
Jurisprudentie
AD8172
Datum uitspraak2002-03-01
Datum gepubliceerd2002-03-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/140HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-03-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/140HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
Mr. A.S. Hartkamp
nr. C00/140HR
Zitting 21 december 2001
Conclusie inzake
Garage- en Automobielbedrijf Rapide B.V.
Tegen
Auto Palace-De Binckhorst B.V.
1) Tussen partijen heeft een zogenaamd dealer-contract bestaan in verband met de verkoop van auto's van het merk Mazda. De verweerster in cassatie (hierna De Binckhorst) heeft deze overeenkomst in september 1990 opgezegd, waarna Rapide haar bedrijf in november 1990 heeft gestaakt. Op vordering van de eiseres tot cassatie (hierna Rapide) heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 11 mei 1994 het vonnis van de Haagse Arrondissementsrechtbank van 26 februari 1992 bekrachtigd, waarbij die opzegging als een ernstige tekortkoming werd aangemerkt, die De Binckhorst tot schadevergoeding jegens Rapide verplichtte.
2) Daarna hebben partijen bij de rechtbank verder geprocedeerd over de omvang van de schade. In cassatie is van belang de schade bestaande uit winstderving.
Bij conclusie na comparitie tevens wijziging van eis van 19 maart 1996 heeft Rapide, onder verwijzing naar een op 15 december 1995 door Moret Ernst & Young opgemaakt rapport inzake goodwill-berekening (prod. XI), een berekening opgesteld "op basis van een schadeberekeningsperiode van drie jaar" (p. 13) en daarbij over de jaren 1990, 1991 en 1992 bedragen opgegeven, tezamen ƒ 391.000,- bedragende.
Ook op p. 10 wordt deze opstelling gegeven, waarna wordt gesteld: "Rapide heeft op basis van de in deze conclusie geproduceerde nadere stukken en rapporten ten behoeve van de overzichtelijkheid hierna een opstelling van de schade-elementen vervaardigd."
Op beide plaatsen heeft Rapide ook verwezen naar een vervolgrapport van Moret van 15 januari 1996 inzake prognoses 1990 tot en met 1992 (prod. IV). In het voorwoord van dit rapport wordt vermeld dat namens Rapide aan Moret opdracht is verleend "het rendement zoals genoemd in het rapport d.d. 15 december 1995 van Moret Ernst & Young Corporate Finance B.V. door te rekenen naar de jaren 1990 tot en met 1992".
3) De rechtbank heeft in haar vonnis van 18 sept. 1996 de op winstderving betrekking hebbende vordering afgewezen, omdat zij aannemelijk achtte dat na 1989 geen winst meer zou zijn gemaakt.
Tegen dit oordeel kwam Rapide op met haar grief IX. In de toelichting op deze grief verwees zij weer naar de beide genoemde rapporten van Moret en noemde zij de jaren 1990, 1991 en 1992 als jaren waarin Rapide als Mazda-dealer nu juist een goed resultaat had kunnen boeken.
Het hof heeft in zijn (tijdig met twee klachten in cassatie bestreden) arrest van 26 januari 2000 geoordeeld dat "Rapide er, gelet op haar berekening van de schade en op haar toelichting tijdens de laatste pleidooien, kennelijk vanuit (gaat) dat zij gerechtigd is tot vergoeding van haar schade over de periode van september 1990 tot en met december 1992."
De eerste cassatieklacht van Rapide komt hiertegen op met de stelling dat het hof heeft miskend dat zij schadevergoeding heeft geëist over een periode van drie jaar (kennelijk te rekenen vanaf september 1990). Ik meen dat deze klacht faalt, aangezien de aan het hof als feitenrechter voorbehouden lezing van de zijdens Rapide naar voren gebrachte stellingen (zie hierboven onder 2) m.i. niet onbegrijpelijk is.
4) Het hof heeft het geraden geacht over een aantal schadeposten een deskundigenrapport in te winnen. De daartegen gerichte tweede cassatieklacht stuit af op het feit dat het aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt, is overgelaten om te beslissen welke deskundige voorlichting hij behoeft (HR 8 juni 2001, RvdW 2001, 109, r.o. 3.5.3).
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Uitspraak
1 maart 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/140HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
GARAGE- EN AUTOMOBIELBEDRIJF RAPIDE B.V., gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. L.C. Blok,
t e g e n
AUTO PALACE - DE BINCKHORST B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Rapide - heeft bij exploit van 23 november 1990 verweerster in cassatie - verder te noemen: De Binckhorst - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad De Binckhorst te veroordelen tot betaling aan Rapide van de schade door Rapide geleden als gevolg van de verbreking door De Binckhorst van het dealercontract d.d. 31 december 1985, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente over het schadebedrag sedert de dag van de dagvaarding tot die der algehele voldoening.
De Binckhorst heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 26 februari 1992 een comparitie van partijen gelast en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis heeft De Binckhorst hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft De Binckhorst het Hof verzocht om in het te wijzen arrest te bepalen dat het dealercontract rechtsgeldig is geëindigd op 1 oktober, althans 1 november 1991, zulks subsidiair.
Rapide heeft het verzoek van De Binckhorst bestreden.
Bij arrest van 11 mei 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.
Vervolgens heeft de Rechtbank bij rolbeschikking van 10 april 1995 op verzoek van Rapide de zaak naar de rol verwezen voor fourneren van stukken en het vragen van vonnis.
Bij tussenvonnis van 7 juni 1995 heeft de Rechtbank alsnog een comparitie van partijen gelast.
Na comparitie van partijen heeft Rapide haar eis gewijzigd en gevorderd De Binckhorst te veroordelen tot betaling aan Rapide van de schade ad ƒ 1.696.590,26 door Rapide geleden als gevolg van verbreking door De Binckhorst van het dealercontract d.d. 31 december 1985, met de wettelijke rente over het schadebedrag sedert 23 november 1990.
De Rechtbank heeft bij eindvonnis van 18 september 1996 De Binckhorst veroordeeld om aan Rapide te betalen een bedrag van ƒ 278.150,26, met de rente daarover vanaf 23 november 1990, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft Rapide hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 26 januari 2000 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Rapide en iedere verdere beslissing aangehouden.
Het tussenarrest van het Hof van 26 januari 2000 is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft Rapide beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Binckhorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Rapide in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van De Binckhorst begroot op € 4.314,18 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.

