
Jurisprudentie
AD7858
Datum uitspraak2002-01-04
Datum gepubliceerd2002-01-14
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers1346
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-01-14
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers1346
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
MR. J.W. ILSINK
ADVOCAAT-GENERAAL
Nr. 1346
Derde Kamer B
Landinrichtingswet
Conclusie van 31 oktober 2001 inzake:
[eiser]
tegen
DE LANDINRICHTINGSCOMMISSIE VOOR DE RUILVERKAVELING "WALCHEREN"
1. Bij vonnis van 28 maart 2001, nr. 117/01, heeft de arrondissementsrechtbank te Middelburg uitspraak gedaan op de bezwaren van [eiser] tegen het door de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Walcheren" opgestelde plan van toedeling (art. 202, onder e, jo. art. 185 Landinrichtingswet).
2. Bij brief van 11 augustus 2001, ingekomen bij de Hoge Raad op 22 augustus 2001, heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld tegen dit vonnis.
3. Ingevolge art. 202, onder f, jo. art. 186 Landinrichtingswet staat echter tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank op bezwaren tegen het plan van toedeling geen rechtsmiddel open, dus ook geen beroep in cassatie.
4. Ik concludeer dan ook tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden
D e r d e K a m e r
Nr. 1346
4 januari 2002
RW
BESCHIKKING
In de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats]
verzoeker tot cassatie,
tegen
de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Walcheren".
1. Geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van 28 maart 2001 heeft de Arrondissementsrechtbank te Middelburg (hierna: de Rechtbank) het bezwaar van [eiser] met betrekking tot een strook grond langs de [straat] niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren van [eiser] tegen het plan van toedeling voor de ruilverkaveling "Walcheren" verworpen. Het vonnis is aan deze beschikking gehecht.
2. Geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] bij verzoekschrift van 14 september 2001, bij de Hoge Raad ingekomen op 18 september 2001, beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 31 oktober 2001 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn beroep in cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 202, aanhef en letter f, van de Landinrichtingswet in verbinding met het bepaalde in artikel 186 van de Landinrichtingswet staat tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank op bezwaren tegen het plan van toedeling geen rechtsmiddel open.
3.2. Voorts dient ingevolge het bepaalde in artikel 426a, lid 1, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een verzoekschrift, waarbij een beroep in cassatie wordt aangebracht, te worden getekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
3.3. Nu het onderhavige verzoekschrift is gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank waartegen geen rechtsmiddel openstaat en het verzoekschrift niet is getekend door een advocaat bij de Hoge Raad, dient het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W. van den Berge, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2002.

