Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AD9111

Datum uitspraak2002-04-12
Datum gepubliceerd2002-04-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC00/129HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnummer C00/129 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 25 januari 2002 Conclusie inzake de vennootschap naar Pools recht KORA SP.ZO.O. tegen de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Eindhoven Inleiding 1. In deze zaak gaat het om het volgende: i) Aan thans eiseres tot cassatie, verder: Kora, is op 2 september 1996 door de Inspecteur een naheffingsaanslag loonbelasting/premieheffing over het tijdvak 8-31 juli 1996 opgelegd van f 552.976,- inclusief 100% boete. Deze aanslag is op grond van art. 10 lid 1 letter b en c juncto art. 15 Invorderingswet 1990 (Iw 90) terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaard. ii) Ter zake van deze aanslag is op 4 september 1996 een dwangbevel tegen Kora uitgevaardigd. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de belastingdeurwaarder aan Kora een bedrag van f 15.000,- in rekening gebracht ter zake van de betekening van het dwangbevel. iii) Uit hoofde van het dwangbevel en de kostenbeschikking is - eveneens op 4 september 1996 - ten laste van Kora executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Coöperatieve Tuinbouwveiling RBT B.A. en de Rabobank Nuenen, Son en Breugel (hierna: de Rabobank). Uit hoofde van dit derdenbeslag heeft thans verweerder in cassatie, verder: de Ontvanger, in de maanden februari en maart 1997 in totaal een bedrag van f 286.754,37 geïncasseerd. De Ontvanger heeft dit bedrag afgeboekt op de naheffingsaanslag van 2 september 1996, in dier voege dat - overeenkomstig het bepaalde in art. 7 lid 1 Iw 90 - f 15.620,- werd afgeboekt op de kosten, f 2.243,- op de rente en het resterende deel op de aanslag van 4 september 1996. Aan Kora is hiervan mededeling gedaan. iv) Inmiddels was aan Kora op 2 december 1996 over het derde kwartaal 1996 een naheffingsaanslag loonbelasting/premieheffing opgelegd van f 446.000,- inclusief boete. Ter zake van deze aanslag is op 17 januari 1997 een dwangbevel tegen Kora uitgevaardigd. v) Uit hoofde van zowel het dwangbevel van 4 september 1996 als het dwangbevel van 17 januari 1997 is op 3 en 4 november 1997 ten laste van Kora executoriaal derdenbeslag gelegd onder Bocchi Fruit Trade Benelux B.V. en onder de Rabobank. Uit hoofde van dit derdenbeslag heeft de Ontvanger een bedrag van f 302.763,51 geïncasseerd. De Ontvanger heeft dit bedrag afgeboekt op de naheffingsaanslag van 2 december 1996 nu Kora inmiddels beroep tegen de aanslag van 2 september 1996 had aangetekend. Aan Kora is hiervan mededeling gedaan. vi) Kora heeft op 17 mei 1999 bezwaar gemaakt tegen de kostenbeschikking van 4 september 1996. Op 19 juli 1999 heeft de Ontvanger, hoezeer het bezwaar ook wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk was, (ambtshalve) de kostenbeschikking vernietigd en de in rekening gebrachte vervolgingskosten met f 15.000,- verlaagd. Dit bedrag heeft de Ontvanger vervolgens afgeboekt op de aanslag van 2 september 1996. 2. Kora heeft in dit kort geding terugbetaling gevorderd van het uitgewonnen bedrag aan kosten van f 15.000,-; voorts vorderde zij betaling van een bedrag van f 4.265,- aan kosten voor juridisch advies in verband met het bezwaar tegen de kostenbeschikking. Zij betoogde dat de Ontvanger het uitgewonnen bedrag aan vervolgingskosten dient te restitueren nu dat bedrag door de vernietiging van de onderliggende kostenbeschikking onrechtmatig is ingevorderd, zodat de Ontvanger niet over een rechtsgrond beschikte om het bedrag af te boeken. De door haar gemaakte kosten voor juridisch advies, heeft Kora gevorderd als schadevergoeding wegens de onrechtmatigheid van de kostenbeschikking. De Ontvanger heeft verweer gevoerd. Hij heeft betoogd dat hij gerechtigd was het uitgewonnen bedrag van f 15.000,- af te boeken op de nog openstaande belastingschuld van 2 september 1996 en voorts dat Kora door deze handelwijze niet is benadeeld nu haar belastingschuld met f 15.000,- is verminderd. De Ontvanger heeft de vordering ter zake van de advieskosten betwist. Hij heeft primair betwist deze kosten verschuldigd te zijn; hij heeft subsidiair de hoogte van de vordering betwist en betoogd dat deze gevorderde kosten niet als redelijke kosten kunnen worden aangemerkt nu zij in het licht van de hoogte van het bedrag van de bestreden kostenbeschikking als buitenproportioneel moeten worden aangemerkt. 3. De President in kort geding heeft de vordering van Kora bij vonnis van 21 september 1999 afgewezen. Hij honoreerde het verweer van de Ontvanger ter zake van de vordering tot restitutie van het bedrag van f 15.000,-. Met betrekking tot de door de Ontvanger gemotiveerd betwiste advieskosten overwoog de President dat in het bestek van dit kort geding niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden uitgemaakt wie het gelijk aan zijn zijde heeft en dat een meer verantwoord oordeel over deze kwestie een nader onderzoek zou vergen waarvoor dit kort geding zich niet leent. 4. Het Hof heeft dit vonnis bij arrest van 23 februari 2000 bekrachtigd. Het Hof concludeerde dat naar zijn voorlopig oordeel de Ontvanger gerechtigd was het litigieuze bedrag van f 15.000,- op de aanslag van 2 september 1996 af te boeken. 's Hofs motivering van dit oordeel laat zich als volgt samenvatten: - Anders dan Kora betoogt, heeft de Ontvanger dit bedrag niet onrechtmatig onder zich gekregen nu hij de beslagen van 4 september 1996 heeft gelegd uit hoofde van zowel het dwangbevel als de kostenbeschikking van 4 september 1996; de naheffingsaanslag van 2 september 1996 was slechts ten dele uit de executieopbrengst voldaan; na het vervallen van de grondslag voor executie van het bedrag van de kostenbeschikking, resteerde derhalve de grondslag voor executie van het bedrag van de aanslag, zodat de Ontvanger gerechtigd was het bedrag van f 15.000,- alsnog in mindering te brengen op de aanslag. Aldus komt niet aan de orde of de Ontvanger zich al dan niet op verrekening kon beroepen. - Kora's betoog dat de Ontvanger gezien het afboekingsvoorschrift van art. 7 par. 1 lid 2 Leidraad Invordering 1990 niet gerechtigd was de executie-opbrengst van de beslagen van 3 en 4 november 1997 toe te rekenen aan de "jongste" aanslag van 2 december 1996 en dat de Ontvanger gezien art. 7 par. 1 lid 4 Leidraad Invordering Kora had dienen uit te nodigen een bestemming voor de ingevorderde bedragen aan te geven, faalt. De President in kort geding heeft met juistheid overwogen dat niet valt in te zien dat Kora door de handelwijze van de Ontvanger is benadeeld nu haar belastingschuld op basis van de eerste aanslag waarvoor de derdenbeslagen zijn gelegd en waarop het geld is binnengekomen, met f 15.000,- is verminderd. Overigens, ook indien geoordeeld zou moeten worden dat de Ontvanger bedoelde executieopbrengst eerst had moeten afboeken op de "oudste" aanslag van 2 september 1996, dan zou dit niet tot toewijzing van de vordering van Kora hebben geleid. De Ontvanger zou immers in dat geval uit de beslagen van 4 september 1996 een bedrag van f 15.000,- te veel aan de kosten en te weinig aan de aanslag van 2 september 1996 hebben toegerekend en uit de beslagen van november 1997 een bedrag van f 15.000,- teveel aan de aanslag van 2 september 1996 en te weinig aan de aanslag van 2 december 1996. Er zijn dan geen gronden om te concluderen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de Ontvanger met betrekking tot de executie-opbrengst van februari en maart 1997 zich erop beroept dat nog een bedrag van de aanslag van 2 september 1996 openstaat en dat de Ontvanger op die grond het bedrag van f 15.000,- niet aan Kora restitueert. Met betrekking tot de gevorderde advieskosten oordeelde het Hof dat de President dit onderdeel van de vordering terecht en op goede gronden niet toewijsbaar heeft geoordeeld. 5. Kora heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht. De cassatiemiddelen 6. Middel I komt op tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist in de rechtsoverwegingen 4.2.1-4.2.7 (waarin het Hof tot zijn voorlopig oordeel kwam dat de Ontvanger gerechtigd was het bedrag van f 15.000,- aan kosten af te boeken op de aanslag van 2 september 1996) alsmede - in samenhang daarmee - tegen 's Hofs rechtsoverweging 4.4 en zijn beslissing onder 5. Middelonderdeel 1.1 bevat slechts een inleiding en geen klacht. Middelonderdeel 1.2 klaagt dat 's Hofs overwegingen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, zijn aangezien art. 7 lid 1 IW 90 een duidelijke regeling bevat (gedane betalingen strekken allereerst ter delging van de executiekosten, vervolgens tot die van de rente en daarna ter inlossing van de belastingschuld) en aan de gedingstukken valt te ontlenen dat de kostenbeschikking is vernietigd zodat voor deze zaak tot uitgangspunt moet worden genomen dat die kostenbeschikking nietig is, althans dat die kostenbeschikking is vernietigd. Deze klacht voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen nu niet wordt aangegeven welke rechtsoverweging nu precies wordt aangevallen en waarom de omstandigheid dat de kostenbeschikking is vernietigd, zou meebrengen dat (één van) 's Hofs rechtsoverwegingen rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, (is) zijn. Voorzover het middelonderdeel wil betogen dat het Hof niet tot uitgangspunt heeft genomen dat de kostenbeschikking is vernietigd, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Middelonderdeel 1.3 lijkt ervan uit te gaan dat de Ontvanger het litigieuze bedrag van f 15.000,- separaat heeft geïnd en mist in zoverre feitelijke grondslag. Het ziet verder kennelijk eraan voorbij dat het Hof overwoog dat het derdenbeslag was gelegd zowel voor de kostenbeschikking van f 15.000,- als voor het dwangbevel ter zake van de naheffingsaanslag, zodat de tweede grondslag na het verval van de eerste grondslag resteerde en de Ontvanger op die grond gerechtigd was het bedrag van f 15.000,- alsnog in mindering op de naheffingsaanslag te brengen. Niet wordt aangegeven waarom dat oordeel niet juist zou zijn. Middelonderdeel 1.4 bevat de klacht, althans zo blijkt uit het slot van dit middelonderdeel, dat er geen rechtsgrond voor verrekening was. Dit middelonderdeel faalt reeds omdat het Hof zijn bestreden beslissing niet op "verrekening" heeft gegrond zoals blijkt uit zijn expliciete overweging dat niet meer aan de orde komt of de Ontvanger zich al dan niet op verrekening kan beroepen. Middelonderdeel 1.5 ziet eveneens eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat verrekening niet aan de orde was. Middelonderdeel 1.6 komt op tegen 's Hofs oordeel dat Kora geen belang heeft bij haar klacht dat de Ontvanger de opbrengst van het tweede beslag niet had mogen toerekenen aan de aanslag van 2 december 1996; het middelonderdeel bouwt voort op de daaraan voorafgaande onderdelen en moet in zoverre het lot daarvan delen. De klacht dat Kora door de handelwijze van de Ontvanger wordt benadeeld omdat zij met renteverliezen wordt geconfronteerd doordat de oudste openstaande aanslag ten onrechte langer openstaat en met liquidatieschade nu omtrent de verschuldigde belastingschulden nog procedures gaande zijn, behelst een ontoelaatbaar novum in cassatie. Middelonderdeel 1.7 bouwt eveneens voort op de daaraan voorafgaande onderdelen en moet in zoverre ook het lot daarvan delen. De klacht dat het Hof heeft miskend dat de Ontvanger op grond van art. 7 Leidraad Invordering 1990 Kora schriftelijk in de gelegenheid had moeten stellen de bestemming van de betalingen aan te geven en dat het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wel degelijk onaanvaardbaar is dat de Ontvanger niet restitueert, faalt. Wat er van deze klacht verder ook zij, het Hof heeft overwogen dat niet valt in te zien dat Kora door de handelwijze van de Ontvanger is benadeeld en dat overigens ook al zou geoordeeld moeten worden dat de Ontvanger bedoelde executieopbrengst eerst had moeten afboeken op de "oudste" aanslag van 2 september 1996, zulks niet tot toewijzing van de vordering van Kora zou hebben geleid. 's Hofs overweging dat niet valt in te zien dat Kora door de handelwijze van de Ontvanger is benadeeld, een overweging die in 's Hofs redenering een zelfstandig dragende grond vormde voor zijn verwerping van het betoog dat de Ontvanger Kora in de gelegenheid had moeten stellen de bestemming van de betalingen aan te geven, wordt door Kora in cassatie slechts bestreden met een een ontoelaatbaar novum. Daarbij komt nog dat 's Hofs overweging dat ook indien geoordeeld zou moeten worden dat de Ontvanger bedoelde executieopbrengst eerst had moeten afboeken op de "oudste" aanslag van 2 september 1996, zulks niet tot toewijzing van de vordering van Kora zou hebben geleid, een overweging die in 's Hofs redenering eveneens een zelfstandig dragende grond vormde voor zijn verwerping van bedoeld betoog, in cassatie in het geheel niet wordt bestreden. 7. Middel II richt zich tegen 's Hofs oordeel dat Kora's vordering tot betaling van de advieskosten ter zake van het bezwaar tegen de kostenbeschikking dient te worden afgewezen. Het Hof heeft dit oordeel - met zijn onderschrijving van de overwegingen van de President in kort geding - gegrond op de overweging dat nu de Ontvanger de vordering inzake de advieskosten zowel wat betreft "de verschuldigdheid" als wat betreft de hoogte daarvan uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist, in het bestek van dit kort geding niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden uitgemaakt welke partij het gelijk aan haar zijde heeft en een meer verantwoord oordeel over deze kwestie een nader onderzoek zou vergen waarvoor dit kort geding zich niet leent. Aldus heeft het Hof zijn bestreden oordeel dat de kwestie van de gevorderde advieskosten zich niet leent voor een beslissing in dit kort geding mede daarop gebaseerd dat een nader onderzoek is vereist nu de Ontvanger de hoogte van de gevorderde kosten (zo al verschuldigd) mede in het licht van de redelijkheidstoets van art. 6:96 lid sub c BW gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

12 april 2002 Eerste Kamer Nr. C00/129HR AP Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: de vennootschap naar Pools recht KORA SP ZO.O, gevestigd te Przemysl, Polen, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN EINDHOVEN, gevestigd te Eindhoven, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. H.D.O. Blauw. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Kora - heeft bij exploit van 10 augustus 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Ontvanger te veroordelen om binnen twee dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis het reeds uitgewonnen bedrag ad ƒ 15.000,-- aan Kora terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede te betalen een bedrag van ƒ 4.265,-- ter zake van vergoeding van de door Kora geleden schade, te vermeerderen met de hierover per 17 mei 1999 belopen wettelijke rente. De Ontvanger heeft de vordering bestreden. De President heeft bij vonnis van 21 september 1999 het gevorderde afgewezen. Tegen dit vonnis heeft Kora hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 23 februari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft Kora beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van Kora heeft bij brief van 8 februari 2002 op die conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Kora in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 april 2002.