
Jurisprudentie
AD7705
Datum uitspraak2001-09-12
Datum gepubliceerd2002-06-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 01/00120
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-06-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 01/00120
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 01/00120
12 september 2001
CJIB 32218623
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Hilversum
van 12 januari 2001
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. De bestreden beslissing is blijkens de daarop geplaatste mededeling op 26 januari 2001 aan de betrokkene toegezonden. Het beroepschrift, gedateerd 9 maart 2001, is blijkens het daarop geplaatste stempel op 14 maart 2001 ter griffie van het kantongerecht ontvangen. Het hof neemt aan dat de betrokkene dit beroepschrift per post heeft verzonden. Bij de stukken bevindt zich echter niet de envelop waarin die verzending is geschied, zodat niet aan de hand daarvan kan worden vastgesteld op welke datum de afstempeling op het postkantoor heeft plaatsgevonden. De mogelijkheid bestaat dan ook dat het beroepschrift binnen de beroepstermijn van zes weken ter post is bezorgd.
3.2. Nu het hof niet kan nagaan op welke datum het beroepschrift ter post is bezorgd, moet het ervoor worden gehouden dat dit voor het einde van de beroepstermijn is gebeurd, zodat het beroepschrift, dat niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen, tijdig is ingediend.
3.3. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van fl 180,-- opgelegd ter zake van "niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg", welke gedraging zou zijn verricht op 26 februari 2000 op de Rijksweg A1 Zuidbaan in de gemeente Naarden.
3.4. De betrokkene stelt, dat zij de gedraging weliswaar heeft begaan, doch onder zodanige omstandigheden, dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel dat deze dienen te leiden tot matiging van de opgelegde sanctie. Daartoe wijst zij er op, dat zij niet bewust veel op de linker baan heeft gereden, dat zij niemand hinderde en tijdig naar rechts ging indien een auto haar wilde passeren, dat zij de maximumsnelheid niet heeft overschreden en dat het op het tijdstip van aanhouding erg rustig was op de weg. Tenslotte heeft zij aangevoerd, dat het kenteken [nummer] haar onbekend is en niet bij haar auto hoort.
3.5. Het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van de agent van politie Baauw, die de administratieve sanctie heeft opgelegd, houdt onder meer in: "Vanaf hectometerpaal 15.5 werd betrokkene gevolgd tot en met hectometerpaal 21.8. Tijdens het gehele traject reed betrokkene over de middenbaan terwijl de rechter vrij was, dan wel meerdere malen over grote lengte vrij was."
3.6. Reeds gelet op de uit voormeld proces-verbaal blijkende grote afstand waarover de betrokkene in strijd met het bepaalde in art. 3, eerste lid, RVV1990 nodeloos van de middelste rijstrook dan wel de linker rijstrook gebruik heeft gemaakt, leiden de door de betrokkene genoemde omstandigheden er niet toe, dat dient te worden afgezien van het opleggen van een administratieve sanctie dan wel dat de opgelegde administratieve sanctie dient te worden gematigd.
3.7. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de betrokkene, dat het kenteken [nummer] onbekend is en niet bij haar auto hoort, nu zij is staande gehouden en er mitsdien geen twijfel over kan bestaan dat zij met het door haar bestuurde motorrijtuig de gedraging heeft begaan.
3.8. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de kantonrechter het beroep - wat er ook zij van hetgeen de kantonrechter dienaangaande heeft overwogen - terecht ongegrond heeft geoordeeld. De bestreden uitspraak kan derhalve worden bevestigd.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.

