Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD8879

Datum uitspraak2002-04-09
Datum gepubliceerd2002-04-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00443/01 E
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Nr. 00443/01/E Mr Machielse Zitting 15 januari 2002 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft op 16 oktober 2000 bepaald dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd ter zake van het opzettelijk, begaan van een overtreding van een voorschrift gesteld krachten artikel 8:40 van de Wet milieubeheer. 2. Mr E. Bige, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr A.C. Huisman, advocaat te Zwolle, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie. 3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte de dagvaarding niet wegens innerlijke tegenstrijdigheid nietig heeft verklaard. Er zou een innerlijke tegenstrijdigheid besloten liggen in de tenlastelegging onder 2 subsidiair voor zover deze verdachte ervan beticht op of omstreeks 18 februari 1997 niet te hebben voldaan aan het voorschrift dat afvalstoffen op gezette tijden worden afgevoerd. 3.2. In hoger beroep is zo een verweer niet gevoerd. Klaarblijkelijk is de tenlastelegging voor de verdediging indertijd niet onbegrijpelijk geweest. De uitleg van de tenlastelegging is aan de feitenrechter overgelaten en in cassatie kan deze (kennelijke) uitleg slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Naar mijn oordeel is de impliciete beslissing van het hof dat de tenlastelegging onder 2 subsidiair een voldoende opgave van het feit behelst en niet innerlijk tegenstrijdig is, niet onbegrijpelijk. Ik lees de tenlastelegging aldus dat verdachte op of omstreeks 18 februari 1997 niet aan de hem gestelde voorwaarde had voldaan ervoor te zorgen dat op gezette tijden de afvalstoffen werden afgevoerd. Het eerste middel faalt. 4.1. Het tweede middel stelt dat het hof ontoereikend gemotiveerd het verweer heeft verworpen dat er van een herstelinrichting voor motorvoertuigen, welke aanduiding de tenlastelegging kennelijk in dezelfde betekenis bezigt als het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, geen sprake was. Aldus zou een verweer dat betrekking had op de uitleg van een onderdeel van de wettekst onvoldoende zijn gepareerd.(1) 4.2. Het bestreden houdt arrest houdt het volgende in: Namens verdachte is aangevoerd - kort samengevat - dat verdachte geen herstelinrichting exploiteerde (etc.). Het hof overweegt hieromtrent het volgende: Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte zijn bedrijf zelf aanmerkt als een herstelinrichting voor motorvoertuigen; hij heeft ook een melding van die strekking gedaan als bedoeld in het Besluit Herstelinrichtingen voor Motorvoertuigen. Ter zitting van het hof heeft hij bovendien verklaard dat er herstelwerkzaamheden plaatsvonden. Als bewijsmiddel 4 is de verklaring van verdachte tegenover verbalisant afgelegd gebezigd, inhoudende dat verdachte wist dat het bedrijf onder AmvB Herstelinrichtingen motorvoertuigen milieubeheer viel. 4.3. De steller van het middel voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een verkeerde uitleg van het begrip "herstelinrichting voor motorvoertuigen" omdat voor deze kwalificatie niet beslissend is hoe verdachte zijn bedrijf zélf aanduidde, noch onder welke benaming verdachte zijn bedrijf heeft gemeld. Beslissend zou zijn de objectieve toestand en de bedrijvigheid die in de inrichting wordt ontplooid. 4.4. Wat een "herstelinrichting voor motorvoertuigen" is valt te lezen in art.1 Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer - in het vervolg; het Besluit - (Stb. 1990, 51, vervallen op 1 oktober 2000): 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. herstelinrichting voor motorvoertuigen: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verkopen, herstellen of onderhouden van motorvoertuigen ten behoeve van het wegverkeer (etc.) 4.5. Naar eigen zeggen heeft verdachte in 1983 een Hinderwetvergunning gekregen. Ingevolge art.5 lid 3 van het Besluit gold voor zo een inrichting een uitzondering op de meldingsplicht bij het van kracht worden van het Besluit. De melding waarop het hof in zijn overwegingen wees betreft een melding uit 1995 van splitsing van het bedrijf in twee afzonderlijke bedrijven, [D] ([betrokkene A]) en [E] (verdachte). Het bedrijf van verdachte is in die melding volgens vaststelling van het hof als "herstelinrichting voor motorvoertuigen" aangeduid. Uit de verklaring van verdachte in hoger beroep is af te leiden dat hij een bedrijf had dat handelde in banden, uitlaten en schokbrekers. Het bedrijf van verdachte was oorspronkelijk kennelijk aangemeld als herstelbedrijf en die kwalificatie is niet gewijzigd door een melding van wijziging overeenkomstig art.4 van het Besluit. Mij dunkt dat het systeem van de Wet milieubeheer (Wmb) - grof gezegd - als volgt kan worden gekenschetst. Het is verboden een inrichting zonder bijbehorende vergunning in werking te hebben (art.8.1 Wmb). De beperkingen die een vergunning oplegt kunnen slechts worden gewijzigd door het bevoegd gezag (art.8.22 e.v. Wmb). Een inrichting moet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden. Indien de inrichting van karakter verandert, terwijl zij toch een inrichting blijft in de zin van art.1 lid 3 Wmb, is het verbod van art.8.1 Wmb van toepassing. Dat laat onverlet dat de vastgestelde vergunningsvoorwaarden blijven gelden totdat zij zijn gewijzigd. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de meldingsplichtige inrichtingen van art.8.40 Wmb, zoals de herstelinrichtingen voor motorvoertuigen. Dat betekent dat voor een als herstelinrichting voor motorvoertuigen te boek staande en aldus gemelde inrichting de eisen van het Besluit bleven gelden totdat via de daarvoor wettelijk aangewezen weg het regiem is gewijzigd, onverlet welke andere eisen nog kwamen te rusten op de inrichting uit hoofde van een door de verantwoordelijke doorgevoerde verandering in de aard van de inrichting. De melding doet dus verplichtingen ontstaan. Exploiteert men een inrichting zonder deze als zodanig gemeld te hebben dan overtreedt men art.8.41 Wmb jo. art.1a WED. Het zou ernstig aan de handhaving van milieuvoorschriften afbreuk doen indien het van de bedrijfsvoering binnen een gemelde inrichting zou afhangen of en wanneer de voorschriften die voor die categorie inrichtingen gelden al dan niet van toepassing zouden zijn. Denk aan het geval waarin in een aantal maanden inderdaad een meldingsplichtige inrichting wordt gedreven, waarna gedurende een bepaalde periode weer andere verwante activiteiten worden ontplooid. Als dan van de regelhandhavers zou moeten worden gevergd te bepalen in welke periode precies de categorale verplichtingen wel of niet voor het bedrijf golden zou de handhaving volstrekt krachteloos worden. Het hof is dus van een juiste uitleg uitgegaan. Daarom faalt het tweede middel. 5.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat er van afvalstoffen sprake was. De banden hadden, zo is in hoger beroep aangevoerd, voor verdachte nog wel degelijk waarde want verdachte verkocht daar nog wel wat van. 5.2. Het hof heeft een gevoerd verweer als volgt verworpen: Omtrent het aanmerken van de banden als afvalstoffen is het hof van oordeel dat deze, nu het overgrote deel van die banden jaren achtereen op een zelfde plaats aan de rand van het perceel lagen opgeslagen en verweerd waren, vastgesteld kan worden dat die banden in de staat waarin zij zich bevonden kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen. Daaraan doet de omstandigheid dat verdachte mogelijk uit die voorraad wel eens banden verkoopt niet af. 5.3. Die verwerping is niet onbegrijpelijk en geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. In de overweging van het hof ligt besloten dat het hof heeft vastgesteld dat de banden die op een grote hoop lagen voor het overgrote deel niet meer bruikbaar waren. Daarmee is voldoende ontkracht de stelling dat die banden nog wel zonder nadere bewerkingen te ondergaan en zonder het treffen van nadere voorzieningen op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze nuttig konden worden gebruikt.(2) Dat degene die het afval houdt wel eens kan denken dat je maar nooit weet of het niet een keer van pas komt, of dat wellicht voor een klein onderdeeltje nog wel een nuttige aanwending kan worden gevonden wil nog niet zeggen dat er niet meer van afvalstoffen sprake kan zijn. Het aantreffen van een bruikbaar fietswiel op een afvalberg met schroot verandert niets aan het karakter van die afvalberg. Het middel faalt. 6.1. Het vierde middel stelt dat het hof ten onrechte geen of een onvoldoende gemotiveerde beslissing zou hebben gegeven op het verweer dat de banden niet lagen opgeslagen in de inrichting van verdachte en dat de banden wel degelijk waren afgevoerd naar een andere inrichting. 6.2. De weerlegging van het verweer is te vinden in de bewijsconstructie. Het hof heeft de verklaring van verdachte voor het bewijs gebruikt dat hij een bedrijf te [plaats C] exploiteert en dat op het bedrijfsterrein motorbanden lagen opgeslagen. Voorts is onder 3 gebruikt voor het bewijs een proces-verbaal inhoudende dat het bedrijf [E] een inrichting exploiteert en dat een enorme berg motorbanden nog binnen de inrichting aanwezig was. De feiten waarop het verweer berustte zijn door het hof in de bewijsconstructie terzijde geschoven. Ik merk overigens op dat de gemeente geweigerd heeft de melding van twee afzonderlijke inrichtingen te behandelen, als gevolg waarvan er officieel maar één inrichting bestond waarvoor verdachte verantwoordelijk was. Of hij de banden liet liggen op het terrein van [betrokkene A] of op het deel van het terrein dat hijzelf in gebruik had doet er niet toe; de banden lagen op het terrein van dé inrichting. Het vierde middel faalt. 7. Het vijfde middel beweert in de kern genomen dat de opslag van de banden geen enkel gevaar voor de gezondheid van mensen of voor het milieu opleverde. Ook dat punt is in de bewijsconstructie beantwoord (bewijsmiddel 3). Het middel faalt. 8. Het eerste, derde, vierde en vijfde middel kunnen naar mijn mening op de voet van art.101a RO worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen aanleiding voor ambtshalve vernietiging aangetroffen. 9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Een zgn. Dakdekkersverweer. Zie Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, p.669. 2 Vgl. HR NJ 1999,26.


Uitspraak

9 april 2002 Strafkamer nr. 00443/01 E AG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 16 oktober 2000, nummer 21/001321-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 11 januari 1999, voorzover aan 's Hof oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2 subsidiair "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40 van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan" strafbaar verklaard, doch bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. 1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.C. Huisman, advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het tweede middel 3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen 's Hofs verwerping van het verweer dat het bedrijf van verdachte geen herstelinrichting voor motorvoertuigen was. 3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 18 februari 1997 in de gemeente [plaats C] als degene die een herstelinrichting voor motorvoertuigen, gelegen aan of nabij de [b-straat] dreef, opzettelijk niet heeft voldaan aan de voorschriften die zijn opgenomen in de bij het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer behorende bijlage I, immers werden afvalstoffen niet op gezette tijden uit de inrichting afgevoerd (voorschrift 5.3), aangezien op voornoemde datum - in totaal - 40.000 à 50.000, in ieder geval een aantal tienduizenden oude en/of verweerde motorbanden op de bodem opgeslagen lagen." 3.3. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota, overeenkomstig welke de raadsman het woord heeft gevoerd, houdt onder meer het volgende in: "Feit II de bandenopslag; subsidiair (...) Exploiteerde [verdachte] een herstelinrichting? (...) In de zaak van [verdachte] werden geen motorvoertuigen hersteld, onderhouden of verkocht. [Verdachte] verkocht banden, niet meer en niet minder. Geen herstelinrichting dus. Het is in dat kader goed om eens wat cijfers te noemen. [Verdachte] verkocht per jaar ongeveer 10.000 motorbanden. Van die 10.000 werden er ongeveer 1.000 verkocht in de zaak zelf, de resterende 9.000 werden via de post besteld en verstuurd en waren door de handel bestelde partijen banden. Van de 1.000 banden die in de zaak zelf werden verkocht, werden er zo'n 500 banden los verkocht. De andere 500 werden door [verdachte] gemonteerd. Van die 500 werden er zeker 100 à 150 gemonteerd op losse wielen. Klanten kwamen dan met de auto en namen de wielen van de motor mee in de kofferbak. Kortom van de 10.000 banden die [verdachte] jaarlijks verkocht werden er zo'n 400 in de zaak gemonteerd op motorfietsen. Vier procent. (...) Zelfs indien een band vervangen toch onder het begrip herstellen kan worden gebracht, mag niet worden aangenomen dat [verdachte] een herstelinrichting in stand hield. Hij hield zich namelijk niet in hoofdzaak bezig met het vervangen. De losse verkoop, 95% van de totale verkopen, dat was de hoofdactiviteit. Een ander bewijs daarvan is dat het vervangen van een bandje gratis gebeurde. Het geld werd dus verdiend, c.q. in hoofdzaak, met de losse bandenverkoop. Van een herstelinrichting is dan geen sprake." 3.4. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in als samenvatting en verwerping van het in het middel bedoelde verweer: "Namens verdachte is aangevoerd - kort samengevat - dat verdachte geen herstelinrichting exploiteerde (...). Het hof overweegt hieromtrent het volgende: Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte zijn bedrijf zelf aanmerkt als een herstelinrichting voor motorvoertuigen; hij heeft ook een melding van die strekking gedaan als bedoeld in het Besluit Herstelinrichtingen voor Motorvoertuigen. Ter zitting van het hof heeft hij bovendien verklaard dat er herstelwerkzaamheden plaatsvonden." 3.5. Onder een herstelinrichting voor motorvoertuigen dient, voorzover te dezen van belang, volgens art. 1, eerste lid aanhef en onder a, van het inmiddels vervallen Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer Stb 1990,51 zoals nadien gewijzigd (hierna: het Besluit) te worden verstaan: een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verkopen, herstellen of onderhouden van motorvoertuigen ten behoeve van het wegverkeer. 3.6. In art. 4, eerste en tweede lid, van het Besluit is kort gezegd bepaald dat degene die voornemens is een herstelinrichting voor motorvoertuigen op te richten, uit te breiden, te wijzigen of de werking daarvan te veranderen dit meldt aan het bevoegd gezag. Het derde lid van art. 4 van het Besluit houdt onder meer in: "Bij een melding als bedoeld in het eerste of tweede lid,(...) worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven." Art. 5 van het Besluit houdt, voorzover te dezen van belang, in het eerste lid in dat in gevallen waarin een herstelinrichting voor motorvoertuigen al is opgericht op het tijdstip waarop het Besluit daarop van toepassing wordt de bij het Besluit gestelde regels tot een jaar na dat tijdstip niet voor die herstelinrichting gelden en in het tweede lid dat in de in het eerste lid bedoelde gevallen degene die een herstelinrichting voor motorvoertuigen drijft ten hoogste drie maanden na het in dat lid bedoelde tijdstip aan het bevoegd gezag en de inspecteur meldt dat hij de herstelinrichting in werking heeft, welke melding geschiedt overeenkomstig artikel 4, derde lid, van het Besluit. Bijlage II bij het Besluit houdt onder meer in dat bij een melding als bedoeld in art. 4, eerste en tweede lid, van het Besluit moeten worden verstrekt: "de gegevens waaruit kan worden afgeleid of omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a (...) zich voordoen en gegevens waaruit de noodzaak tot het stellen van nadere eisen kan blijken." 3.7. De woorden "herstelinrichting voor motorvoertuigen" zijn in de tenlastelegging en de bewezenverklaring kennelijk in dezelfde betekenis gebezigd als daaraan toekomt in het Besluit. Het gaat daarbij naar uit hetgeen hiervoor is overwogen voortvloeit, om de op grond van feitelijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld de bouw en outillage vast te stellen bestemming van de inrichting en niet, zoals in het verweer lijkt te worden verondersteld om de mate waarin in een bepaalde periode aldaar herstelwerkzaamheden worden verricht. 3.8. Het Hof ligt heeft bewezen geoordeeld dat de verdachte een herstelinrichting voor motorvoertuigen als bedoeld in art. 1, eerste lid aanhef en onder a, van het Besluit dreef, terwijl in zijn oordeel besloten ligt dat het niet aannemelijk heeft bevonden hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten betoge dat van zodanige herstelinrichting feitelijk geen sprake was. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen 's Hofs uit de verwerping van het verweer en de bewijsmiddelen blijkende en daarin kennelijk besloten liggende vaststellingen: - dat de verdachte zijn bedrijf zelf heeft aangemerkt als een herstelinrichting voor motorvoertuigen en aan het bevoegd gezag een melding van die strekking heeft gedaan als bedoeld in art. 5, tweede lid, van het Besluit, waaruit kan volgen dat de verdachte ten tijde van de melding de gegevens welke hij in de melding heeft opgenomen van dien aard achtte dat daaruit moest worden afgeleid dat de inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd was voor het herstellen van motorvoertuigen, terwijl niet is aangevoerd dat de feitelijke situatie binnen de inrichting na die melding is gewijzigd; - dat de verdachte tegenover de opsporingsambtenaar Bronkhorst heeft verklaard dat hij wist dat het bedrijf viel onder het besluit Herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, waaruit kan volgen dat de verdachte ervan op de hoogte was dat en op grond van welke feitelijke omstandigheden hij aan de bij het Besluit gestelde regels moest voldoen; - dat de verdachte ter terechtzitting van het Hof heeft verklaard dat er binnen de inrichting herstelwerkzaamheden plaatsvonden; - dat door de verbalisant een onderzoek is ingesteld op het desbetreffende perceel en is gerelateerd dat de inrichting van de verdachte, kort gezegd, een herstelinrichting voor motorvoertuigen betreft; - dat op 18 februari 1997 binnen de inrichting en wel op het opslagterrein achter de werkplaats 40.000 à 50.000 oude en verweerde motorbanden aanwezig waren in verband waarmee kan worden aangenomen dat in de voorafgaande jaren niet of nauwelijks motorbanden zijn afgevoerd, terwijl de verdediging niet heeft aangevoerd dat deze grote hoeveelheid oude motorbanden op andere wijze is verkregen dan - zoals voor de hand ligt - als gevolg van het herstellen van motorvoertuigen in die zin dat in de inrichting oude banden van binnen de inrichting gebrachte motorvoertuigen ter plaatse werden vervangen door nieuwe en de oude banden op het terrein van de inrichting bleven. 3.9. Derhalve faalt het middel. 4. Beoordeling van het eerste, het derde, het vierde en het vijfde middel De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Slotsom Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 9 april 2002.