
Jurisprudentie
AD7808
Datum uitspraak2001-09-19
Datum gepubliceerd2002-06-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 01/00244
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-06-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 01/00244
Statusgepubliceerd
Uitspraak
WAHV 01/00244
19 september 2001
CJIB 19457531
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter te Wageningen
van 15 december 2000
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde], wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft - nadat de Hoge Raad de zaak had teruggewezen - de beslissing van de officier van justitie vernietigd en de zaak terugverwezen naar de officier van justitie opdat deze alsnog op het beroep kan beslissen.
De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. In zijn beroepschrift doet de gemachtigde een verzoek tot proceskostenveroordeling. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Op 1 januari 2000 is in werking getreden de Wet van 28 oktober 1999 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie en van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna te noemen: de Wet), strekkende tot vervanging van de mogelijkheid van beroep in cassatie door de mogelijkheid van hoger beroep, alsmede het aanbrengen van enige andere wijzigingen (Stb. nr. 469). Vanaf voormelde datum kan ingevolge artikel 14, eerste lid, WAHV tegen de beslissing van het kantongerecht hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden, indien de opgelegde sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan ƒ 150,-- of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV.
3.2. De aan betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 100,--. De gemachtigde stelt dat gezien het aanvangstijdstip (de zaak stamt uit 1998) van het voorliggende geding en het verloop ervan afdoening door de Hoge Raad meer voor de hand ligt. Voorts stelt de gemachtigde dat - indien het sanctiebedrag onvoldoende is om tot hoger beroep bij het gerechtshof Leeuwarden te leiden - het door de betrokkene geclaimde bedrag aan proceskosten (ƒ 500,=) naar doel en strekking van de wet voldoende geacht moet worden om het hoger beroep in behandeling te nemen.
3.3. De overgangsbepaling bij de Wet luidt - voor zover hier van belang -:
"Artikel III
1. Voor de mogelijkheid om beroep in cassatie in te stellen tegen een uitspraak van de kantonrechter die voor of op de dag van inwerkingtreding van deze wet is gedaan, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.
2. Voor de behandeling van het beroep in cassatie dat voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is ingesteld, dan wel met toepassing van het eerste lid na de dag van inwerkingtreding is ingesteld, blijft het recht zoals dat gold voor het tijdstip van toepassing."
3.4. Nu de beslissing van de kantonrechter is genomen na de dag van inwerkingtreding van de Wet is in het onderhavige geval de Wet van toepassing zoals deze geldt vanaf 1 januari 2000. De opvatting van de gemachtigde dat afdoening van de onderhavige zaak door de Hoge Raad geïndiceerd is, vindt noch in de hiervoor aangehaalde overgangsbepaling noch anderszins steun in het recht.
3.5. Gemachtigdes stelling dat de hoogte van het door de betrokkene geclaimde bedrag aan proceskosten van ruim ƒ 500,= naar doel en strekking van de wet tot ontvankelijkheid van het hoger beroep zou dienen te leiden vindt noch steun in de wet, noch steun in de wetsgeschiedenis.
3.6. Het vorenoverwogene brengt mee, dat de betrokkene niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep. De omstandigheid dat de kantonrechter naar de opvatting van de gemachtigde heeft verzuimd te beslissen op het verzoek tot proceskostenveroordeling doet daaraan niet af. Die omstandigheid brengt immers niet mee dat de kantonrechter is getreden buiten het toepassingsgebied van art. 9 WAHV dan wel dat de kantonrechter zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging heeft geschonden dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voor een doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV is derhalve geen plaats.
3.7. Gelet op de niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in zijn hoger beroep zal het hof het verzoek tot proceskostenveroordeling afwijzen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mrs Vellinga, Kalsbeek en Van Dijk, in tegenwoordigheid van mr Vlietstra, als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.

