
Jurisprudentie
AD9050
Datum uitspraak2002-02-08
Datum gepubliceerd2002-02-08
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR01/094HR
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2002-02-08
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersR01/094HR
Statusgepubliceerd
Conclusie anoniem
R 01/094 HR
Parket 21 december 2001
Conclusie mr J. Spier inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
1. Bij beschikking van 22 mei 2001 heeft het Hof Arnhem de man veroordeeld om ten behoeve van der partijen kinderen de in het dictum genoemde bedragen te betalen.
2. Volgens het Hof is de behoefte van de kinderen aan een bijdrage hoger, maar laat de draagkracht van de man niet toe dat hij het desbetreffende bedrag voldoet.
3. De vrouw heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De man is in cassatie niet verschenen.
4. Het middel strekt in de eerste plaats (onder 2.5) ten betoge dat de omstandigheid dat de vrouw geen bijdrage kan leveren aan de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen en dat de man niet hetgeen zij behoeven dient te voldoen "een financieel gat" doet ontstaan. Aldus zou het Hof het recht hebben geschonden althans zijn oordeel ontoereikend hebben gemotiveerd.
5. Voorzover deze klacht al voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. faalt zij omdat zij berust op een misvatting. In het oog springt dat iemand bezwaarlijk kan worden veroordeeld tot onderhoudsbijdragen die de draagkracht te boven gaan.(1) Zo'n veroordeling zou trouwens geen bijdrage kunnen leveren aan het opvullen van het door mr Garretsen genoemde "financiële gat".
6. De klachten verwoord onder 2.6 en 2.7 voldoen, voorzover al begrijpelijk, niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
1 Iets anders is dat de rechter bij de bepaling van de draagkracht van bepaalde omstandigheden kan abstraheren (zoals het Hof in casu ook heeft gedaan); zie nader Asser-De Boer I (1998) nr 624 e.v.
Uitspraak
8 februari 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/094HR
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 12 oktober 1999 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en - voor zover in cassatie nog van belang en na wijziging van eis - te bepalen dat de man ƒ 500,-- per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de drie kinderen van partijen, [kind 1], geboren te [geboorteplaats] op 19 juli 1995, [kind 2], geboren te [geboorteplaats] op 28 november 1996, en [kind 3], geboren te [geboorteplaats] op 26 mei 1999.
De man heeft onder meer het verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 24 mei 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bij beschikking van 29 november 1999 het verzoek tot bepaling van de kinderalimentatie toegewezen. Voorts heeft zij bepaald dat deze bijdrage niet eerder van rechtswege zal worden verhoogd dan met ingang van 1 januari 2002, met het ingaande dat jaar geldende wettelijke indexeringsbijdrage, en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen laatstvermelde beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft hij verzocht voormelde beschikking van de Rechtbank voor zover het de vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen betreft te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat die bijdrage met ingang van 29 november 2000 op ƒ 300,--, subsidiair ƒ 341,--, voor alle kinderen tezamen per maand wordt vastgesteld, althans een zodanige bijdrage en een zodanige ingangsdatum vast te stellen als het Hof juist acht.
Bij beschikking van 22 mei 2001 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank van 29 november 2000 vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man over de periode 29 november 2000 tot 1 januari 2001 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen een bedrag van ƒ 130,-- per kind zal betalen en vanaf 1 januari 2001 een bedrag van ƒ 170,-- per kind per maand.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot be-antwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 februari 2002.

