Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD7745

Datum uitspraak2001-09-13
Datum gepubliceerd2002-06-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 01/00152
Statusgepubliceerd


Uitspraak

WAHV 01/00152 13 september 2001 CJIB 26398269 Gerechtshof te Leeuwarden Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter te Eindhoven van 14 november 2000 betreffende [betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene), gevestigd te [adres], vertegenwoordigd door [gemachtigde], wonende te [adres]. 1. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 16 februari 2000 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Het procesverloop De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld ter zitting van 30 augustus 2001. De vertegenwoordiger van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mw mr T.H. Pitstra. Na de behandeling ter zitting heeft de voorzitter de zaak ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. 3. Beoordeling 3.1. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat de kantonrechter de betrokkene niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn verzet, omdat het in strijd met het bepaalde in art. 26, derde lid, WAHV bij de officier van justitie ingediende verzetschrift na het verstrijken van de termijn, als bedoeld in art. 26, derde lid, WAHV, bij het kantongerecht is binnengekomen, terwijl de officier van justitie niet verplicht was tot doorzenden van het ten onrechte bij hem ingediende verzetschrift. 3.2. Blijkens de gedingstukken is het dwangbevel op 23 februari 2000 aan de betrokkene betekend. Gelet op het bepaalde in art. 26, derde lid, WAHV, diende het verzetschrift derhalve uiterlijk op 8 maart 2000 door het kantongerecht te zijn ontvangen. De betrokkene heeft een op 8 maart 2000 gedateerd verzetschrift gericht aan de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden en heeft het op dezelfde dag per telefax verzonden. De officier van justitie heeft het verzetschrift kennelijk ter verdere behandeling doorgestuurd naar het CJIB. Het CJIB heeft de betrokkene bij brief van 27 maart 2000 bericht, dat de fax is doorgezonden naar het kantongerecht te Eindhoven, hetgeen blijkens een bij die brief gevoegd afschrift van een brief aan dat kantongerecht op dezelfde dag is geschied. Op 28 maart 2000 is het verzetschrift bij dat kantongerecht binnen gekomen. 3.3. Ingevolge het bepaalde in art. 1:4, tweede lid, Awb is hoofdstuk 6 van de Awb op een procedure als de onderhavige van toepassing uitgesloten. Dat geldt derhalve ook voor het bepaalde in art. 6:15 Awb, dat een doorzendplicht bevat ten aanzien van bezwaar- en beroepschriften, ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde (administratieve) rechter en tevens een regeling biedt voor de vraag in welke gevallen het tijdstip van indiening van een dergelijk bezwaar- of beroepschrift bij het onbevoegde orgaan- of de onbevoegde rechter bepalend kan zijn voor het tijdig indienen ervan. Op de onderhavige procedure (omschreven in hoofdstuk VIII van de WAHV) is evenmin enige andere regeling van procedurele aard van toepassing. Met een en ander is echter niet zonder meer gezegd, dat de betrokkene in zijn verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het enkele feit dat het verzetschrift na de daarvoor gestelde termijn bij het kantongerecht is binnen gekomen. 3.4. De wijze waarop de rechtsingang is geregeld in art. 26, derde lid, WAHV, vertoont gelijkenis met de wijze waarop de rechtsingang is geregeld in 9, eerste lid, WAHV. Niet valt in te zien, om welke reden een op grond van eerstgenoemd artikel bij een onbevoegd orgaan ingediend verzetschrift niet zou behoren te worden doorgezonden en een op gelijke wijze op grond van art. 9 WAHV ingediend beroepschrift ingevolge het bepaalde in art. 6:15 Awb wel. Dit klemt in het licht van het bepaalde in de tweede volzin van art. 9, eerste lid, WAHV temeer nu in het onderhavige geval het beroepschrift - zij het ten onrechte - is gericht aan de officier van justitie te Leeuwarden, te weten het orgaan, dat het dwangbevel, welker tenuitvoerlegging de betrokkene wenste te bestrijden, heeft doen uitvaardigen. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van het hof, dat de officier van justitie te Leeuwarden het ten onrechte door de betrokkene bij hem ingediende verzetschrift had behoren door te zenden aan de bevoegde kantonrechter, te weten de kantonrechter te Eindhoven. 3.5. Vervolgens rijst de vraag, of het verzetschrift geacht kan worden tijdig te zijn ingediend. Die vraag beantwoordt het hof uitgaande van het onder 3.4. weergegeven oordeel, dat in het onderhavige geval een verplichting tot doorzending in acht had moeten worden genomen, overeenkomstig het voorschrift van art. 6:15, eerste lid, Awb. Er is vervolgens (ook) aanleiding aansluiting te zoeken bij artikel 6:15, derde lid, Awb. De huidige tekst van dat artikel noemt drie gevallen, waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag, of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend. Binnen afzienbare termijn echter zal het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan in alle gevallen (behoudens het geval waarin sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht) bepalend zijn, gezien de op korte termijn te verwachten invoering van de Eerste Evaluatiewet Awb, die tot een dienovereenkomstige wijziging van artikel 6:15 Awb zal leiden. (Kamerstukken I, 2000-2001, 26523, nr.151). Er bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen dan dat het verzetschrift, dat tijdig bij de officier van justitie is binnengekomen, tijdig is ingediend. 3.6. Het in de uitspraak van de kantonrechter besloten liggende oordeel, dat het verzetschrift tijdig was ingediend, is derhalve juist. 3.7. De betrokkene voert ter terechtzitting verweer tegen het opleggen van de sanctie. 3.8. Ingevolge artikel 26, derde lid, WAHV kan het verzet tegen een dwangbevel niet gericht zijn tegen de beschikking waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. Aan die bepaling ligt het beginsel ten grondslag dat tegen de oplegging van de administratieve sanctie een met waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan en dat, ingeval deze rechtsgang niet is gebruikt, de rechter die in de verzetprocedure heeft te oordelen over de gegrondheid van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, ervan kan, en moet uitgaan dat de inleidende beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De aan dit beginsel verbonden bezwaren kunnen evenwel door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval, een uitzondering moet worden aanvaard. Van zodanige uitzondering kan met name sprake zijn wanneer een betrokkene uit verklaringen en gedragingen van de overheid in redelijkheid heeft mogen afleiden dat de bij de inleidende beschikking opgelegde sanctie niet zou worden geëffectueerd. (vgl. HR 13 februari 1996, VR 1996, 228). 3.9. In de onderhavige zaak zijn gedragingen of verklaringen van de overheid in vorenbedoelde zin niet gesteld of gebleken. Ook is er niet sprake van andere bijkomende omstandigheden, waardoor de aan het beginsel verbonden bezwaren dermate klemmend worden, dat hierop, gezien de bijzonderheden van het gegeven geval een uitzondering moet worden aanvaard. Daardoor kan het verzet niet gericht zijn tegen de beslissing waarbij de administratieve sanctie werd opgelegd. 3.10. De betrokkene stelt tenslotte, dat de betrokkene tijdig in beroep is gekomen tegen de initiële beschikking en dat de procedure nog aanhangig is, nu geen enkele reactie werd ontvangen op het beroepschrift van 17 mei 1999 aan de officier van justitie. Weliswaar is een exemplaar van dat beroepschrift door de betrokkene overgelegd, doch de officier van justitie heeft het stuk niet bereikt. Ook ter zitting heeft de betrokkene niet aannemelijk gemaakt, dat de brief d.d. 17 mei 1999 ook daadwerkelijk aan de officier van justitie is verzonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de initiële beschikking onherroepelijk is geworden. 3.11. De bestreden beslissing dient derhalve te worden bevestigd. 4. De beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Deze beschikking is gegeven door mrs Huisman, als voorzitter, Vellinga en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Bennen als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.