
Jurisprudentie
AD7799
Datum uitspraak2002-02-12
Datum gepubliceerd2002-02-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03195/00
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-02-20
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03195/00
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Nr. 03195/00
Mr Machielse
Zitting: 11 december 2001
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Bij arrest van 10 maart 2000 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld ter zake van "smaadschrift" tot een geldboete van duizend gulden subsidiair twintig dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de vordering van de benadeelde partij [betrokkene A] toegewezen tot een bedrag van duizend gulden en is aan verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling van genoemd bedrag aan de Staat, subsidiair twintig dagen hechtenis, waarbij is bepaald dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de ander doet vervallen.
2. Door verzoeker is een aantal geschriften aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden, die echter geen van alle een als cassatiemiddel aan te merken klacht bevatten.
3.1. Mr. J.W. Helsdingen, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand, heeft een geschrift aan de Hoge Raad doen toekomen, met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.
3.2. In dat geschrift wordt onder meer verzocht om toekenning van een schadevergoeding aan [betrokkene B], naar ik uit de stukken afleid, de echtgenoot van het slachtoffer [betrokkene A]. De stukken van het geding houden echter niet in dat [betrokkene B] zich als benadeelde partij in het strafgeding tegen verzoeker heeft gevoegd. Voor toekenning van een schadevergoeding op de voet van artikel 361 Sv in het kader van de onderhavige strafzaak, kan dan ook geen sprake zijn. In zoverre bevat het geschrift dus niet een middel over een rechtspunt hetwelk uitsluitend de vordering van de benadeelde partij betreft en dient het dus buiten bespreking te blijven (art. 437 Sv).
3.3. Ook overigens kan het geschrift onbesproken blijven nu daarin geen klachten zijn vervat die een rechtspunt raken betreffende de vordering van de benadeelde partij [betrokkene A]. De enkele klacht dat de door het hof toegekende schadevergoeding niet in verhouding staat tot de aantasting van de goede naam van het slachtoffer en de als gevolg daarvan geleden psychische schade kan niet als zodanig gelden.
4. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
12 februari 2002
Strafkamer
nr. 03195/00
ACH/LD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 maart 2000, nummer 21/000707-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1920, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zwolle van 16 februari 1998 - de verdachte ter zake van "smaadschrift" veroordeeld tot een geldboete van éénduizend gulden, subsidiair twintig dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd alsmede de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander op de wijze zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft diverse geschriften ingediend die evenwel niet kunnen worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen van cassatie.
Namens de benadeelde partij heeft mr. J.W. Helsdingen, als gemachtigde van de benadeelde partij, een schriftuur ingediend die evenwel niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen van cassatie.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de gemachtigde van de benadeelde
partij op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Daarom moet het cassatieberoep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 12 februari 2002.

