Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD8826

Datum uitspraak2002-02-01
Datum gepubliceerd2002-02-11
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers1329
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN MR. J.W. ILSINK ADVOCAAT-GENERAAL Nr. 1329 Derde Kamer B Onteigening Conclusie van 14 september 2001 inzake: 1. [eiser 1] 2. [eiser 2] tegen Railinfrabeheer B.V. 1 Feiten en procesverloop 1.1 Bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) is goedgevonden en verstaan dat ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute, gedeelte kruising Vaanplein, tussen de Vrijenburgweg (± km. 202.9) en de Eerste Barendrechtseweg (± km. 200.4) en langs de rijksweg A29 tot aan de Middeldijk, alsmede voor de aanleg van de Kortsluitroute tussen rangeerterrein Waalhaven-Zuid (± km. 307.8) en de Heulweg (± km. 304.1), met bijkomende werken, in de gemeenten Rotterdam en Barendrecht, ten algemenen nutte en ten name van NS Railinfrabeheer B.V. (met ingang van 1 januari 2001: Railinfrabeheer B.V.) zullen worden onteigend de onroerende zaken aangeduid op de grondtekeningen welke ingevolge art. 12 Onteigeningswet (Ow) op de secretarieën van de gemeenten Rotterdam en Barendrecht ter inzage hebben gelegen. Daartoe behoort een gedeelte ter grootte van 0.14.42 ha van de deelpercelen, kadastraal bekend gemeente Charlois, [...]), omschreven als diversen en overige gronden. Van dit perceelsgedeelte, gelegen nabij de Charloisse Lagedijk te Charlois, Rotterdam, zijn thans eisers tot cassatie [eiser 1] ([...]) en [eiser 2] ([...]) als eigenaar aangewezen. Het betreft hier een onteigening ingevolge art. 72a Ow. 1.2 De deelpercelen waaruit het perceel bestond, zijn nadien hernummerd. Het te onteigenen maakt deel uit van het perceel, thans bekend gemeente Charlois, [...], groot 0.95.10 ha, dat uitsluitend toebehoort aan [eiser 1]. 1.3 Bij exploit van 16 augustus 2000 heeft NS Railinfrabeheer B.V. [eiser 1] en [eiser 2]. doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de Rechtbank) en onder meer gevorderd te harer name en ten algemenen nutte vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1 vermelde perceelsgedeelte. Daarbij heeft NS Railinfrabeheer B.V. aan [eiser 1] aangeboden voor de afstand in eigendom, vrij van alle lasten en rechten, ƒ 252.350,--. 1.4 Bij vonnis van 12 oktober 2000, nr. 143398 / HA ZA 00-1907, heeft de Rechtbank de onderhavige zaak gevoegd met die welke onder de nrs. 00-1905, 00-1906 en 00-1910 bij de Rechtbank aanhangig waren tussen enerzijds NS Railinfrabeheer B.V. en anderzijds, onderscheidenlijk [eiser 1]; [betrokkene 1] en [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [eiser 1]; en [betrokkene 5] en [eiser 1]. 1.5 Bij vonnis van 15 februari 2001, nrs. 143392/HA ZA 00-1905, 143396/HA ZA 00-1906, 143398/HA ZA 00-1907 en 143403/HA ZA 00-1910, heeft de Rechtbank in de onderhavige zaak de onteigening uitgesproken van de onder 1.1 vermelde onroerende zaak; de schadeloosstelling voor [eiser 2]. bepaald op nihil; de proceskosten aan de zijde van [eiser 2]. bepaald op nihil; het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] bepaald op ƒ 227.115,--; en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. 1.6 Tegen dit vonnis, voorzover gewezen in de zaak onder nr. 00-1907, hebben [eiser 1] en [eiser 2]. tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van één middel, dat is onderverdeeld in drie met Romeinse cijfers aangeduide onderdelen. 1.7 Ter zitting van 4 april 2001 heeft Railinfrabeheer B.V. geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover onderdeel II erover klaagt dat [eiser 1] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid. Ten aanzien van die klacht refereert Railinfrabeheer B.V. zich aan het oordeel van de Hoge Raad, onder aantekening dat zij toezegt te zijner tijd 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te zullen uitbetalen. 1.8 Ter zitting van 16 mei 2001 hebben onderscheidenlijk [eiser 1] en [eiser 2]. en Railinfrabeheer B.V. hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Railinfrabeheer B.V. heeft zich daarbij ook ten aanzien van onderdeel III van het middel gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. 1.9 Ter zitting van 30 mei 2001 hebben [eiser 1] en [eiser 2]. nog gerepliceerd. 1.10 Tegen het vonnis, voorzover gewezen in de zaken met nrs. 00-1905, 00-1906 en 00-1910, heeft [eiser 1] eveneens cassatieberoep ingesteld. In deze zaken die bij Uw Raad onder de nrs. 1327, 1328 en 1330 zijn geregistreerd, neem ik heden ook mijn conclusie. 2. Middelonderdeel I 2.1 Dit onderdeel klaagt erover dat de dagvaarding in eerste aanleg niet de som vermeldt die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de medegedaagde in eerste aanleg, zijnde B.V. Baris, maar slechts een schadeloosstelling ten behoeve van de medegedaagde [eiser 1], zijnde de eigenaar ten tijde van dagvaarding. Daarom had de Rechtbank volgens [eiser 1] en [eiser 2]. de dagvaarding op de voet van art. 22 Ow nietig moeten verklaren. Omdat aan gedaagde [eiser 2]. geen aanbod is gedaan, kan ook niet worden gezegd dat zij het aan haar ten processe gedane aanbod niet heeft aanvaard. De Rechtbank had derhalve, in plaats van in rov. 2.14 te oordelen en in de beslissing te bepalen dat aan [eiser 2]. geen schadeloosstelling toekomt, eerst op de voet van art. 27(1) lid 1 Ow de deskundigen opdracht moeten geven (ook) de schadeloosstelling van gedaagde [eiser 2]. te begroten. 2.2 Ingevolge art. 22 lid 1 Ow moet de dagvaarding, op straffe van nietigheid, de som vermelden, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt. 2.3 HR 29 oktober 1952, NJ 1953, 6, met conclusie A-G Eggens, overwoog (p. 21 rk): (...) dat uit de(...) doorgaande strekking der wet volgt, dat, wanneer art. 22 op straffe van nietigheid wil, dat de dagv. vermelde de som, dat is het bepaalde bedrag, hetwelk als schadeloosstelling aangeboden wordt, die som omvat de schadeloosstelling m. b. t. allen, die daarop aanspraak hebben, onder wie de huurder en de pachter zijn begrepen; dat mitsdien de onderhavige dagv., waarin naast een bedrag van f 24.080,70 is aangeboden "de wettelijke schadeloosstelling aan den huurder voor het geval en voor zoverre mocht blijken een huur te bestaan, welke aanspraak geeft op schadeloosstelling", niet voldoet aan het voorschrift van art. 22; O. dat echter art. 94 Rv., te dezen toepasselijk ingevolge art. 2 [Ow], bepaalt, dat, indien de ged. op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit inroept, de rechter die exceptie kan en dan ook behoort te verwerpen, indien de ged. geen belang heeft zich van de nietigheid te bedienen; O. dat het belang, hetwelk een gedaagde er bij kan hebben, dat in de dagv. een bepaalde som wordt aangeboden, gelegen is in de navolgende omstandigheden: a. dat het aanbod, hetwelk bedoeld is als poging om de voortzetting van het geding te voorkomen, zodanig bepaald is, dat de ged. bij het in overweging nemen daarvan weet, welk bedrag hem aangeboden wordt; b. dat het aanbod moet kunnen dienen als maatstaf bij de beslissing omtrent de proceskosten vanwege het bepaalde in het slot van art. 50; c. dat het aanbod ingevolge art. 54b , derde lid, het minimum aangeeft, waarop de rechtercommissaris in geval van voorlopige inbezitneming de zekerheidsstelling zal moeten bepalen; dat wat a betreft de eisers in cassatie het standpunt hebben ingenomen, dat het voor de eigenaren bedoelde bedrag van f 24.080,70 totaal ongenoegzaam was, weshalve de onbestemdheid van het daarnevens voor den huurder gebodene van generlei betekenis is geweest bij de vraag, of zij het aangebodene al dan niet zouden aannemen; 2.4 Bij Wet van 27 oktober 1972, Stb. 578, is aan art. 22 Ow een tweede lid toegevoegd, dat luidt: Indien er derde belanghebbenden zijn, moet uit het in de dagvaarding te vermelden aanbod blijken, welk aandeel daarvan voor de verweerder onderscheidenlijk ieder der derde belanghebbenden, voor zover dezen aan de onteigenende partij bekend zijn of behoren te zijn, als schadeloosstelling is bestemd, op straffe van veroordeling in de kosten overeenkomstig artikel 50, tweede lid. Aan de memorie van toelichting ontleen ik: [D]e huidige regeling met betrekking tot de derde belanghebbenden [is] weinig bevredigend. Het aanbod wordt uitsluitend aan de gedaagde gedaan, hetgeen in het huidige wettelijke systeem als gevolg heeft, dat een derde belanghebbende tegen zijn wil gebonden kan worden aan dat gedeelte van het aanbod, dat voor hem - als derde belanghebbende - is bestemd. Voorts behoeft de onteigenende partij zelfs niet te vermelden in de dagvaarding, welke som van het aanbod bestemd is voor een derde belanghebbende. Aan deze regeling is in het ontwerp een einde gemaakt door voor te schrijven, dat de onteigenende partij op straffe van veroordeling in de kosten van het onteigeningsproces aan ieder der belanghebbenden die haar bekend kan zijn een aanbod moet doen. Dit betekent, dat de verweerder alsmede de betreffende derde belanghebbende - los van elkander - het bedrag, dat als schadeloosstelling wordt aangeboden, kunnen aanvaarden of verwerpen; de positie van de derde belanghebbende is aldus onafhankelijk van die van de gedaagde in het proces (vgl. ook artikel 50) met dien verstande, dat alleen de gedaagde in eigenlijke zin proces-partij blijft. Onder derde belanghebbenden, in artikel 22 bedoeld, moeten diegenen worden verstaan, die aanspraken kunnen doen gelden op een gedeelte van de bij aanbod vermelde som, en dus niet diegenen, vermeld in artikel 18, zijnde de hypotheekhouders en beslagleggers. Laatstgenoemden kunnen niet rechtstreeks aanspraken doen gelden op een gedeelte van het aanbod, doch hebben er uitsluitend belang bij, op de hoogte te worden gesteld van de onteigeningsprocedure. Tot dezen richt zich uit de aard der zaak artikel 22 niet.(2) En, aan de memorie van antwoord(3): (p. 11 rk) (...) In het wetsontwerp is voorgesteld, dat aan de eigenaar zomede aan ieder der derde belanghebbenden - afzonderlijk - een aanbod wordt gedaan. Dit betekent een aanmerkelijke afwijking van het bestaande systeem, waarin het aanbod, formeel gezien, slechts aan de eigenaar werd gedaan. Aanvaardde de eigenaar het aanbod formeel, dan werd het onteigeningsproces afgesloten. Op basis van de dagvaarding zomede de conclusies van eis en antwoord werd de onteigening uitgesproken en de schadeloosstelling bepaald. De belangen van de derde belanghebbenden konden alsdan door de deskundigen en de rechtbank niet onder ogen worden gezien: bij aanvaarding van het aanbod door de eigenaar werd, zoals gezegd, de onteigeningsprocedure besloten, zodat geen gelegenheid meer aanwezig was om de schade der derde belanghebbenden onder de loupe te nemen. In het onderhavige wetsontwerp wordt in de geschetste situatie verandering aangebracht. Aan ieder der betrokkenen wordt - zelfstandig - een aanbod gedaan. Ieder van hen kan zich mitsdien, los van de anderen, uitlaten over het aanbod. Dit kan geschieden nadat de derde belanghebbende heeft geïntervenieerd. In de toekomst gaat het dus niet om een aanbod terzake van de schadeloosstelling, doch om meer aanbiedingen terzake van meer schadeloosstellingen. Het rechtskarakter van de aanvaarding van het aanbod (...) wordt door het onderhavige wetsontwerp mitsdien gewijzigd. De ondergetekenden hebben de consequenties daarvan in de nota van wijziging enigszins verduidelijkt. Zo is nu vastgelegd, dat bij het geven van de opdracht door de rechtbank aan de deskundigen om de onteigeningsschade te begroten, rekening moet worden gehouden met de vraag, of een betrokkene het aan hem gerichte aanbod heeft aanvaard. Is zulks het geval, dan behoort begroting van de schade achterwege te blijven: er is geen reden, zo komt het de ondergetekenden voor, om aan het rechtsbegrip aanbod in het onteigeningsrecht andere consequenties te verbinden (p. 12 lk) dan in het gemene recht. De aanvaarding van het gedane aanbod dient tot gevolg te hebben, dat het overeengekomen bedrag - los van de eventueel voortgaande procedure met betrekking tot hen, die niet hebben aanvaard - wordt uitbetaald. Een en ander heeft eveneens consequenties ten aanzien van de toekenning van voorschotten. De artikelen 24, 27, 35, 37, 54i, 54j, 54k, 54n, 54s en 54t zijn daarom verduidelijkt.(4) Tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer merkte Minister van Agt van Justitie nog op: Nog een belangrijke wijziging wil ik noemen, nl. dat aan de onteigende partij en aan de derde belanghebbenden een gesplitst aanbod moet worden gedaan. Ieder van hen kan dan weten welk bedrag hem toekomt. Daarmee verdwijnt de huidige situatie waarin het aanbod één bedrag vormt, zonder dat de onteigende partij en de derde belanghebbenden kunnen zien welk gedeelte van het bedrag aan ieder van hen toekomt. Het ligt in de lijn van het stelsel waarin een gesplitst aanbod moet worden gedaan dat de eigenaar en de derde belanghebbenden ieder recht hebben op een afzonderlijk voorschot.(5) 2.5 W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht (diss. Utrecht), 1984, schrijft (p. 136): (...) Stel nu het geval, dat de overheid met de werkelijke eigenaar heeft onderhandeld, minnelijk resultaat niet mogelijk is en deze dan genoodzaakt wordt de onteigeningsprocedure aan te leggen tegen de in de onteigeningstitel vermelde persoon. Moet nu aldus gehandeld worden, dat het aanbod in de zin van art. 22 OW aan de formele procespartij wordt gedaan? Inderdaad; dit volgt reeds uit de aanvang van art. 22 OW: "De dagvaarding moet ...." waarin aan het centraal vertrekpunt in processuele zin van het onteigeningsgeding wordt vastgehouden: de personen uit de onteigeningstitel worden gedagvaard. Is dit niet in overeenstemming met de werkelijkheid dan kunnen correcties ook processueel worden meegenomen in de onteigeningsprocedure voorzover de vorderingen tot tussenkomst niet betwist worden. Geschiedt dat echter wel, dan wordt de strijd daaromtrent uit het onteigeningsgeding geweerd (art. 3, laatste lid OW). Door de overbetekening van de dagvaarding - art. 18 vijfde alinea OW - komt de eigenaar op de hoogte van een voor hem bestemd, formeel aan een ander uitgebracht aanbod. 2.6 Ik meen dat in het onderhavige geval is voldaan aan het voorschrift van art. 22 lid 1 Ow. Het totaalbedrag van de aangeboden schadeloosstelling is immers opgenomen in de dagvaarding van de bij koninklijk besluit aangewezen eigenaren. Daaraan doet niet af dat aan [eiser 2]. geen afzonderlijk aanbod is gedaan. Uit punt 3 van de dagvaarding blijkt namelijk waarom: het te onteigenen behoort thans uitsluitend in eigendom toe aan [eiser 1], zodat aan [eiser 2]. geen schadeloosstelling toekomt. In cassatie klagen [eiser 1] en [eiser 2]. nog erover dat de overweging onder 2.3, derde gedachtenstreepje, dat het te onteigenen behoort tot het perceel, thans kadastraal bekend gemeente Charlois, [...], uitsluitend in eigendom toebehorend aan [eiser 1], ondeugdelijk gemotiveerd is, omdat [eiser 2]. de desbetreffende stelling van NS Railinfrabeheer B.V. in de dagvaarding onbesproken heeft gelaten. Deze klacht kan ik niet volgen. Wanneer de ene partij iets stelt en de andere partij dat - zoals hier - niet, althans niet voldoende gemotiveerd weerspreekt, kan de Rechtbank die stelling immers feitelijk vaststellen. 2.7 Mocht Uw Raad mijn mening, dat in het onderhavige geval is voldaan aan het voorschrift van art. 22 lid 1 Ow, niet delen, dan acht ik de nietigheid van de dagvaarding gedekt. [eiser 1] en [eiser 2]. zijn immers op de dagvaarding verschenen en hebben geen beroep gedaan op de nietigheid daarvan.(6) Bovendien hebben [eiser 1] en [eiser 2]. bij conclusie van antwoord d.d. 26 oktober 2000, onder 13, te kennen gegeven dat zij het aanbod bij dagvaarding ten enen male ongenoegzaam vinden, zodat naleving van het bepaalde bij art. 22 lid 1 Ow (de voortzetting van) het geding niet had kunnen voorkomen. 2.8 De klacht dat de Rechtbank de schadeloosstelling voor [eiser 2]. voortijdig heeft vastgesteld omdat Railinfrabeheer B.V. haar geen afzonderlijk aanbod heeft gedaan, treft mijns inziens geen doel. In rov. 2.14 heeft de Rechtbank - niet onbegrijpelijk; zie hiervóór onder 2.6 - vastgesteld dat het te onteigenen perceelsgedeelte C 3111 uitsluitend in eigendom toebehoort aan [eiser 1] en geoordeeld dat, gelet hierop, aan [eiser 2]. geen schadeloosstelling toekomt. Het heeft dan uiteraard geen enkele zin om op de voet van art. 54j lid 1 Ow deskundigen opdracht te geven om de schadeloosstelling voor [eiser 2]. te begroten. 2.9 Van schending van art. 22 lid 2 Ow is mijns inziens evenmin sprake. Strikt formeel heeft Railinfrabeheer B.V. geen afzonderlijk aanbod gedaan aan [eiser 2]., maar - ik herhaal het nog maar eens - uit de dagvaarding blijkt waarom. Zie hiervóór onder 2.6. [eiser 1] en [eiser 2]. moeten dit ook hebben begrepen, want zij hebben zich voor de Rechtbank - terecht - niet beroepen op schending van art. 22 Ow. Overigens wijs ik erop dat de Rechtbank bij het vonnis van 15 februari 2001 iedere verdere beslissing, waaronder dus ook die over de proceskosten aan de zijde van [eiser 1], heeft aangehouden. 2.10 Over de veroordeling van Railinfrabeheer B.V. in de proceskosten van [eiser 2]. klaagt middelonderdeel III. 2.11 De conclusie is dat middelonderdeel I tevergeefs is voorgesteld. 3 Middelonderdeel II 3.1 Dit onderdeel klaagt terecht erover dat het oordeel in rov. 2.12 dat [eiser 1] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten, onbegrijpelijk is in het licht van het gestelde bij conclusie van antwoord d.d. 26 oktober 2000, onder 15: "Tenslotte is [eiser 1] bereid afstand te doen van zijn recht op zekerheid, indien NS Railinfrabeheer hem bij wijze van voorschot zal betalen het reeds aangeboden bedrag." Uit de gedingstukken blijkt immers niet dat die voorwaarde waaronder [eiser 1] bereid was afstand te doen van het hem bij art. 54i lid 4 Ow toegekende recht op zekerheid, is vervuld. 3.2 Ik meen dat de Hoge Raad deze omissie zelf kan herstellen. Nu Railinfrabeheer B.V. heeft toegezegd te zijner tijd 100% van het aangeboden bedrag als voorschot te zullen uitbetalen, kan het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] worden bepaald op ƒ 252.350,--. 4 Middelonderdeel III 4.1 Dit onderdeel klaagt erover dat de Rechtbank in rov. 2.14 en in de beslissing ten onrechte de proceskosten van [eiser 2]. in de onderhavige zaak heeft bepaald op nihil. 4.2 De Rechtbank overwoog: 2.7 De rechtbank is van oordeel dat de financiële repercussies van het wettelijk systeem - dat noopt tot dagvaarding van [de] ten tijde van de aanwijzing van het perceel ter onteigening in de registers vermelde eigenaar, ook in geval die ten tijde van de onteigening die hoedanigheid niet meer bezit - bezwaarlijk kunnen worden afgewenteld op degene die zijns ondanks werd gedwongen tot procederen. De rechtbank zal derhalve NS veroordelen tot vergoeding van deze kosten. In aansluiting op het algemene beginsel van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal NS als de - in bovenbedoelde zin - in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de gedingen tegen [betrokkene 1 c.s.] en [betrokkene 5] worden veroordeeld. De rechtbank baseert haar begroting van het salaris voor de procureur in beginsel op het tarief voor de te liquideren kosten in onteigeningszaken, welk tarief enerzijds rekening houdt met de verrichte werkzaamheden en anderzijds met het belang van de zaak. In de onderhavige zaak leidt de kostenvaststelling overeenkomstig dit tarief tot een redelijke begroting van die kosten. (...) 2.14 (...) NS zal overeenkomstig het onder 2.7 overwogene worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser 2]. Deze kosten worden evenwel bepaald op nihil, nu van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van [eiser 2] niet is gebleken. 4.3 Ik meen dat de overweging dat van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van [eiser 2]. niet is gebleken, hetzij zonder nadere motivering niet begrijpelijk is, hetzij aldus moet worden verstaan dat van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten aan de zijde van [eiser 2]. naast die aan de zijde van [eiser 1] niet is gebleken. In het laatste geval geeft die overweging blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ingevolge art. 3 lid 1 Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn gedaagden, die bij eenzelfde procureur verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen, gezamenlijk slechts eenmaal vast recht verschuldigd. In de onderhavige zaak hebben [eiser 1] en [eiser 2]. alle processtukken gezamenlijk bij eenzelfde procureur ingediend. Dan mag ervan worden uitgegaan dat [eiser 1] en [eiser 2]. gezamenlijk eenmaal vast recht en het salaris van de procureur hebben betaald. De Rechtbank heeft althans niet vastgesteld dat dat anders was. De Rechtbank heeft de proceskosten aan de zijde van [eiser 2]. derhalve niet zonder meer op nihil kunnen bepalen. 4.4 Betekent dit nu dat het vonnis van de Rechtbank moet worden vernietigd en het geding verwezen naar Hof 's-Gravenhage, uitsluitend om de proceskosten te bepalen aan de zijde van [eiser 2].? Ik vind dat niet nodig. Het komt mij voor dat de proceskosten aan de zijde van [eiser 2]. tot aan het vonnis van 15 februari 2001 moeten worden bepaald op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 1.460,-- aan salaris voor de procureur. Dat is hetzelfde bedrag als het bedrag waarop in de zaken met de nrs. 00-1906 en 00-1910 de proceskosten aan de zijde van onderscheidenlijk [betrokkene 1 c.s.] en [betrokkene 5] zijn bepaald. Aldus wordt voorkomen dat, mocht de Rechtbank bij haar eindvonnis aanleiding vinden NS Railinfrabeheer B.V. niet op de voet van art. 50 Ow te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [eiser 1], [eiser 2]. met lege handen blijft staan. 5 Conclusie Onderdeel I van het middel ongegrond en de onderdelen II en III gegrond bevindend, concludeer ik tot: - vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001 in de zaak met nr. 00-1907, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] is bepaald op ƒ 227.115,-- en voorzover daarbij de proceskosten aan de zijde van [eis[eiser 2]. zijn bepaald op nihil; - bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] op ƒ 252.350,--; - veroordeling van NS Railinfrabeheer B.V. in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van [eiser 2]., tot aan de uitspraak van 15 februari 2001 bepaald op ƒ 400,-- aan verschotten en ƒ 1.460,-- aan salaris van de procureur. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Kennelijk is bedoeld art. 54j. 2 Kamerstukken II 1969-1970, 10 590, nr. 3, p. 14 rk. 3 Kamerstukken II 1970-1971, 10 590, nr. 5. 4 Zie voorts t.a.p., p. 12 lk, tweede alinea en p. 15 lk, derde alinea. 5 Handelingen II, 14 maart 1972, p. 2707 lk. 6 Zie W. Hugenholtz en W.H. Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 1998, p. 70 en HR 24 mei 1957, NJ 1959, 10, m. nt. D.J.V. (Van Vliet/Vricon).


Uitspraak

Nr. 1329 1 februari 2002 JV in de zaak van 1. [eiser 1], wonende te [woonplaats], 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2], gevestigd te [vestigingsplaats], eisers tot cassatie, advocaat: mr. P.S. Kamminga, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.), gevestigd te Utrecht, verweerster in cassatie, advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé. 1. Geding in feitelijke instantie 1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: NSR, heeft bij exploten van 16 augustus 2000 eisers tot cassatie, hierna: [eiser 1] en [eiser 2], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute en de Kortsluitroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van in de dagvaarding nader omschreven deelpercelen met de kadastrale aanduiding [...], deel uitmakend van de onroerende zaak, thans kadastraal bekend gemeente Charlois [...], waarvan [eiser 1] en [eiser 2] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) zijn aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling. In de dagvaarding is alleen aan [eiser 1] het aanbod gedaan de te onteigenen deelpercelen over te nemen voor f 252.350. 1.2. Bij het thans bestreden vonnis van 15 februari 2001 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, de schadeloosstelling voor [eiser 2] vastgesteld op nihil, en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] bepaald op f 227.115 (zijnde 90 percent van het aan [eiser 1] gedane aanbod), en drie deskundigen - ter begroting van de aan [eiser 1] toekomende schadeloosstelling - en een rechter-commissaris benoemd. Bij het vonnis heeft de Rechtbank NSR tevens veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser 2], tot aan het vonnis begroot op nihil. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie 2.1. [eiser 1] en [eiser 2] hebben het vonnis bestreden met een uit drie onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2.2. NSR heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover het tweede middelonderdeel erover klaagt dat [eiser 1] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid, ten aanzien van welke klacht NSR zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd. 2.3. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten, waarbij NSR zich met betrekking tot het derde onderdeel van het middel alsnog aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gerepliceerd. 2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 14 september 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] is bepaald op f 227.115, en voorzover daarbij de proceskosten aan de zijde van [eiser 2] zijn bepaald op nihil, tot bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] op f 252.350, en tot veroordeling van NSR in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van [eiser 2], tot aan de uitspraak van 15 februari 2001 bepaald op f 400 voor verschotten en f 1460 aan salaris van de procureur. 3. Beoordeling van het middel 3.1. In het eerste middelonderdeel betogen [eiser 1] en [eiser 2] dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding op de voet van het bepaalde in artikel 22 van de Onteigeningswet nietig had moeten verklaren, omdat die dagvaarding geen vermelding inhoudt van de som die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de medegedaagde in eerste aanleg, [eiser 2], de als zodanig in het koninklijk besluit aangeduide mede-eigenaar van de te onteigenen deelpercelen. Voorts had de Rechtbank bij het ontbreken van een aanvaard aanbod, in plaats van zich te begeven in de vraag of aan [eiser 2] een schadeloosstelling toekwam en deze vervolgens op nihil vast te stellen, op de voet van het bepaalde in artikel 27, lid 1, (kennelijk is bedoeld artikel 54j, lid 1) van de Onteigeningswet deskundigen moeten benoemen teneinde de onder meer aan hen toekomende schadeloosstellingen te begroten. 3.2. Het onderdeel faalt. Nadat NSR in de inleidende dagvaarding had gesteld dat het te onteigenen behoort tot het perceel, thans kadastraal bekend gemeente Charlois, sectie [...], uitsluitend in eigendom toebehorend aan [eiser 1], en kennelijk om die reden alleen aan [eiser 1] een aanbod op de voet van artikel 22, lid 1, van de Onteigeningswet had gedaan, hebben [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk bij conclusie van antwoord die stelling niet weersproken. Onder die omstandigheden mocht de Rechtbank, anders dan in het middelonderdeel nog gesteld, zonder nadere motivering oordelen dat ten tijde van de dagvaarding het te onteigenen uitsluitend toebehoorde aan [eiser 1]. Zulks brengt mee dat het in de dagvaarding vervatte aanbod niet mede aan [eiser 2] behoefde te worden gedaan. Indien immers, zoals hier het geval is, de bij het koninklijk besluit aangewezen mede-eigenaar de hoedanigheid van mede-eigenaar van de te onteigenen percelen vóór de aanvang van het onteigeningsgeding heeft verloren, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat het aanbod niet mede aan de medegedaagde wordt gedaan, van wie immers kan worden aangenomen dat hij door de onteigening geen schade meer zal lijden, maar uitsluitend aan degene die inmiddels uitsluitend eigenaar is geworden van de te onteigenen percelen en derhalve bevoegd om daarover na eventuele aanvaarding van het aanbod te beschikken. De Rechtbank was dan ook niet verplicht de inleidende dagvaarding nietig te verklaren. 3.3. Onder deze omstandigheden was de Rechtbank voorts niet verplicht een deskundigenbericht omtrent een aan [eiser 2] toe te kennen schadeloosstelling in te winnen en kon de Rechtbank bij het bestreden vonnis de aan de voormalige mede-eigenaar [eiser 2] toekomende schadeloosstelling op nihil bepalen, omdat, zoals hiervóór is overwogen, de Rechtbank ervan mocht uitgaan dat [eiser 2] door de onteigening geen schade meer zou lijden. Daarbij verdient opmerking dat [eiser 2] blijkens de stukken van het geding met geen woord heeft gerept over schade, die zij als derde belanghebbende mogelijk zou kunnen lijden. 3.4. Het tweede onderdeel van het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser 1] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten. Deze klacht wordt terecht voorgesteld, omdat de Rechtbank klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien dat [eiser 1] de bedoelde afstand heeft gedaan onder de - blijkens de gedingstukken niet vervulde - voorwaarde dat het gehele door NSR aangeboden bedrag hem bij wijze van voorschot zou worden betaald. 3.5. Het tweede onderdeel van het middel slaagt derhalve. De Hoge Raad kan de gemaakte vergissing herstellen door, met vernietiging van het vonnis in zoverre, het voorschot op de aan [eiser 1] toe te kennen schadeloosstelling vast te stellen op 100 percent van het door NSR aangeboden bedrag, nu NSR zich tot betaling daarvan bij conclusie van antwoord in cassatie bereid heeft verklaard. 3.6. Ook het derde onderdeel van het middel wordt terecht voorgesteld. Naar de Rechtbank in onderdeel 2.7 van het vonnis met juistheid heeft overwogen, dient de onteigenende partij in de kosten van het geding te worden verwezen in een geval als het onderhavige, waarin het wettelijk systeem ertoe noopt de bij het koninklijk besluit aangewezen (mede-)eigenaar te dagvaarden, hoewel deze ten tijde van de dagvaarding tot onteigening die hoedanigheid inmiddels niet meer bezit. Aangezien [eiser 2] bij procureur was verschenen, bestond er geen aanleiding voor de veronderstelling dat [eiser 2] in het geheel geen kosten had gemaakt. Nu NSR zich omtrent dit onderdeel - en het daarin vermelde bedrag van de proceskosten - aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd, vindt de Hoge Raad aanleiding omtrent de proceskosten van [eiser 2] voor de Rechtbank te beslissen als hierna vermeld. 4. Beslissing De Hoge Raad - vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 februari 2001, doch uitsluitend voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] is bepaald op f 227.115 en voorzover daarbij de proceskosten aan de zijde van [eiser 2] zijn bepaald op nihil, - bepaalt het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] op f 252.350 (€ 114.511,44), - veroordeelt NSR in de kosten van het geding voor de Rechtbank, aan de zijde van [eiser 2] tot aan het vonnis van 15 februari 2001 begroot op € 181,51 aan verschotten en € 745 voor salaris, - verwerpt het beroep voor het overige, - veroordeelt NSR in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot aan deze uitspraak begroot op € 330,65 aan verschotten en op € 1590 voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2002.