkbaar inkomen te verwerven. Zonderdien zou het, volgens de klacht, onbegrijpelijk zijn dat kan worden vastgesteld dat de vrouw daartoe vermoedelijk niet in staat zal zijn. 10) Ik ben dat niet met de stelster van het middel eens. Haar kan worden toegegeven dat wanneer een alimentatiegerechtigde geen pogingen in het werk heeft gesteld om zich inkomsten te verschaffen, er aanzienlijk méér ruimte voor twijfel bestaat of de betrokkene daartoe (niet) in staat zal zijn, dan wanneer er wèl pogingen - en wel: tevergeefs - zijn gedaan. Maar dat er, in het algemeen, meer ruimte voor twijfel bestaat betekent nog (lang) niet dat wat de rechter in zo'n twijfelachtige situatie beslist, daarom onbegrijpelijk is. 11) Uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de vrouw haar eerste jeugd achter zich heeft (zij was ten tijde van de bestreden beschikking 54 jaar oud) en dat zij met gezondheidsproblemen te maken heeft gehad (er is sprake van een recente operatie i.v.m. heupklachten(9)). Verder heeft de vrouw zich erop beroepen dat voor de functie waarvoor zij vooral in aanmerking zou komen, nl. leerkracht op een internationale school, de voorkeur uitgaat naar jongere functionarissen en naar (van huis uit) Engelstalige functionarissen. Het ligt in de rede dat dat het hof plausibel is voorgekomen. Als men verder in aanmerking neemt (wat m.i. ook zonder nader feitelijk onderzoek geoorloofd is) dat er in Nederland maar betrekkelijk weinig internationale scholen zijn, en dat het aanbod aan vacatures daar dus navenant gering zal zijn, vind ik het niet moeilijk te begrijpen hoe en waarom het hof heeft kunnen oordelen dat die weg voor de vrouw op afzienbare termijn wel niet begaanbaar zou blijken te zijn. Daarmee ontvalt zowel aan de klacht van al. 3.6 van onderdeel B, alsook aan de klacht van al. 3.7 de grondslag - wat betreft de tweede klacht, omdat het oordeel van het hof noodzakelijkerwijs impliceert dat de vrouw ook niet redelijkerwijs in staat is om het beoogde inkomen te verwerven. 12) Daarmee is dan mede gegeven, dat de klacht van al. 3.8 van middelonderdeel B ongegrond is. Het hof heeft inderdaad - zoals in deze al. met recht wordt verondersteld - geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de vrouw (in redelijkheid - zoals gezegd vind ik dat dit in het betreffende oordeel van het hof besloten ligt) in staat geacht moet worden om zich op afzienbare termijn in Nederland een vergelijkbaar inkomen te verwerven; en tevens, dat de vrouw niet verwijtbaar ten opzichte van de man heeft gehandeld door, kort gezegd, haar dienstbetrekking in Marokko eerder te beëindigen. Waarom het van belang zou zijn dat deze beslissingen (alleen) in de hier aangegeven volgorde worden genomen en niet in de omgekeerde volgorde (zoals in de bestreden beschikking is gebeurd), ontgaat mij. Zoals ik eerder opmerkte, hadden de partijen zich in deze zaak geconcentreerd op het tweede punt, dus op de vraag of de vrouw verkeerd gehandeld had door haar baan in Marokko op te zeggen. Dan roept men wel over zich af dat de rechter dat punt ook het eerst onder ogen zal zien, ook al zou strikt genomen behandeling in een andere volgorde meer in aanmerking komen. Inhoudelijk verschil maakt dat overigens niet. 13) Voor de vraag of de vrouw met recht aanspraak maakte op (volledig(10)) levensonderhoud moest het inderdaad zo zijn dat zij zich in redelijkheid niet zelf kon onderhouden, en ook dat haar opgeven van haar baan niet als "verwijtbaar"(11) t.o.v. de man viel aan te merken. Beide heeft het hof dan ook onderzocht, met voor de vrouw positieve uitkomst. Daarbij is het inderdaad zo dat het tweede gegeven alleen dan van belang is als tevens aan de eerste voorwaarde voldaan is - maar waarom dat er dan toe noodzaakt beide gegevens (alleen) in die volgorde te onderzoeken, is mij ook bij herhaalde heroverweging niet duidelijk geworden. Dus houd ik het er maar op dat die gedachte niet juist is. Conclusie Ik concludeer tot vernietiging van de bestreden beschikking. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Bij verzoekschrift van 5 juni 2001, d.i. binnen de cassatietermijn. De bestreden beschikking is van 3 april 2001, maar 3 en 4 juni 2001 waren algemeen erkende feestdagen (Pinksteren). 2 Pleitnotities mr. Verpaalen (dossnr. 12), p. 3 bovenaan. 3 Proces-verbaal van 13 maart 2001 (dossnr. 13), p. 2, tweede volle alinea. 4 Onderdeel A van het middel oppert in al. 3.4 nog een andere mogelijke - maar uit de bestreden beschikking niet blijkende - redenering die het voorbijgaan aan de door de vrouw vermelde werkzaamheden zou kunnen verklaren. Ik verheel niet dat mij het meest aannemelijk lijkt, dat het hof dit gegeven gewoon niet heeft opgemerkt. 5 Zie bijvoorbeeld al. 2.8 van de conclusie van A-G Langemeijer bij HR 12 november 1999, NJ 2000, 102. 6 Van de vele beslissingen van de HR waaruit dat blijkt noem ik HR 19 oktober 2001, JOL 2001, 548, rov. 3.4; HR 9 februari 2001, JOL 2001, 103, rov. 3.3; HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.3; HR 26 juni 1998, NJ 1998, 672, rov. 3 (slot); HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.5; zie ook al. 2.12 t/m 2.16 van de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 4 september 1998, NJ 1998, 827 en rov. 3.5 van die beslissing. 7 In HR 24 november 1995, NJ 1996, 260, rov. 3.2 (slot) werd dat bijvoorbeeld aangenomen m.b.t. een vergissing die per saldo f. 33,- per maand verschil opleverde, wat in verhouding tot de verdere bedragen die in die zaak aan de orde waren te verwaarlozen was. 8 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333 en HR 14 april 2000, NJ 2000, 359, rov. 3.2. laten voorbeelden zien van een vergissing of een ondeugdelijke motivering anderszins, met betrekking tot bedragen die slechts van bescheiden invloed op de uitkomst van de alimentatievaststelling konden zijn, maar waarbij wèl een motiveringsgebrek werd aangenomen. 9 Volgens het appelrekest, p. 5 onderaan, is de vrouw van deze operatie geheel hersteld. Dat sluit niet uit dat de ziektegeschiedenis bij het vinden van een werkkring als bezwaar wordt ervaren. 10 D.w.z. zonder dat daar met het oog op haar eigen verdiencapaciteit of met het oog op het laakbaar prijsgeven van inkomensbronnen, meer of minder op in aftrek wordt gebracht. 11 HR 24 april 1998, NJ 1998, 603, rov. 3.4, waarnaar het middel in dit verband terecht verwijst, gebruikt overigens een wat behoedzamer formulering.


Uitspraak

1 februari 2002 Eerste Kamer Rek.nr. R01/074HR AP Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [De man], wonende te [woonplaats], Rusland, VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand, t e g e n [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. 1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 29 februari 2000 ter griffie van de Rechtbank te Zutphen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht, met wijziging van de beschikking van 12 oktober 1999 van de Rechtbank te 's-Gravenhage, de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op een bedrag van ƒ 7.427,41. Verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - heeft het verzoek bestreden. De Rechtbank heeft na een tussenbeschikking van 10 mei 2000 bij eindbeschikking van 3 oktober 2000 de bij beschikking van 12 oktober 1999 bepaalde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw gewijzigd en deze met ingang van 1 februari 2000 vastgesteld op een bedrag van ƒ 3.800,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tegen de eindbeschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij beschikking van 3 april 2001 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank van 3 oktober 2000 vernietigd en, opnieuw beschikkende, de beschikking van de rechtbank van 12 oktober 1999 gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2000 een bedrag van ƒ 7.427,41 aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal betalen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking. 3. Beoordeling van het middel 3.1 Het gaat in deze alimentatieprocedure om het volgende. Nadat bij de beschikking waarin echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, aan de vrouw ten laste van de man een alimentatie van ƒ 7.083,33 per maand was toegekend (zie hiervoor onder 1), is bij beschikking van 12 oktober 1999 die alimentatie bepaald op ƒ 2.250,-- per maand. Over dit bedrag aan alimentatie hadden partijen overeenstemming bereikt; de grond voor de verlaging vormde het feit dat de vrouw inmiddels een arbeidsovereenkomst voor de periode van 31 augustus 1998 tot 30 augustus 2000 had afgesloten met de Internationale School te [...] (Marokko). De vrouw is in Marokko gaan werken, doch heeft met ingang van 1 februari 2000 de arbeidsovereenkomst met de Internationale School beëindigd en is teruggekeerd naar Nederland. In de onderhavige procedure heeft zij verzocht, met wijziging van laatstgenoemde beschikking, de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te bepalen op ƒ 7.427,41 per maand. De man heeft het verzoek bestreden, waarbij hij heeft aangevoerd dat de voortijdige beëindiging van het dienstverband niet voor zijn rekening diende te komen. De Rechtbank heeft, onder meer op de grond dat de vrouw zich met het oog op de belangen van de man had behoren te onthouden van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, de alimentatie vastgesteld op ƒ 3.800,-- per maand. Op het hoger beroep van de vrouw heeft het Hof de alimentatie vastgesteld op het door de vrouw verzochte bedrag van ƒ 7.427,41. 3.2 Onderdeel A betoogt dat voor het Hof is aangevoerd dat de vrouw een aantal dagdelen per week werkt, dat dit een voor de bepaling van de alimentatie relevant gegeven is en dat de beschikking dan ook niet in stand kan blijven. Het onderdeel wijst erop dat zowel in de pleitnotities van mr. Verpaalen als in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het Hof is vermeld dat de vrouw enige dagdelen c.q. uren per week werkt, zodat onbegrijpelijk is dat het Hof in rov. 3.6 heeft overwogen "Behalve de (verlaagde) alimentatie heeft de vrouw momenteel geen inkomsten." Het onderdeel slaagt. Laatstvermelde overweging van het Hof is niet begrijpelijk in het licht van hetgeen in de procedure voor het Hof door de vrouw (zij geeft 8 uur per week les in expressie aan een internationale schakelklas voor asielzoekers) en door de raadsman van de man is meegedeeld. Nu eventuele inkomsten van de vrouw van belang kunnen zijn voor de bepaling van de hoogte van de alimentatie, kan de beslissing van het Hof niet in stand blijven. 3.3 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 3 april 2001; verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 februari 2002.