
Jurisprudentie
AD8692
Datum uitspraak2001-10-23
Datum gepubliceerd2002-01-31
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200104717/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-01-31
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200104717/1
Statusgepubliceerd
Uitspraak
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State 200104717/1.
Datum uitspraak: 23 oktober 2001
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 17 september 2001 in het geding tussen:
de vreemdeling, [verzoeker]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2001 is [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 september 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, (hierna: de rechtbank) voor zover van belang, het met een kennisgeving vanwege appellant daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van
17 september 2001 bevolen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht, bij de Raad van State binnengekomen op 24 september 2001, hoger beroep ingesteld. Dit faxbericht is aangehecht.
Bij brief van 8 oktober 2001 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2001, waar appellant, vertegenwoordigd door A.E.J.I. Kuhlmann, ambtenaar in dienst van het ministerie, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door
mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de overbrenging van de vreemdeling door de tramcontroleur, na staandehouding van de vreemdeling in de tram, gelet op het achterwege blijven van een strafrechtelijk onderzoek op het politiebureau, geacht moet worden te zijn gebaseerd op artikel 50, eerste en tweede lid, van de
Vw 2000.
2.2. De grief van appellant slaagt. De rechtbank is uitgegaan van een onjuiste lezing van de feiten.
Blijkens het proces-verbaal betreffende overtreding van artikel 30, eerste lid, van de Wet Personenvervoer, opgemaakt op 5 september 2001, is de vreemdeling op verdenking van overtreding van vorengenoemde bepaling in de tram staandegehouden en vervolgens overgebracht naar het politiebureau, alwaar hij omstreeks 18:45 uur is geleid voor een hulpofficier van justitie. Blijkens het proces-verbaal, nummer PL1523/2001/38185 - 2, betreffende overdracht van een illegale vreemdeling, is de vreemdeling, nadat uit onderzoek in het Vreemdelingen Administratie Systeem (VAS) was gebleken dat de door hem opgegeven personalia niet voorkwamen, na overleg met de hulpofficier van justitie dezelfde dag om 19:30 uur onder beƫindiging van de strafrechtelijke aanhouding, heengezonden. Aansluitend is hij krachtens artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 opgehouden. Daarna is hij in vreemdelingenbewaring gesteld. Ten onrechte is de rechtbank er van uitgegaan dat de staandehouding in de tram plaatsvond op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000.
2.3. Dat na de strafrechtelijke staandehouding geen of slechts een summier strafrechtelijk onderzoek zou hebben plaatsgevonden, kan niet tot het oordeel leiden dat de bewaring onrechtmatig was. Zoals de Afdeling reeds eerder in haar uitspraak van 26 juli 2001, in zaak nr. 200102650/1, (gepubliceerd in JV 2001/234) heeft geoordeeld, kan de rechter in vreemdelingenzaken niet oordelen over de aanwending van niet bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Slechts indien de onrechtmatigheid van die aanwending door de strafrechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de consequenties daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval geen sprake.
2.4. Het hoger beroep is derhalve gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep tegen de inbewaringstelling alsnog ongegrond verklaren.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem van 17 september 2001, in zaak nr. AWB 01/44729;
III. verklaart het bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, in die zaak ingestelde beroep alsnog ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Kallan
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2001
15-343.
Verzonden: 23 oktober 2001
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,

