
Jurisprudentie
AD7702
Datum uitspraak2001-09-08
Datum gepubliceerd2002-06-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 00/00273
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-06-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 00/00273
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 00/00273
8 september 2001
CJIB 27087205
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Rotterdam
van 11 augustus 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo gegrond verklaard voor zover het de motiveringsplicht van de officier van justitie betreft, het beroep voor het overige ongegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie gehandhaafd. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van betrokkene om de Staat der Nederlanden te veroordelen in de kosten als bedoeld in art. 13a WAHV afgewezen.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. In het beroepschrift is verzocht de Staat der Nederlanden (het hof leest: de advocaat-generaal) te veroordelen in de proceskosten.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Hierbij is verzocht om een behandeling van het beroep ter zitting.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 23 augustus 2001. De betrokkene is verschenen bij gemachtigde. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr J. Dijkstra.
Nadien heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.
3. Beoordeling
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,--.
3.2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep niettemin ontvankelijk is. Daartoe wijst hij - kort samengevat - op het volgende. De officier van justitie heeft de betrokkene niet opgeroepen om op zijn beroep tegen de inleidende beschikking te worden gehoord, doch dat beroep gebruikmakend van standaardzinnen - slagroomzinnen aldus de gemachtigde van de betrokkene - zonder meer en ook zonder specifiek in te gaan op hetgeen namens de betrokkene is aangevoerd ongegrond verklaard. Daarmee wentelt de officier van justitie de inhoudelijke behandeling af op de kantonrechter en wordt daarmee de dubbele inhoudelijke beoordeling teruggebracht tot een enkele. Voorts voert de gemachtigde van de betrokkene aan dat hij in de procedure bij de kantonrechter geen inzage in het dossier heeft gehad, waardoor hij bij de kantonrechter geen feitelijk verweer heeft kunnen voeren. Tenslotte stelt de gemachtigde van de betrokkene dat de kantonrechter het beroep gegrond had moeten verklaren, de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen en de zaak ter inhoudelijke beoordeling had moeten terugwijzen naar de officier van justitie. Door daarentegen het beroep afgezien van de klacht over het schenden van de motiveringsplicht door de officier van justitie ongegrond te verklaren is de kantonrechter, aldus de gemachtigde van de betrokkene, buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV getreden dan wel heeft de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Derhalve is doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV gewettigd.
3.3. De beslissing van de officier van justitie houdt in: "De door betrokkene aangevoerde argumenten waarom de administratieve sanctie niet had moeten worden opgelegd zijn, gelet op de wettelijke bepalingen en afgewogen tegen de overige gegevens in deze zaak, naar het oordeel van de officier van justitie ontoereikend om de beschikking te vernietigen of de sanctie te matigen. De officier van justitie verklaart daarom het beroep ongegrond.
De officier van justitie heeft betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord, aangezien na bestudering van de stukken is gebleken dat het beroep (kennelijk) ongegrond is.".
3.4. Nu de officier van justitie uitdrukkelijk overweegt waarom hij de betrokkene niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord, moet worden aangenomen dat de officier van justitie heeft gebruik gemaakt van de hem in art. 7:17 Awb geboden mogelijkheid van het horen van de betrokkene af te zien omdat het beroep in zijn ogen kennelijk ongegrond was.
3.5. In het licht van het voorgaande moet het standpunt van de betrokkene kennelijk aldus worden begrepen, dat de officier van justitie ten onrechte gebruik heeft gemaakt van bedoelde door art. 7:17 Awb genoemde mogelijkheid, dan wel dat de officier van justitie alleen van die mogelijkheid gebruik zou mogen maken indien hij specifiek ingaat op hetgeen door of namens een betrokkene wordt aangevoerd en dat derhalve de kantonrechter door het beroep ongegrond te verklaren is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling.
3.6. Bij brief van 6 juni 2000 heeft de griffier van het kantongerecht de gemachtigde opgeroepen voor de zitting van 28 juli 2000. In deze brief is aangegeven dat de stukken gedurende de periode van 17 juli 2000 tot en met 21 juli 2000 op de griffie ter inzage liggen. Of de gemachtigde van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, laat hij desgevraagd in het midden. Wel staat vast dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid afschrift van de stukken te verzoeken. Waarom hij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, is in het licht van de omstandigheid dat hij uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de gemachtigde van de betrokkene - naar hij stelt - geen inzage in het dossier zou hebben gehad, komt derhalve voor rekening van de betrokkene.
3.7. De gemachtigde van de betrokkene is ter zitting verschenen en heeft aldaar het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.
3.8. De kantonrechter is in zijn beslissing uitgebreid ingegaan op de door de gemachtigde van de betrokkene ter zitting van de kantonrechter gevoerde verweren.
3.9. De kantonrechter overweegt "zelf onderzoek doende, dat de foto duidelijk is en dat de betrokkene, geregistreerd als kentekenhouder, aansprakelijk is voor de gedraging zoals op die foto is vastgesteld". Anders dan de betrokkene wil, dient deze passage niet zo te worden verstaan, dat de kantonrechter na en buiten de behandeling van de zaak om onderzoek heeft gedaan naar een - overigens tot het voor de (gemachtigde van de) betrokkene voor inzage beschikbaar dossier behorende - foto.
3.10. In de in r.o. 3.6 - 3.9 genoemde omstandigheden kan niet gezegd worden dat de kantonrechter door het beroep - afgezien van de klacht over het schenden van de motiveringsplicht door de officier van justitie - ongegrond te verklaren is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV is derhalve geen plaats.
3.11. Uit het vorenoverwogene volgt, dat de betrokkene niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. Daaruit vloeit voort dat het verzoek tot vergoeding van proceskosten dient te worden afgewezen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs Kalsbeek, voorzitter, Vellinga en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

